Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16854
Inhoudsindicatie
Vervolgberoep artikel 6, derde lid, van de Vw. De minister heeft voldoende voortvarend gehandeld doordat er door de minister een verzoek is gedaan tot het naar voren halen van de voorlopige voorziening en daarmee conform paragraaf A5/6.9 van de Vc heeft gehandeld. Verder acht de rechtbank een termijn van twee werkdagen (48 uur) als redelijk om de minister de mogelijkheid te geven na te gaan welke gevolgen zij zal verbinden als de geplande zittingsdatum voor het asielberoep eenmaal bekend is geworden. Indien de minister ervoor kiest om niet binnen twee werkdagen een dergelijk verzoek in te dienen, is de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig vanaf de derde dag. De minister heeft een dergelijk verzoek niet ingediend. Op de derde dag heeft de minister zélf de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven. Dit acht de rechtbank dan ook voldoende voortvarend. Beroep ongegrond
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2025:2925 Raad van State 01-07-2025
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.126 tekens)
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30550
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).
Procesverloop
De minister heeft op 15 maart 2026 aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 2 juni 2026 de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1988.
2. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de maatregel aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze vrijheidsontnemende maatregel al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 14 april 2026 (in de zaak NL26.17676) volgt dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De asielaanvraag van eiser is op 31 maart 2026 als kennelijk ongegrond afgewezen. Hiertegen heeft eiser op 7 april 2026 beroep ingesteld en op diezelfde datum ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De minister heeft vervolgens geen pogingen ondernomen om de rechtbank te bewegen dit verzoek met voortvarend te behandelen. Hiermee is in strijd gehandeld met paragraaf A5/6.9 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). De maatregel is daarmee vanaf het moment dat de minister heeft verzuimd een mededeling in de zin van voornoemd beleid te doen onrechtmatig, dan wel vanaf het moment dat bekend werd dat het asielberoep niet binnen dertien weken zou worden behandeld, en daarom vanaf de uitnodiging van de rechtbank voor de behandeling van het asielberoep en de voorlopige voorziening die op 28 mei 2026 is verstuurd, aldus eiser.
4.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De reden hiervoor is dat uit het asieldossier blijkt dat de minister op 13 mei 2026 de rechtbank heeft verzocht om de voorlopige voorziening naar voren te halen en zo in overeenstemming met het voorgenoemde beleid in paragraaf A5/6.9 van de Vc heeft gehandeld.
4.2.
Voor zover eiser heeft willen betogen dat de vrijheidsontnemende maatregel vanaf 28 mei 2026 onrechtmatig zou zijn, volgt de rechtbank niet. De minister heeft de vrijheidsontnemende maatregel op 2 juni 2026 opgeheven, nadat is gebleken dat de behandeling van het asielberoep niet binnen de dertien weken termijn op zitting zal kunnen worden behandeld. In de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling maakt de rechtbank hieruit op dat de minister enige tijd moet worden gegund om na te gaan wat een ingepland asielberoep betekent voor de vrijheidsontnemende maatregel als ook dat de minister binnen die periode de mogelijkheid moet hebben om de rechtbank te vragen de asielzaak op een eerdere zitting te plannen. De rechtbank acht daarbij een termijn van twee werkdagen werkbaar. In twee werkdagen moet het de minister lukken om na te gaan welke gevolgen zij verbindt aan de geplande zittingsdatum, of zij bij de rechtbank een eerdere zittingsdatum zal verzoeken en, als ja, dit verzoek vervolgens ook daadwerkelijk in te dienen. Aangezien een uitnodiging ook pas kan volgen aan het einde van de dag, begint de termijn van twee werkdagen pas op de dag ná de bekendmaking van de zittingsdag. De minister wordt hiermee na het ontvangen van de uitnodiging, waarin de zittingsdag bekend wordt gemaakt, twee volle werkdagen gegund (48 uur) om een dergelijk verzoek in te dienen. Omdat de rechtbank niet in het weekend werkt, zal een op zaterdag of zondag ingediend verzoek tot vervroeging van de zittingsdatum pas op maandag door de rechtbank kunnen worden beantwoord. Daarom is gekozen voor werkdagen. Indien de minister ervoor kiest om niet binnen twee werkdagen een dergelijk verzoek in te dienen, is de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig vanaf de derde dag, in eisers geval op 2 juni 2026. De uitnodiging voor het asielberoep is op donderdag 28 mei 2026 om 9:52 uur verstuurd. Dit betekent dat de minister uiterlijk op maandag 1 juni 2026 om 23:59 uur een verzoek om vervroeging moest hebben verstuurd. Dat heeft de minister niet gedaan. Op 2 juni 2026 is de vrijheidsontnemende maatregel door de minister zelf opgeheven. Dit acht de rechtbank dan ook voldoende voortvarend.
5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij is gehouden, ziet de rechtbank voor het overige geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig voortduurt.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858, en van 4
september 2025 in de zaak GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU (Adrar),
ECLI:EU:C:2025:647.