Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:16941

2026-06-22 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.33150
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-22
Publicatiedatum
2026-06-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.33150
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolgberoep – bewaring – belangenafweging - ongegrond – geen pkv.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.504 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.33150


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Willems).




Procesverloop


Verweerder heeft op 19 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.



Eiser heeft hierop gereageerd. Eiser heeft op 19 juni 2026 zijn beroepsgronden gecorrigeerd.



Desgevraagd heeft verweerder op 19 juni 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend.



De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 22 juni 2026.





Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1980 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 mei 2026 (in de zaak NL26.24487) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 7 mei 2026, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 7 mei 2026.

4. Eiser voert aan dat uit de M120 niet blijkt dat verweerder een inhoudelijke belangenafweging heeft gemaakt. Eiser overlegt in dit kader een uitdraai van zijn medisch dossier. Hieruit volgt dat hij zich meermaals heeft gemeld bij de medische dienst van het detentiecentrum vanwege aanhoudende buikklachten. Op 28 mei 2026 wordt een aanvraag gedaan voor de polikliniek chirurgie en is hiervoor vervoer aangevraagd. Op 3 juni 2026 meldt eiser zich opnieuw met klachten, maar hoort dan dat hij binnenkort zal worden opgeroepen voor de medische dienst. Verweerder had deze omstandigheden volgens eiser bij de belangenafweging moeten betrekken, althans de rechtbank moet deze belangen bij zijn beoordeling betrekken. Eiser heeft in zijn gecorrigeerde gronden van 19 juni 2026 laten weten dat hij op 12 juni 2026 naar het ziekenhuis is vervoerd, maar dat van dit onderzoek nog geen uitslag bekend is. Op 15 juni 2026 heeft eiser zich weer gemeld met buikklachten.


De rechtbank oordeelt als volgt.


5. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat uit de verslagen van de vertrekgesprekken een continue belangenafweging volgt. Verweerder overweegt in dit kader niet ten onrechte dat eiser in zijn vertrekgesprekken meermaals heeft aangegeven niet te willen meewerken aan zijn vertrek. Ook is het eerder aangenomen risico op onttrekking nog onverkort aanwezig. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken. Ten aanzien van de door eiser overgelegde medische gegevens blijkt dat hij in het detentiecentrum zorg ontvangt. Niet is gesteld noch gebleken dat deze zorg ontoereikend is. Uit de door eiser gecorrigeerde gronden van 19 juni 2026 volgt dat eiser op 12 juni 2026 naar het ziekenhuis is vervoerd en dat hij in afwachting is van de uitslag van dit onderzoek. Hieruit volgt genoegzaam dat eiser wordt voorzien in noodzakelijke specialistische medische zorg. Verweerder stelt in dit kader terecht dat – anders dan in de door eiser aangehaalde Afdelingsuitspraak – niet is gebleken dat eisers geplande medische onderzoek geen doorgang heeft kunnen vinden.
6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De uitspraak is bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




ECLI:NL:RBDHA:2026:10864, ECLI:NL:RBDHA:2026:7156.


Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5646.