Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16955
2026-05-18
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/09/703647 / KG ZA 26-411
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Verstek. Huurrecht woning.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.205 tekens)
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703647 / KG ZA 26-411
Vonnis in kort geding van 18 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. N. Bagci-Çiçek te Den Haag,
tegen:
[gedaagde]
te [woonplaats]
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
1De procedure
1.1.
De vrouw heeft vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding van
30 april 2026 waarmee deze procedure is ingeleid. Zij heeft ter zitting van 11 mei 2026 bij de daarin opgenomen eis volhard.
1.2.
De man is niet ter zitting verschenen. Tegen de man wordt verstek verleend. Dat wordt hierna verder toegelicht.
2De beoordeling van het geschil
2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Deze relatie is recent verbroken. Partijen zijn gezamenlijk huurders van de woning aan de [adres] (hierna: de woning).
2.2.
De man is gedagvaard op het adres van de woning. Omdat de dagvaarding niet in persoon aan de man kon worden uitgereikt, is deze in gesloten envelop op het adres van de woning achtergelaten en is gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 57 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.3.
De man verblijft, zo stelt de vrouw in de dagvaarding, niet langer in de woning. Hij heeft de woning op 10 april 2026 verlaten en verblijft sindsdien in de woning van zijn ouders. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting verklaard dat de dagvaarding ook per e-mail aan de man is toegezonden en dat de man al langere tijd op de hoogte is van de datum en tijd van de zitting. Verder heeft zij verklaard dat ze de man op 8 mei 2026 telefonisch heeft gesproken. In dat telefoongesprek heeft de man te kennen gegeven dat hij niet naar de zitting zou komen, omdat hij zich niet verzet tegen de door de vrouw ingestelde vorderingen. De voorzieningenrechter concludeert op basis van dit alles dat de man behoorlijk is opgeroepen voor de zitting en verleent verstek tegen hem.
2.4.
Er is geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van de vrouw. Dat betekent dat de vorderingen van de vrouw toewijsbaar zijn, tenzij deze de voorzieningenrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Daarbij zal de voorzieningenrechter zijn beslissing baseren op de bij dagvaarding gestelde feiten, omdat deze niet zijn weersproken. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.
2.5.
Het gevorderde komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Daarom zal het gevorderde worden toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding de man een ruimere termijn te gunnen om de sleutels van de woning aan de vrouw ter hand te stellen. De voorzieningenrechter bepaalt deze termijn in redelijkheid op zeven dagen in plaats van – zoals door de vrouw gevorderd – vierentwintig uur na betekening van dit vonnis, mede met het oog op de gevorderde en toe te wijzen dwangsommen. De voorzieningenrechter wijst de vrouw er in dit verband op dat betekening van dit vonnis dient te geschieden aan de woonplaats van de man. Dat is de in artikel 1:10 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde woonplaats. Nu de man de woning heeft verlaten en daarin ook niet zal terugkeren, heeft hij daar niet langer zijn woonplaats en zal – zolang de adresgegevens van de man in de BRP niet zijn aangepast – betekening van dit vonnis moeten plaatsvinden op het adres van zijn feitelijk verblijf.
2.6.
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd op een bedrag van € 10.000,=.
2.7.
In de familierechtelijke aard van dit geschil wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
3De beslissing
De voorzieningenrechter:
3.1.
verleent verstek tegen de man;
3.2.
bepaalt dat, voor de duur van de bodemprocedure over de vraag wie van partijen het huurrecht zal voortzetten, de vrouw met uitsluiting van de man het voortgezette en exclusieve gebruiksrecht van de woning aan de [adres] toekomt;
3.3.
veroordeelt de man de bij voormelde woning behorende sleutels binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan hem aan de vrouw ter hand te stellen en verbiedt hem voormelde woning te betreden, beide op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, waarop hij in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 10.000,=;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
idt
Het adres waarop de man is gedagvaard staat niet in de dagvaarding vermeld, omdat –zo staat in de dagvaarding– de man blijkens verificatie van de Basis Registratie Personen woont op een adres waarvan hij heeft verzocht dit geheim te houden voor derden. Uit de omstandigheid dat de deurwaarder bij betekening heeft gehandeld als voorgeschreven in artikel 57 Rv leidt de voorzieningenrechter af dat de man is gedagvaard op het adres van de woning. In artikel 57 Rv wordt immers bepaald hoe moet worden gehandeld bij betekening aan de woningdeler van degene op wiens verzoek de dagvaarding wordt uitgebracht.
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703647 / KG ZA 26-411
Vonnis in kort geding van 18 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. N. Bagci-Çiçek te Den Haag,
tegen:
[gedaagde]
te [woonplaats]
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
1De procedure
1.1.
De vrouw heeft vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding van
30 april 2026 waarmee deze procedure is ingeleid. Zij heeft ter zitting van 11 mei 2026 bij de daarin opgenomen eis volhard.
1.2.
De man is niet ter zitting verschenen. Tegen de man wordt verstek verleend. Dat wordt hierna verder toegelicht.
2De beoordeling van het geschil
2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Deze relatie is recent verbroken. Partijen zijn gezamenlijk huurders van de woning aan de [adres] (hierna: de woning).
2.2.
De man is gedagvaard op het adres van de woning. Omdat de dagvaarding niet in persoon aan de man kon worden uitgereikt, is deze in gesloten envelop op het adres van de woning achtergelaten en is gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 57 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.3.
De man verblijft, zo stelt de vrouw in de dagvaarding, niet langer in de woning. Hij heeft de woning op 10 april 2026 verlaten en verblijft sindsdien in de woning van zijn ouders. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting verklaard dat de dagvaarding ook per e-mail aan de man is toegezonden en dat de man al langere tijd op de hoogte is van de datum en tijd van de zitting. Verder heeft zij verklaard dat ze de man op 8 mei 2026 telefonisch heeft gesproken. In dat telefoongesprek heeft de man te kennen gegeven dat hij niet naar de zitting zou komen, omdat hij zich niet verzet tegen de door de vrouw ingestelde vorderingen. De voorzieningenrechter concludeert op basis van dit alles dat de man behoorlijk is opgeroepen voor de zitting en verleent verstek tegen hem.
2.4.
Er is geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van de vrouw. Dat betekent dat de vorderingen van de vrouw toewijsbaar zijn, tenzij deze de voorzieningenrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Daarbij zal de voorzieningenrechter zijn beslissing baseren op de bij dagvaarding gestelde feiten, omdat deze niet zijn weersproken. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.
2.5.
Het gevorderde komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Daarom zal het gevorderde worden toegewezen zoals uitgewerkt in de beslissing. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding de man een ruimere termijn te gunnen om de sleutels van de woning aan de vrouw ter hand te stellen. De voorzieningenrechter bepaalt deze termijn in redelijkheid op zeven dagen in plaats van – zoals door de vrouw gevorderd – vierentwintig uur na betekening van dit vonnis, mede met het oog op de gevorderde en toe te wijzen dwangsommen. De voorzieningenrechter wijst de vrouw er in dit verband op dat betekening van dit vonnis dient te geschieden aan de woonplaats van de man. Dat is de in artikel 1:10 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde woonplaats. Nu de man de woning heeft verlaten en daarin ook niet zal terugkeren, heeft hij daar niet langer zijn woonplaats en zal – zolang de adresgegevens van de man in de BRP niet zijn aangepast – betekening van dit vonnis moeten plaatsvinden op het adres van zijn feitelijk verblijf.
2.6.
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd op een bedrag van € 10.000,=.
2.7.
In de familierechtelijke aard van dit geschil wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
3De beslissing
De voorzieningenrechter:
3.1.
verleent verstek tegen de man;
3.2.
bepaalt dat, voor de duur van de bodemprocedure over de vraag wie van partijen het huurrecht zal voortzetten, de vrouw met uitsluiting van de man het voortgezette en exclusieve gebruiksrecht van de woning aan de [adres] toekomt;
3.3.
veroordeelt de man de bij voormelde woning behorende sleutels binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan hem aan de vrouw ter hand te stellen en verbiedt hem voormelde woning te betreden, beide op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, waarop hij in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 10.000,=;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
idt
Het adres waarop de man is gedagvaard staat niet in de dagvaarding vermeld, omdat –zo staat in de dagvaarding– de man blijkens verificatie van de Basis Registratie Personen woont op een adres waarvan hij heeft verzocht dit geheim te houden voor derden. Uit de omstandigheid dat de deurwaarder bij betekening heeft gehandeld als voorgeschreven in artikel 57 Rv leidt de voorzieningenrechter af dat de man is gedagvaard op het adres van de woning. In artikel 57 Rv wordt immers bepaald hoe moet worden gehandeld bij betekening aan de woningdeler van degene op wiens verzoek de dagvaarding wordt uitgebracht.