Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16865
2026-06-12
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.7479-V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzet uitspraak. Deze uitspraak gaat over het beroep dat geopposeerde heeft ingediend, omdat opposant volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel (hierna: de aanvraag). Bij uitspraak van 29 april 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van geopposeerde gegrond verklaard.1 Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Hoogte van de rechterlijke dwangsom niet gemotiveerd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.497 tekens)
uitspraak verzet
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7479-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen de minister van Asiel en Migratie, opposant,
en
[opposant]
, geopposeerde,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat geopposeerde heeft ingediend, omdat opposant volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel (hierna: de aanvraag).
Bij uitspraak van 29 april 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van geopposeerde gegrond verklaard.1 Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
De rechtbank heeft in de uitspraak van 29 april 2026 het beroep gegrond verklaard en daarbij een nadere beslistermijn van twee weken gesteld, onder oplegging van een dwangsom.
Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij op 29 april 2026 uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank op 29 april 2026 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of geopposeerde gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 29 april 2026 niet juist was.
Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 29 april 2026 onjuist, omdat
1ECLI:NL:RBDHA:2026:14009.
de rechtbank bij het opleggen van de dwangsom niet heeft toegelicht waarom zij heeft gekozen voor een verhoogde dwangsom. Opposant stelt dat de rechtbank had moeten motiveren waarom een verhoogde dwangsom noodzakelijk was.
5. De rechtbank is het eens met opposant dat de rechtbank de zaak niet zonder zitting had kunnen afdoen omdat bij het bepalen van de hoogte van de opgelegde dwangsom geen motivering is gegeven waarom een sterke prikkel noodzakelijk was. Uit recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2 blijkt dat het enkele feit dat een eerder door de rechtbank opgelegde beslistermijn niet is nageleefd, geen rechtvaardiging vormt om dit gelijk te stellen aan een noodzaak voor een sterke prikkel zonder nadere motivering. De rechtbank moet de noodzaak van een verhoogde dwangsom motiveren. In dit specifieke geval heeft de rechtbank dat niet gedaan, terwijl zij dat wel had moeten doen. Dit betekent dat opposant hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 29 april 2026 vervalt (artikel 8:55, lid 9, Awb).
6. De zaak wordt nu verder behandeld door de rechtbank. Opposant krijgt hierover nog bericht. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit nog niet direct betekent dat de rechtbank geopposeerde gelijk zal geven met zijn beroep. Dat moet nog beoordeeld worden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
2ECLI:NL:RVS:2026:1792.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 juni 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7479-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen de minister van Asiel en Migratie, opposant,
en
[opposant]
, geopposeerde,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat geopposeerde heeft ingediend, omdat opposant volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel (hierna: de aanvraag).
Bij uitspraak van 29 april 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van geopposeerde gegrond verklaard.1 Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
De rechtbank heeft in de uitspraak van 29 april 2026 het beroep gegrond verklaard en daarbij een nadere beslistermijn van twee weken gesteld, onder oplegging van een dwangsom.
Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij op 29 april 2026 uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank op 29 april 2026 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of geopposeerde gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 29 april 2026 niet juist was.
Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 29 april 2026 onjuist, omdat
1ECLI:NL:RBDHA:2026:14009.
de rechtbank bij het opleggen van de dwangsom niet heeft toegelicht waarom zij heeft gekozen voor een verhoogde dwangsom. Opposant stelt dat de rechtbank had moeten motiveren waarom een verhoogde dwangsom noodzakelijk was.
5. De rechtbank is het eens met opposant dat de rechtbank de zaak niet zonder zitting had kunnen afdoen omdat bij het bepalen van de hoogte van de opgelegde dwangsom geen motivering is gegeven waarom een sterke prikkel noodzakelijk was. Uit recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2 blijkt dat het enkele feit dat een eerder door de rechtbank opgelegde beslistermijn niet is nageleefd, geen rechtvaardiging vormt om dit gelijk te stellen aan een noodzaak voor een sterke prikkel zonder nadere motivering. De rechtbank moet de noodzaak van een verhoogde dwangsom motiveren. In dit specifieke geval heeft de rechtbank dat niet gedaan, terwijl zij dat wel had moeten doen. Dit betekent dat opposant hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 29 april 2026 vervalt (artikel 8:55, lid 9, Awb).
6. De zaak wordt nu verder behandeld door de rechtbank. Opposant krijgt hierover nog bericht. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit nog niet direct betekent dat de rechtbank geopposeerde gelijk zal geven met zijn beroep. Dat moet nog beoordeeld worden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
2ECLI:NL:RVS:2026:1792.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 juni 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.