Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16903
2026-06-16
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12097978
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huurgeschil, betalingsachterstand. Eiseres vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, en betaling van de achterstallige huur van gedaagden. Toewijzing van de vordering tot betaling jegens een van de gedaagden, afwijzing van de overige vorderingen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2000:AA4772 Hoge Raad 11-02-2000
- ECLI:NL:HR:2018:1810 Hoge Raad 28-09-2018
- ECLI:NL:HR:2025:1799 Hoge Raad 28-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.688 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
RK/b
Zaaknummer: 12097978 \ RL EXPL 26-4025
Vonnis van 16 juni 2026
in de zaak van
STICHTING WOONWEST,
te Wateringen,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Woonwest,
gemachtigde: Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders Rotterdam,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te Maasland,
procederend in persoon,2. [gedaagde 2],
te Maasland,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden] .
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over een huurgeschil. Er is een betalingsachterstand ontstaan. Stichting Woonwest vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, en betaling van de achterstallige huur van [gedaagden] . De vorderingen tegen [gedaagde 2] worden afgewezen, omdat zij de kantonrechter ongegrond voorkomen. Tegen [gedaagde 1] wordt de gevorderde betaling toegewezen, maar de gevorderde ontbinding en ontruiming afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- het mondelinge verweer tijdens de rolzitting van 19 februari 2026- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het tegen [gedaagde 2] verleende verstek
- de mondelinge behandeling van 1 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Stichting Woonwest verhuurt met ingang van 1 december 2017 aan [gedaagden] de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning). De huur bedraagt € 639,78 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Stichting Woonwest van toepassing.
2.2.
[gedaagden] zijn gescheiden. [gedaagde 1] woont met hun twee dochters, waarvan één minderjarig, in de woning. [gedaagde 2] woont ergens anders.
2.3.
[gedaagde 1] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Stichting Woonwest heeft [gedaagde 1] aangemaand op 15 augustus 2025 om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.
3Het geschil
3.1.
Stichting Woonwest vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning en hoofdelijke betaling van € 4.370,62 aan huurachterstand, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Stichting Woonwest legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. Volgens Stichting Woonwest rechtvaardigt de hoogte van de huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning.
3.3.
[gedaagde 1] voert verweer. Volgens [gedaagde 1] rechtvaardigt de huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Afwijzing vorderingen tegen [gedaagde 2]
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat de bij wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten voor de oproep van [gedaagde 2] in acht zijn genomen. Tegen [gedaagde 2] is daarom verstek verleend. Omdat tegen [gedaagde 2] verstek is verleend, moet de kantonrechter beoordelen of de vordering haar onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dat is het geval.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 2] (sinds zes jaar) geen huurder meer is van de woning. Daarom kan hij niet worden aangesproken tot betaling van de huurprijs. Ook kan de huurovereenkomst ten aanzien van hem niet worden ontbonden, omdat deze al is geëindigd. Van ontruiming is geen sprake, omdat [gedaagde 2] de woning niet bewoont. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
4.3.
Na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter Stichting Woonwest in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de positie van [gedaagde 2] . Van die mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt. De kantonrechter gaat daarom uit van wat hierover tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Ter zitting heeft [gedaagde 1] onweersproken aangevoerd dat zij zes jaar geleden is gescheiden van [gedaagde 2] en dat de rechter destijds de woning aan [gedaagde 1] heeft toebedeeld.
4.4.
Doordat de woning aan [gedaagde 1] is toegewezen, is de huur ten aanzien van [gedaagde 2] van rechtswege geëindigd. De uitspraak van de rechter werkt tegenover de verhuurder. Daarvoor maakt niet uit of [gedaagde 1] aan Stichting Woonwest heeft medegedeeld dat [gedaagde 2] niet langer (mede)huurder van de woning was.
4.5.
De vorderingen van Stichting Woonwest tegen [gedaagde 2] komen de kantonrechter ongegrond voor en worden afgewezen.
Toewijzing vordering tot betaling van achterstallige huur
4.6.
Stichting Woonwest heeft betaling gevorderd van € 4.370,62. Deze vordering wordt grotendeels toegewezen. Stichting Woonwest heeft op de mondelinge behandeling een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat de huurachterstand sinds de dagvaarding gedeeltelijk is ingelopen. Tot 1 mei (de dag van de zitting) bedroeg de achterstand nog € 3.737,20. De kantonrechter merkt op dat de huurtermijn van mei in het overzicht van Stichting Woonwest als openstaand is opgenomen. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat zij die huurtermijn wel heeft betaald. De vordering zal daarom voor het bedrag van € 3.737,20 worden toegewezen.
4.7.
De wettelijke rente over de huurachterstand zal zoals gevorderd worden toegewezen.
Vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden afgewezen
4.8.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
4.9.
In een procedure tot ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden of er kinderen in de woning wonen. Bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt moeten de belangen van deze kinderen als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen. Dat betekent niet dat een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen als het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in de woning kunnen blijven wonen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen. [gedaagde 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat haar jongste dochter ernstige psychische problemen heeft gehad en groot belang heeft bij een stabiele situatie.
4.10.
[gedaagde 1] heeft uitgelegd dat haar betalingsproblemen zijn ontstaan door de moeilijke periode die zij thuis doormaakte. Het is in het belang van [gedaagde 1] en haar kinderen dat zij grip krijgt op haar financiële verplichtingen en uitzicht heeft op een oplossing. In dat kader is relevant dat [gedaagde 1] momenteel hulp krijgt om haar financiële situatie op orde te krijgen; op het moment van de mondelinge behandeling ontving [gedaagde 1] gemeentelijke schuldhulp en was bewind ingesteld. Toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming zou dit traject doorkruisen. In dat geval zou [gedaagde 1] namelijk moeten intrekken bij familie in een andere gemeente, wat zou betekenen dat het gemeentelijke schuldhulptraject wordt afgebroken en in een nieuwe gemeente opnieuw moet worden opgestart. Dat is niet in het belang van [gedaagde 1] , maar ook niet van haar schuldeisers.
4.11.
De kantonrechter acht daarnaast het recente betaalgedrag van [gedaagde 1] relevant voor de gevorderde ontbinding en ontruiming. [gedaagde 1] heeft de huurbetalingen hervat en de achterstand gedeeltelijk ingelopen. Het ingestelde bewind biedt enige zekerheid voor Stichting Woonwest dat (in ieder geval) de lopende huurbetalingen worden voldaan.
4.12.
Hoewel de huurachterstand fors is – namelijk op het moment van dagvaarden iets minder dan zeven maanden en ten tijde van de mondelinge behandeling iets minder dan zes maanden – rechtvaardigt deze de gevorderde ontbinding met haar gevolgen niet. Het belang van [gedaagde 1] om met haar kinderen in de woning te blijven, weegt in dit geval zwaarder dan het belang van Stichting Woonwest om vrij te kunnen beschikken over de woning. Daarom worden de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.13.
Stichting Woonwest vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De toepasselijke algemene voorwaarden bevatten in artikel 13 een incassokostenbeding. Omdat [gedaagde 1] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het beding wijkt niet ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die zonder dat beding zou gelden. Het beding is daarom niet oneerlijk en staat niet aan toewijzing van incassokosten in de weg.
4.14.
Stichting Woonwest heeft aan [gedaagde 1] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek. Daarom zal een bedrag van € 527,96 worden toegewezen.
Proceskosten
4.15.
Hoewel [gedaagde 1] deels in het gelijk is gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om haar te veroordelen tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). Als [gedaagde 1] steeds op tijd de huurbetalingen had voldaan, dan had Stichting Woonwest deze procedure niet hoeven beginnen en waren de kosten daarvan haar bespaard gebleven. De proceskosten van Stichting Woonwest worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
154,09
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.577,09
4.16.
De kantonrechter merkt over de kosten van de dagvaarding op dat Stichting Woonwest deze kosten tweemaal heeft gemaakt, namelijk zowel voor het dagvaarden van [gedaagde 1] als voor het dagvaarden van [gedaagde 2] . De kantonrechter veroordeelt [gedaagde 1] slechts tot betaling van de dagvaardingskosten voor zover die op haar zien.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om te betalen aan Stichting Woonwest € 3.737,20 aan achterstallige huur tot en met 30 april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.370,62 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Stichting Woonwest te betalen een bedrag van € 527,96 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.577,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
Artikel 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
HR 24 december 2021, ECLI :NL:HR:2021:1964.
HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4772.
Artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.
HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.
Artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
RK/b
Zaaknummer: 12097978 \ RL EXPL 26-4025
Vonnis van 16 juni 2026
in de zaak van
STICHTING WOONWEST,
te Wateringen,
eisende partij,
hierna te noemen: Stichting Woonwest,
gemachtigde: Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders Rotterdam,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te Maasland,
procederend in persoon,2. [gedaagde 2],
te Maasland,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden] .
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over een huurgeschil. Er is een betalingsachterstand ontstaan. Stichting Woonwest vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, en betaling van de achterstallige huur van [gedaagden] . De vorderingen tegen [gedaagde 2] worden afgewezen, omdat zij de kantonrechter ongegrond voorkomen. Tegen [gedaagde 1] wordt de gevorderde betaling toegewezen, maar de gevorderde ontbinding en ontruiming afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- het mondelinge verweer tijdens de rolzitting van 19 februari 2026- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het tegen [gedaagde 2] verleende verstek
- de mondelinge behandeling van 1 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Stichting Woonwest verhuurt met ingang van 1 december 2017 aan [gedaagden] de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning). De huur bedraagt € 639,78 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Stichting Woonwest van toepassing.
2.2.
[gedaagden] zijn gescheiden. [gedaagde 1] woont met hun twee dochters, waarvan één minderjarig, in de woning. [gedaagde 2] woont ergens anders.
2.3.
[gedaagde 1] heeft (een deel van) de huur niet betaald. Stichting Woonwest heeft [gedaagde 1] aangemaand op 15 augustus 2025 om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.
3Het geschil
3.1.
Stichting Woonwest vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning en hoofdelijke betaling van € 4.370,62 aan huurachterstand, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Stichting Woonwest legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. Volgens Stichting Woonwest rechtvaardigt de hoogte van de huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning.
3.3.
[gedaagde 1] voert verweer. Volgens [gedaagde 1] rechtvaardigt de huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Afwijzing vorderingen tegen [gedaagde 2]
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat de bij wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten voor de oproep van [gedaagde 2] in acht zijn genomen. Tegen [gedaagde 2] is daarom verstek verleend. Omdat tegen [gedaagde 2] verstek is verleend, moet de kantonrechter beoordelen of de vordering haar onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dat is het geval.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 2] (sinds zes jaar) geen huurder meer is van de woning. Daarom kan hij niet worden aangesproken tot betaling van de huurprijs. Ook kan de huurovereenkomst ten aanzien van hem niet worden ontbonden, omdat deze al is geëindigd. Van ontruiming is geen sprake, omdat [gedaagde 2] de woning niet bewoont. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
4.3.
Na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter Stichting Woonwest in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de positie van [gedaagde 2] . Van die mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt. De kantonrechter gaat daarom uit van wat hierover tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Ter zitting heeft [gedaagde 1] onweersproken aangevoerd dat zij zes jaar geleden is gescheiden van [gedaagde 2] en dat de rechter destijds de woning aan [gedaagde 1] heeft toebedeeld.
4.4.
Doordat de woning aan [gedaagde 1] is toegewezen, is de huur ten aanzien van [gedaagde 2] van rechtswege geëindigd. De uitspraak van de rechter werkt tegenover de verhuurder. Daarvoor maakt niet uit of [gedaagde 1] aan Stichting Woonwest heeft medegedeeld dat [gedaagde 2] niet langer (mede)huurder van de woning was.
4.5.
De vorderingen van Stichting Woonwest tegen [gedaagde 2] komen de kantonrechter ongegrond voor en worden afgewezen.
Toewijzing vordering tot betaling van achterstallige huur
4.6.
Stichting Woonwest heeft betaling gevorderd van € 4.370,62. Deze vordering wordt grotendeels toegewezen. Stichting Woonwest heeft op de mondelinge behandeling een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat de huurachterstand sinds de dagvaarding gedeeltelijk is ingelopen. Tot 1 mei (de dag van de zitting) bedroeg de achterstand nog € 3.737,20. De kantonrechter merkt op dat de huurtermijn van mei in het overzicht van Stichting Woonwest als openstaand is opgenomen. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat zij die huurtermijn wel heeft betaald. De vordering zal daarom voor het bedrag van € 3.737,20 worden toegewezen.
4.7.
De wettelijke rente over de huurachterstand zal zoals gevorderd worden toegewezen.
Vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden afgewezen
4.8.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
4.9.
In een procedure tot ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden of er kinderen in de woning wonen. Bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt moeten de belangen van deze kinderen als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen. Dat betekent niet dat een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen als het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in de woning kunnen blijven wonen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen. [gedaagde 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat haar jongste dochter ernstige psychische problemen heeft gehad en groot belang heeft bij een stabiele situatie.
4.10.
[gedaagde 1] heeft uitgelegd dat haar betalingsproblemen zijn ontstaan door de moeilijke periode die zij thuis doormaakte. Het is in het belang van [gedaagde 1] en haar kinderen dat zij grip krijgt op haar financiële verplichtingen en uitzicht heeft op een oplossing. In dat kader is relevant dat [gedaagde 1] momenteel hulp krijgt om haar financiële situatie op orde te krijgen; op het moment van de mondelinge behandeling ontving [gedaagde 1] gemeentelijke schuldhulp en was bewind ingesteld. Toewijzing van de gevorderde ontbinding en ontruiming zou dit traject doorkruisen. In dat geval zou [gedaagde 1] namelijk moeten intrekken bij familie in een andere gemeente, wat zou betekenen dat het gemeentelijke schuldhulptraject wordt afgebroken en in een nieuwe gemeente opnieuw moet worden opgestart. Dat is niet in het belang van [gedaagde 1] , maar ook niet van haar schuldeisers.
4.11.
De kantonrechter acht daarnaast het recente betaalgedrag van [gedaagde 1] relevant voor de gevorderde ontbinding en ontruiming. [gedaagde 1] heeft de huurbetalingen hervat en de achterstand gedeeltelijk ingelopen. Het ingestelde bewind biedt enige zekerheid voor Stichting Woonwest dat (in ieder geval) de lopende huurbetalingen worden voldaan.
4.12.
Hoewel de huurachterstand fors is – namelijk op het moment van dagvaarden iets minder dan zeven maanden en ten tijde van de mondelinge behandeling iets minder dan zes maanden – rechtvaardigt deze de gevorderde ontbinding met haar gevolgen niet. Het belang van [gedaagde 1] om met haar kinderen in de woning te blijven, weegt in dit geval zwaarder dan het belang van Stichting Woonwest om vrij te kunnen beschikken over de woning. Daarom worden de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.13.
Stichting Woonwest vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De toepasselijke algemene voorwaarden bevatten in artikel 13 een incassokostenbeding. Omdat [gedaagde 1] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het beding wijkt niet ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die zonder dat beding zou gelden. Het beding is daarom niet oneerlijk en staat niet aan toewijzing van incassokosten in de weg.
4.14.
Stichting Woonwest heeft aan [gedaagde 1] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek. Daarom zal een bedrag van € 527,96 worden toegewezen.
Proceskosten
4.15.
Hoewel [gedaagde 1] deels in het gelijk is gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om haar te veroordelen tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). Als [gedaagde 1] steeds op tijd de huurbetalingen had voldaan, dan had Stichting Woonwest deze procedure niet hoeven beginnen en waren de kosten daarvan haar bespaard gebleven. De proceskosten van Stichting Woonwest worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
154,09
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.577,09
4.16.
De kantonrechter merkt over de kosten van de dagvaarding op dat Stichting Woonwest deze kosten tweemaal heeft gemaakt, namelijk zowel voor het dagvaarden van [gedaagde 1] als voor het dagvaarden van [gedaagde 2] . De kantonrechter veroordeelt [gedaagde 1] slechts tot betaling van de dagvaardingskosten voor zover die op haar zien.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om te betalen aan Stichting Woonwest € 3.737,20 aan achterstallige huur tot en met 30 april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.370,62 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Stichting Woonwest te betalen een bedrag van € 527,96 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.577,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
Artikel 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
HR 24 december 2021, ECLI :NL:HR:2021:1964.
HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4772.
Artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.
HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.
Artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.