Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:16654

2026-04-15 Civiel recht C/09/680049 / HA ZA 25-149
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-15
Publicatiedatum
2026-06-19
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/680049 / HA ZA 25-149
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Eiser meent dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld omdat hij (onder meer) de vrije advocaatkeuze heeft belemmerd, zijn zorgplicht jegens eiser bij verkennende gesprekken over het sluiten van een kroongetuigenovereenkomst heeft geschonden en heeft geweigerd eisers advocaatkosten te vergoeden. Verder vordert eiser een voorschot op een vergoeding voor de kosten van een safe house en een financiële tegemoetkoming in zijn levensonderhoud. Vorderingen afgewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (47.121 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team handel



Zaak-/rolnummer: C/09/680049 / HA ZA 25-149




Vonnis van 15 april 2026




in de zaak van





[eiser]
, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
eiser,
advocaat: [advocaat eiser] , te [plaats 1] ,



tegen




DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid),

te Den Haag,
gedaagde,
advocaat: [advocaat Staat] , te [plaats 2] .



Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat worden genoemd.





GEHEIMHOUDING

De zaak is met gesloten deuren behandeld. Op grond van artikel 28 lid 1 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het aan partijen verboden om aan derden mededelingen te doen over wat er tijdens de mondelinge behandeling is gezegd. De rechtbank verbiedt partijen in dit vonnis op grond van artikel 28 lid 1 onder b Rv ook om aan derden mededelingen te doen over de inhoud van de processtukken.





1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 24 januari 2025, met producties 0 tot en met 25;
- de brieven van partijen van 24 januari 2025 [eiser] en 14 april 2025 (de Staat);
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 18;
- de akte van de Staat van 7 mei 2025 waarbij de eis is verminderd en productie 19 is overgelegd;
- het tussenvonnis van 24 september 2025, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald;
- e-mailberichten van de rechtbank aan partijen van 8 december 2025, 16 december 2025,
18 december 2025, 15 januari 2026 en 16 januari 2026;
- een e-mailbericht van [eiser] aan de rechtbank en de wederpartij van 12 december 2025;
- een e-mailbericht van de Staat aan de rechtbank en de wederpartij van 16 januari 2026.



1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.



1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is het [eiser] toegestaan om bij akte (van maximaal een halve A4) te reageren op de stelling van de Staat dat het gezien het gedrag van [eiser] vanaf het begin duidelijk was dat het lastig ging worden om met [eiser] samen te werken in een mogelijk getuigentraject, gelet op de noodzaak tot geheimhouding. Van [eiser] is op
9 februari 2026 een akte ontvangen. Op 17 februari 2026 is een akte van de Staat ontvangen. De akte van [eiser] zal buiten beschouwing worden gelaten voor zover die meer omvat dan een reactie op voormelde stelling. Ook de bij die akte overgelegde productie zal buiten beschouwing worden gelaten, omdat de rechtbank geen ruimte heeft geboden om na de mondelinge behandeling nog nadere stukken in het geding te brengen en dat in dit stadium van de procedure ook in strijd zou komen met de goede procesorde.






2De feiten


2.1.


[eiser] – die niet de Nederlandse nationaliteit heeft – is in 2020 (in hoger beroep) in Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar wegens het medeplegen van moord. [eiser] was op die titel gedetineerd in Nederland van 15 april 2015 tot
19 augustus 2021 en heeft toen een deel van die straf ondergaan. Volgens de Staat staan van deze straf nog 2.001 dagen detentie open.




2.2.
Daaraan voorafgaand was [eiser] gedetineerd in [land] vanwege een veroordeling voor het plegen van inbraken. [eiser] is overgeleverd aan Nederland omdat hij beschikte over informatie over een liquidatie in Nederland waarbij hijzelf ook betrokken was. Na de overlevering aan Nederland zijn voor het eerst verkennende gesprekken met [eiser] gevoerd door het Team Bijzondere Getuigen (TBG) over een mogelijke kroongetuigenovereenkomst.



2.3.
In de periode van 13 mei 2019 tot 20 november 2020 heeft [eiser] kluisverklaringen afgelegd over zeven kwesties. De verklaringen hebben betrekking op verschillende strafzaken tegen de georganiseerde misdaad, waaronder [criminele organisatie] . Deze kluisverklaringen zijn tot op heden niet in strafzaken gebruikt.



2.4.
In oktober 2019 heeft een informant gemeld dat [eiser] aan een medegedetineerde een aantal bijzonderheden heeft verteld over de locatie waar hij zijn kluisverklaringen heeft afgelegd. Het ging om bijzonderheden die alleen bekend waren bij personen die in vertrouwelijkheid met het TBG spreken.



2.5.

[eiser] heeft tijdens zijn verblijf op de [afdeling 1] van de penitentiaire inrichting (PI) [plaats 3] vanaf 26 maart 2020 kluisverklaringen afgelegd over [onderwerp] .



2.6.
Bij besluit van 17 maart 2021 van de minister voor Rechtsbescherming is [eiser] meegedeeld dat de directeur van de PI [plaats 3] informatie had ontvangen over een kroongetuige op de afdeling die gevaar zou lopen en dat [eiser] het beoogde doelwit zou kunnen zijn. [eiser] is daarom overgeplaatst naar de PI [plaats 4] en [afdeling 2] .



2.7.
Op 19 augustus 2021 is [eiser] overgeleverd aan [land] waar hij vervolgens gedurende twee jaar gedetineerd is geweest in verband met de tenuitvoerlegging van het restant van een daar aan hem opgelegde gevangenisstraf. Bij de geplande overlevering van [eiser] door [land] aan zijn geboorteland in verband met een gevangenisstraf van zeven maanden is [eiser] gevlucht. Sindsdien verblijft hij (op wisselende locaties) in het buitenland.



2.8.
Tussen oktober 2023 en augustus 2024 zijn tussen [eiser] en medewerkers van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) (opnieuw) gesprekken gevoerd over – kort gezegd – het gebruik van de door [eiser] afgelegde kluisverklaringen en de mogelijkheid om een kroongetuigenovereenkomst te sluiten. Dat gebeurde telefonisch. Leden van het TBG hebben [eiser] in november 2023 in dat verband ook in het buitenland bezocht.



2.9.
Op 3 juni 2024 is met [eiser] (telefonisch) besproken dat het OM zijn verklaringen graag zou willen gebruiken. Het voorstel was dat [eiser] strafkorting (in die zin dat de resterende gevangenisstraf van 2.001 dagen zou vervallen), een nieuwe legale identiteit en hulp bij het opbouwen van een nieuw leven zou krijgen. [eiser] is gevraagd of hij deze optie zou willen verkennen, waarbij hem is verteld dat hij die beslissing pas hoefde te nemen nadat hij zich goed had geïnformeerd en dat hij recht had op ondersteuning door een goede advocaat. Als zijn antwoord bevestigend was, zou vervolgens onderzocht (moeten) worden of [eiser] de resterende straf van zeven maanden uit zijn geboorteland (op een afschermde plek) in Nederland zou kunnen uitzitten.



2.10.
In juni en juli 2024 heeft [eiser] meermalen telefonisch contact gehad met het OM over zijn reisbewegingen. Op 15 juli 2024 heeft het OM aan [eiser] laten weten dat de verdere verkenning van het traject tijd zou kosten en dat ze ernaar zouden streven in september 2024 weer contact op te nemen.



2.11.
De Staat heeft op 18 juli 2024 aan [eiser] een bedrag van € 1.500,- betaald ten behoeve van tijdelijke huisvesting en levensonderhoud.



2.12.

[eiser] legde op 29 juli 2024 contact met [advocaat eiser] over zijn mogelijke rechtsbijstand in het kroongetuigentraject.



2.13.
Op 19 augustus 2024 heeft [advocaat eiser] (telefonisch) gemeld aan het OM dat hij de opvolgend advocaat van [eiser] was. Op 20 augustus 2024 heeft hij een stelbrief per e-mail aan het OM verzonden, waarin onder meer is vermeld:


“Vanmiddag heb ik mij gesteld als advocaat. (…) Ik heb ondanks uw verzoek dit niet te doen, toch besloten dit schriftelijk aan u te bevestigen, omdat ik geen reden kon bedenken dit niet te doen.”




2.14.
Op 20 en 21 augustus 2024 heeft het OM (telefonisch) met [eiser] besproken dat [advocaat eiser] zich als advocaat voor [eiser] heeft gesteld, maar dat [advocaat eiser] niet kan worden gekozen als advocaat in het traject om een kroongetuigenovereenkomst te verkennen, omdat het Team Getuigenbescherming (TGB) geen zaken meer met hem doet vanwege problemen in het verleden. [eiser] gaf aan dat hij [advocaat eiser] uitvoerig had gesproken, dat hij vertrouwen in hem had en dat hij, als het OM vasthield aan de weigering van [advocaat eiser] , niet verder wilde gaan met het verkennen van een kroongetuigenovereenkomst.



2.15.
Op 23 augustus 2024 heeft [advocaat eiser] een e-mail verstuurd aan de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket, zonder eerst te verifiëren of men van de gesprekken tussen [eiser] en het OM op de hoogte was. In die e-mail is onder meer vermeld:


“(…) Hoewel (…) erkende tegen cliënt (…) liet zij cliënt weten dat als hij mij als advocaat inschakelt (wat al is gebeurd), het Openbaar Ministerie in de hoedanigheid van het Landelijk Parket, Team Bijzondere Getuigen (TGB), geen deal met hem wil maken om te getuigen in het hoger beroep van voornoemde zaak. De reden die daarvoor werd gegeven (…) was dat er tussen ondergetekende en het OM een aantal incidenten zijn geweest. Daarover zou een hele grote ruzie zijn ontstaan omdat het OM/Getuigenbescherming vindt dat mijn handelen mijn cliënten en haar medewerkers in gevaar brengt. Tevens zou ik geheimen onvoldoende bewaren. (…) Ik betwist dit met klem. Ik neem het zeer hoog op dat ik op deze wijze zwart wordt gemaakt door het Landelijk Parket. Ik heb meteen mijn deken ingelicht. Ik zal ook de landsadvocaat inlichten. Ik zal binnenkort bekend maken welke stappen ik tegen het OM zal ondernemen. (…)”




2.16.
In een brief van 29 augustus 2024 van de officier van justitie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) en bijzondere getuigentrajecten van het arrondissementsparket te [plaats 5] aan [advocaat eiser] is onder meer vermeld:


“In dit verband is mij de, na de contacten tussen u en uw cliënt, volledig gewijzigde opstelling van uw cliënt in mijn richting en die van het […] Team bijzondere getuigen opgevallen. Die contacten zijn de voorheen bestaande goede verstandhouding niet ten goede gekomen. Na een laatste telefonisch contact heeft hij, kennelijk op uw advies, er blijk van gegeven mij en het Team bijzondere getuigen niet meer telefonisch te woord te willen staan, terwijl wij geen andere mogelijkheid hebben om contact te leggen. Dat betreur ik zeer. (…) U negeert mijn verzoek om geen stelbrief per mail te sturen, dat ik uitsluitend omwille van het veiligheidsbelang van uw cliënt deed en communiceert over dit vertrouwelijke traject met diverse derden. Daarmee ontneemt u ons de mogelijkheid om regie te blijven voeren op het bewaken van de veiligheid van uw cliënt en van bij dit traject betrokken personen. Ik vraag u met klem de communicatie met derden over dit vertrouwelijke traject te staken. (…) Uw houding, waarin strijd met het openbaar ministerie voorop lijkt te staan, acht ik contraproductief en past wat mij betreft niet bij de delicate aspecten, de afbreukgevoeligheid en de veiligheidsrisico’s die zijn verbonden aan bijzondere getuigentrajecten. Dat u de noodzakelijke geheimhoudingsverplichting volledig aan uw laars lapt en daarmee mogelijk gevaar creëert weegt daarbij in het bijzonder zwaar. (…) Omdat uw cliënt zich thans voor ons onbereikbaar houdt en wij niet weten waar hij verblijft, waardoor wij geen mogelijkheid hebben om met hem in contact te treden, verzoek ik u tot slot aan uw cliënt over te brengen dat ik hem uitnodig contact met het […] Team bijzondere getuigen op te nemen om van beide kanten te bezien of verdere bespreking nog mogelijk en verantwoord is. Indien hij niet bereid is bijstand door u te laten varen, voel ik mij genoodzaakt dit traject vanwege redenen van veiligheid definitief te beëindigen.”




2.17.
In een e-mail van de hoofdofficier van het Landelijk Parket aan [advocaat eiser] van 30 augustus 2024 is onder meer vermeld:


“Op 29 januari 2024 hebben wij met elkaar gesproken over de bezwaren die bestaan tegen uw betrokkenheid bij bijzondere getuigentrajecten en getuigenbescherming. Die bezwaren gelden in dit geval onverkort. Door uw media-optreden staat u inmiddels bekend als advocaat van ‘kroongetuigen’. De dreiging die ten aanzien van u bestaat, heeft tot gevolg dat u persoonlijk beveiligd wordt. Dat maakt dat waar u zich vertoont, direct het vermoeden ontstaan dat u op die locatie een potentiële kroongetuige bezoekt. Uw naam en gezicht zijn bij velen bekend, en de aanwezigheid van persoonsbeveiliging trekt de aandacht. Dit levert een onverantwoorde veiligheidsrisico’s op voor de locatie en de daar aanwezige personen, zoals de persoon met wie u een afspraak heeft. Reeds die veiligheidsrisico’s maken dat het onverantwoord is om een bijzonder getuigentraject aan te gaan met een getuige die u als raadsman kiest. Daar komt bij dat uw handelswijze de risico’s versterkt. Het OM heeft al eerder geconstateerd dat uw wijze van opereren veiligheidsrisico’s in het leven roept voor uzelf, de betrokken (kroon)getuige(n) en een ieder die belast is met het waarborgen van uw en diens veiligheid. Uit de brief van (…) komt naar voren dat dat opnieuw het geval is. Dat is buitengewoon onwenselijk gelet op de veiligheidsrisico’s die aan een bijzondere getuigentraject zijn verbonden. Ik meen daarom dat mr. (…) in redelijkheid heeft kunnen besluiten het traject stil te leggen. (…)”




2.18.
In een brief van [advocaat eiser] aan de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket van 6 september 2024 is onder meer vermeld dat hij contact over de onderhavige kwestie heeft gehad met de landelijke en lokale deken, de Nederlandse Orde van Advocaten, de Landsadvocaat en de opvolgend advocaat.



2.19.
In een door de teamleider TGB van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies van de Nationale Politie opgesteld proces-verbaal van 19 september 2024 is onder meer vermeld:


“Vanuit het OM heb ik het navolgende vernomen: (…)
- Dat op basis van de inhoud van de kluisverklaringen ingeschat wordt dat de zwaarste beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn om de getuige veilig te houden.
- Dat [advocaat eiser] in een zwaar persoonsbeveiligingsregime zit in verband met dreigingen uit het criminele milieu en zich daardoor moeilijk ongezien kan verplaatsen.
- Dat hij zonder medeweten van en zonder vooroverleg met professionals van de politie (of het Openbaar Ministerie) een tweetal fysieke afspraken heeft gehad met deze getuige op een voor de politie (en het Openbaar Ministerie) onbekende plaats.
(…)
In een casus als deze en met name gedurende de heimelijke fase is het van het grootste belang dat er tussen partijen over en weer vertrouwen bestaat en dat er sprake is van een groot veiligheidsbewustzijn bij iedere betrokken professional. Daar hoort bij dat er niet onnodig informatie wordt gedeeld met derden en dat de kring van betrokken personen zo klein mogelijk moet blijven. Ieder afbreukrisico moet voorkomen worden.
(…)
Daar komt bij dat [advocaat eiser] een bekende media-persoonlijkheid is, die diverse malen in televisieprogramma’s is aangeschoven. (…) Dat maakt het organiseren van een afspraak met een getuige in de heimelijke fase sowieso al zeer moeilijk en soms onmogelijk.
(…)
Bovenstaande bevindingen leiden ertoe dat het onverantwoord is, voor de veiligheid van zowel de medewerkers van het Team Getuigenbescherming als voor de getuige zelf om deze casus voortgang te geven als de getuige zich laat bijstaan door [advocaat eiser] . (…)”




2.20.
In een e-mail van de hoofdofficier van het Landelijk Parket van 25 september 2024 aan [advocaat eiser] is onder meer vermeld:


“(…) U laat weten dat indien het OM zou vasthouden aan zijn weigering met uw cliënt het bijzondere getuigentraject in te gaan met u als advocaat, u voornemens bent namens uw cliënt een bodemprocedure aanhangig te maken vanwege schending van het recht op vrije advocaatkeuze. Hierbij laat ik u weten dat dit voornemen het OM niet op andere gedachten brengt. Belangen van veiligheid staan daarin in de weg. (…) De contacten met uw cliënt bevonden zich in een voorfase waarin vooralsnog uitsluitend werd verkend of het sluiten van een overeenkomst door het OM opportuun en uit veiligheidsoogpunt mogelijk werd geacht. De beslissing van het OM ziet er op dat die verkenning niet werd voortgezet als uw cliënt ervoor kiest u in dit traject als zijn advocaat te laten optreden. Vertrouwelijkheid en veiligheid dienen altijd voorop te staan bij bijzondere getuigentrajecten. Dat geldt in het bijzonder voor het onderhavige getuigentraject, omdat op dit moment de inschatting is dat bij gebruik van de kluisverklaringen, de zwaarste beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn. De inhoud van de verklaringen raken aan het hoogste geweldspectrum en gaan over personen die de macht en middelen hebben om liquidaties te plegen. Dat betekent dat alle betrokkenen bij dit traject doordrongen moeten zijn van de veiligheidsrisico’s die daarmee gepaard gaan en van de absolute vertrouwelijkheid die in deze fase noodzakelijk is. Onnodige risico’s of gevaar zettende omstandigheden moeten onverkort worden vermeden. Het OM heeft de conclusie getrokken dat de veiligheid in dit traject onvoldoende kan worden gewaarborgd in het geval u optreedt als zijn advocaat. (…)”




2.21.
In een e-mail van [advocaat eiser] van 11 oktober 2024 aan de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket is onder meer vermeld:


“Derhalve heb ik het volgende aan het NCTV voorgelegd: Dat, nu er sprake is van ruzie, de bescherming van cliënt bij het Landelijk Parket (Team Getuigenbescherming) weg te halen. (…) Het is immers niet verstandig dat een bedreigde getuige wordt beschermd door een overheidspartij waarmee hij in conflict is. (…)”




2.22.

In een e-mail van de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket aan

[advocaat eiser] van 17 oktober 2024 is onder meer vermeld dat hij niet bereid is te voldoen aan het verzoek van [advocaat eiser] om kosten van levensonderhoud en een woning aan [eiser] te betalen en voorts:



“Ik merk daarbij op dat het OM, gelet op de huidige stand van zaken, geen ruimte ziet om met uw cliënt nader te verkennen of met hem een overeenkomst kan worden gesloten, ook niet als hij een andere advocaat zou inschakelen. In de contacten met uw cliënt tot nu toe zijn de inspanningen van het OM er uit een oogpunt van veiligheid steeds op gericht geweest de heimelijkheid en vertrouwelijkheid van het traject te bewaken. (…) Ook het noemen van namen in correspondentie zoals de mail kan potentieel gevaarzettend zijn. Het OM heeft er geen vertrouwen in dat de noodzakelijke vertrouwelijkheid, en daarmee de veiligheid van alle betrokkenen, gedurende nieuwe (heimelijke) verkenningen voldoende gewaarborgd kan blijven.”




2.23.
Op [dag 1] 2024 is een artikel in [krant 1] verschenen met als titel ‘OM wijst nieuwe kroongetuige af die over moorden op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaarde’. Daarin wordt [eiser] met zijn voornaam en de eerste letter van zijn achternaam genoemd als ‘tipgever van justitie’. Ook wordt vermeld dat [eiser] verklaringen heeft afgelegd over wat hij van [naam] heeft gehoord over diens rol bij de moord op [slachtoffer 2] . [krant 1] heeft voor het plaatsen van dit artikel gesprekken met [eiser] gevoerd.



2.24.
Op [dag 2] 2024 is een artikel over [eiser] in [krant 2] verschenen met als titel: “(…) Getuigendeal loopt na jaren spaak. Ik heb het gevoel dat met mijn leven is gespeeld”. In het artikel wordt verslag gedaan van gesprekken tussen verslaggevers van [krant 2] en [eiser] die ‘alweer enige tijd geleden’ hebben plaatsgevonden in het buitenland. [eiser] wordt in het artikel weer aangeduid met zijn voornaam en de eerste letter van zijn achternaam. Onder meer is vermeld:


“Hij [rb: [eiser] ] heeft besloten zijn versie van zijn levensverhaal te vertellen, om te voorkomen dat een gefragmenteerd en gekleurd beeld van hem en zijn motieven zal ontstaan zodra het Openbaar Ministerie (OM) hem straks als beschermde getuige presenteert. Dan zal hij immers van de buitenwereld worden afgeschermd en heeft hij alleen nog een stem als hij zijn verklaringen aflegt in rechtszalen. Het is de bedoeling dat hij op korte termijn zijn overeenkomst te getuigen sluit met de staat. (…) Ik doe dit niet voor strafkorting, zoals de meeste kroongetuigen, want ik heb mijn heel langdurige straffen al bijna helemaal uitgezeten en word van niets nieuws verdacht. Ik doe dit ook niet om geld, zoals vaak over kroongetuigen wordt gezegd. Mijn enige motief is dat de Nederlandse staat een nieuwe identiteit voor me kan regelen. (…). Daarna kan ik heel goed mijn eigen geld legaal verdienen. (…) Het Openbaar Ministerie heeft inmiddels laten weten hoe dan ook niet meer met (…) [rb: [eiser] ] in zee te willen. Definitief. De kluisverklaringen zullen moeten worden vernietigd. (…) [rb: [eiser] ] zal zelf binnenkort een podcast lanceren onder de titel [podcast 1] , waarin hij zijn kant van het verhaal uitvoerig vertelt.”




2.25.
Op 9 december 2024 heeft [advocaat eiser] een persconferentie gegeven waarin hij melding heeft gemaakt van de door [eiser] afgelegde kluisverklaringen. Hij heeft aangekondigd dat [eiser] een podcast van 13 afleveringen met de titel ‘ [podcast 1] ’ zal uitbrengen, waarin [eiser] vertelt over de verkenning van het getuigentraject met het OM. Deze podcast is kort nadien uitgebracht.



2.26.
Op 13 december 2024 is een podcast door [krant 2] uitgebracht met de titel ‘ [podcast 2] ’.





3Het geschil


3.1.

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


a) de Staat te gebieden zich te onthouden van het beïnvloeden van de vrijheid van [eiser] bij het kiezen van een advocaat voor overleg dat met het OM moet worden gevoerd over de bescherming van [eiser] ;


b) de Staat te verbieden te dreigen met het toebrengen van nadeel aan [eiser] als hij een advocaat inschakelt en blijft vasthouden aan de keuze voor deze advocaat voor zijn begeleiding in een bijzonder getuigentraject;


c) de Staat te veroordelen aan [eiser] maandelijks een voorschot van € 1.200,- te betalen als voorschot voor de huur van een safe house voor de duur van twaalf maanden of zoveel langer als op grond van een periodieke objectieve veiligheidsanalyse nodig is;


d) de Staat te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een financiële tegemoetkoming in zijn levensonderhoud van € 55,- per dag;


e) te bepalen dat de Staat een dwangsom moet betalen van € 10.000,- per dag, tot een maximum van € 500.000,- in geval van overtreding van (een deel van) de gevorderde veroordelingen;


f) te verklaren voor recht dat de Staat jegens [eiser] aansprakelijk is voor de (im)materiële schade die voortvloeit uit het onrechtmatig handelen van de Staat;


g) de Staat te veroordelen tot betaling van schade, nader op te maken bij staat, met rente;


h) de Staat te veroordelen tot betaling van de volledige advocaatkosten van [eiser] en de buitengerechtelijke kosten, samen € 88.689,50, evenals de nakosten, met rente.





3.2.
De Staat voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid althans afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van in de (na)kosten van deze procedure met rente.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



Advocaatkeuze



4.1.

De vordering onder 3.1 (a) strekt ertoe dat [eiser] kan worden bijgestaan door

[advocaat eiser] tijdens overleg met het OM over de bescherming van [eiser] Deze vordering ziet op bijstand in kwesties die geen betrekking hebben op het bijzonder getuigentraject.




4.2.


[eiser] bezit niet de Nederlandse nationaliteit en houdt zich op in het buitenland. De rechtbank begrijpt uit de als productie 10 bij de dagvaarding overgelegde verklaring van
21 augustus 2024 van [eiser] dat [eiser] ook niet voornemens is naar Nederland te komen
(“Die tweeduizend dagen die existeren alleen op papier. Voor mij niet. Die staan alleen in Nederland en ik kom niet naar Nederland. Daar is het voor mij niet veilig. En ik heb daar niets te zoeken”). Hieruit volgt dat het niet aannemelijk is dat [eiser] terug zal keren naar Nederland en dus dat een dergelijke situatie zich zal voordoen. Zo dit al anders zou zijn en [eiser] toch naar Nederland zou terugkeren, dan geldt dat er vanuit het OM geen bezwaar tegen bijstand door [advocaat eiser] bestaat voor overleg in de hiervoor bedoelde zin. De Staat heeft geen bezwaar tegen bijstand door [advocaat eiser] tijdens overleg of procedures die niet zien op (verkenning van) een kroongetuigenovereenkomst. Wanneer [eiser] bij een eventuele terugkeer naar Nederland in detentie zou verblijven, dan is bovendien niet het OM maar de directeur van de PI de beslissingsbevoegde instantie. Het voorgaande maakt dat deze vordering bij gebrek aan belang (in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) zal worden afgewezen.




4.3.
De vordering onder 3.1 (b) strekt ertoe dat [eiser] kan worden bijgestaan door [advocaat eiser] tijdens overleg met het OM over begeleiding in een bijzonder getuigentraject.



4.4.
Vast staat dat er geen kroongetuigenovereenkomst met [eiser] is gesloten. De Staat heeft zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat is uitgesloten dat een dergelijke overeenkomst in de toekomst nog met [eiser] zal worden gesloten en dat dit inmiddels ook geldt als [eiser] zou afzien van de bijstand door [advocaat eiser] . Onder die omstandigheden valt niet in te zien welk belang [eiser] bij toewijzing van deze vordering heeft. De theoretische mogelijkheid dat de Staat mogelijk anders over het voorgaande zal gaan denken wordt zodanig gering geacht – met name gelet op het standpunt van de Staat ten aanzien van het opzoeken van de publiciteit door [eiser] en [advocaat eiser] in 2024 – dat dit onvoldoende is om een belang te creëren. Dat maakt dat ook deze vordering bij gebrek aan belang zal worden afgewezen.



Safe house en levensonderhoud




4.5.
De vorderingen onder 3.1 (c) en (d) strekken tot toekenning van een vergoeding aan [eiser] als voorschot voor de huur van een safe house (€ 1.200,- per maand) en als tegemoetkoming in levensonderhoud (€ 55,- per dag).



4.6.
Op grond van de artikelen 2, 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) hebben de lidstaten de plicht het recht op leven en de lichamelijke integriteit van burgers te beschermen. Naast een negatieve verplichting om zich te onthouden van schendingen van voornoemde verdragsbepalingen, omvat het recht op leven en lichamelijke integriteit de positieve verplichting van verdragsstaten om burgers te beschermen tegen gewelddadigheden van andere burgers. Hieruit vloeit een bijzondere zorgplicht (als inspanningsverplichting) voort voor de Staat om getuigen in strafzaken, die door het afleggen van een verklaring medewerking verlenen aan opsporing en vervolging van strafbare feiten, te beschermen. In Nederland is de wettelijke basis voor getuigenbescherming gelegen in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat de minister van Justitie en Veiligheid specifieke maatregelen kan treffen ter bescherming van getuigen. De verantwoordelijkheid voor getuigenbescherming berust bij het OM. De getuigenbescherming is onder meer uitgewerkt in het Besluit Getuigenbescherming. Op grond van artikel 3 van dit Besluit kunnen beschermingsmaatregelen worden getroffen ten aanzien van getuigen of een andere persoon die medewerking heeft verleend aan de met opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten, voor zover daartoe een dringende noodzaak is ontstaan als gevolg van die medewerking en daarmee verband houdend overheidsoptreden. Als deze zorgplicht niet in acht wordt genomen, resulteert dat in overheidsaansprakelijkheid.



4.7.
Door het afleggen van kluisverklaringen door [eiser] is jegens hem een bijzondere zorgplicht ontstaan. De rechtbank is – met het Hof in het tussen partijen gewezen arrest in kort geding van 22 april 2025 – van oordeel dat de bijzondere zorgplicht in deze fase inhoudt dat de Staat noodzakelijke maatregelen moet treffen om te waarborgen dat van zijn kant geheim blijft dat de aspirant-getuige kluisverklaringen aflegt en met hem daarover gesprekken worden gevoerd. Dat geldt ook als de kluisverklaringen uiteindelijk niet worden gebruikt. Als bekend wordt dat de getuige in gevaar is doordat bekend is geworden dat hij kluisverklaringen heeft afgelegd, kan de bijzondere zorgplicht de vorm aannemen van een plicht om beschermingsmaatregelen te treffen.



4.8.


[eiser] stelt dat hij in gevaar is gebracht omdat de Staat zijn (bijzondere) zorgplicht heeft geschonden door:
(1) adresgegevens van zijn moeder te verstrekken aan de hoofdverdachten in de [zaak] zaak;
(2) zijn identiteit niet af te schermen toen [eiser] als getuige werd gehoord tijdens het hoger beroep van de [zaak] zaak;
(3) gevaarzettend te handelen met de onmiddellijke overplaatsing van [eiser] nadat hij over een ontsnappingspoging van een medegedetineerde had verteld en medegedetineerden hadden gemeld dat zij een kroongetuige op de afdeling zouden gaan vermoorden;
(4) [eiser] niet adequaat te helpen toen een brief met vertrouwelijke gegevens over zijn rol als informant door een [buitenlandse] advocaat abusievelijk aan een medegedetineerde was verstrekt en (5) [eiser] op onvoorzichtige wijze in de safe houses te laten bezoeken door (buitenlandse) politieambtenaren en medewerkers van de TCI, na een bezoek van zijn advocaat.




4.9.

Van de zijde van de Staat is het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd weersproken, namelijk:
(1) In de [zaak] zaak was [eiser] zowel verdachte als getuige en is het door hem opgegeven (BRP-)adres conform een vaste werkwijze genoteerd boven het proces-verbaal van verhoor en daarmee onderdeel van het strafdossier geworden. Dat dit adres vervolgens door derden is misbruikt valt het OM niet te verwijten;
(2) Dat [eiser] tijdens het hoger beroep in de [zaak] zaak als bedreigde of afgeschermde getuige had willen worden gehoord, heeft hij destijds niet kenbaar gemaakt. Bovendien ging het erom dat volgens [eiser] een verdachte hem had benaderd om een valse verklaring af te leggen. Een dergelijke verklaring leent zich niet voor afscherming, omdat uit de inhoud van de verklaring kan worden opgemaakt door wie de verklaring is afgelegd;
(3) Wat betreft de overplaatsing van [eiser] nadat hij een ontsnappingspoging van een medegedetineerde had gemeld heeft de Staat onweersproken gesteld dat [eiser] zelf al eerder (eind oktober 2019) om overplaatsing had gevraagd vanwege een bestaande dreiging. De Staat valt daarom niets te verwijten. Wat betreft overplaatsing nadat medegedetineerden een op de afdeling aanwezige kroongetuige dreigden te zullen vermoorden, heeft de Staat onweersproken gesteld dat de directeur van de PI [plaats 3] niet anders kon dan [eiser] met het oog op zijn veiligheid overplaatsen. Bovendien heeft het Hof in voormeld arrest voorshands aannemelijk geacht dat vóór overplaatsing van [eiser] bij het [criminele organisatie] al het vermoeden bestond dat [eiser] een informant was en dat dit een gevolg was van zijn onvoorzichtige gedrag, door een medegedetineerde te vertellen over de locatie waar de kluisverklaringen werden afgelegd. Daardoor werd duidelijk dat hij een informant was. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar anders over te oordelen.
Ook de onder (4) en (5) genoemde omstandigheden zijn gemotiveerd weersproken en kunnen niet leiden tot het oordeel dat de Staat onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om te waarborgen dat van zijn kant geheim bleef dat [eiser] kluisverklaringen heeft afgelegd.




4.10.

Voor zover [eiser] stelt op dit moment bloot te staan aan risico’s als gevolg van het afleggen van de kluisverklaringen, is het aannemelijk dat hij die risico’s zelf in het leven heeft geroepen door in 2024 de publiciteit op te zoeken. Al in of omstreeks juni 2024 – toen [eiser] nog in gesprek was over een mogelijke kroongetuigenovereenkomst – heeft [eiser] gesprekken met journalisten van [krant 2] en [krant 1] gevoerd en hen vertrouwelijke details over het getuigentraject en het afleggen van de kluisverklaringen verteld. De artikelen in [krant 1] en [krant 2] zijn in december 2024 gepubliceerd en toen is ook een podcast uitgebracht waarin uitvoerig over deze onderwerpen is gesproken. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] jegens de Staat geen aanspraak kan maken op bescherming uit hoofde van de bijzondere zorgplicht tegen mogelijke risico’s die niet het gevolg zijn van het afleggen van de kluisverklaringen, maar van de openbaarmaking daarvan door [eiser] zelf.
Immers bestaat er enkel een zorgplicht wanneer de dreiging is ontstaan ‘door toedoen van de overheid’. Indien en voor zover het eigen handelen van de getuige de oorzaak is van een veiligheidsdreiging – voor zover daarvan hier sprake zou zijn – ontstaat er in beginsel geen zorgplicht.




4.11.
Uit de onder 4.6 genoemde artikelen van het EVRM vloeit ook een meer algemene plicht voort voor lidstaten om het leven en de lichamelijke integriteit van hun burgers te beschermen. Op die zorgplicht kan een beroep worden gedaan door personen die niet in aanmerking komen voor bescherming als (kroon)getuige. Dat geldt echter niet voor [eiser] omdat hij een geen Nederlands onderdaan is en zich in het buitenland bevindt.



4.12.
Het voorgaande betekent dat ook de vorderingen onder (c) en (d) worden afgewezen. De onder (e) gevorderde dwangsom zal derhalve ook worden afgewezen.



Verklaring voor recht en schadevergoeding




4.13.
De vorderingen onder 3.1 (f) en (g) strekken ertoe voor recht te verklaren dat de Staat aansprakelijk is voor de (im)materiële schade die voortvloeit uit het onrechtmatig handelen van de Staat en de Staat te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Aan die vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld vanwege de hierna te bespreken (drie) redenen.



Belemmeren vrije advocaatkeuze




4.14.

[eiser] stelt dat het onrechtmatig handelen van de Staat in de eerste plaats is gelegen in het ontzeggen van het recht op vrije advocaatkeuze. Het recht op een eerlijk proces en een deelrecht als het recht op vrije advocaatkeuze volgt volgens [eiser] onder meer uit artikel 6 van het EVRM en de artikelen 47 tot en met 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU-handvest).



4.15.
De Staat heeft dat standpunt gemotiveerd betwist en zich op het standpunt gesteld dat het getuigentraject geen doorgang zou vinden als [eiser] werd bijgestaan door [advocaat eiser] omdat hij in het verleden zodanig ernstige veiligheidsincidenten heeft veroorzaakt dat TGB – en daarmee ook TBG en het Landelijk Parket – in dit gevoelige getuigentraject niet met hem wil samenwerken. Door de wijze waarop [advocaat eiser] omgaat met vertrouwelijke informatie brengt hij alle betrokkenen in gevaar. Volgens de Staat is het recht op vrije advocaatkeuze niet absoluut en kan dit recht volgens het EHRM – dat zich nog niet heeft uitgelaten over een geval als het onderhavige – (alleen) worden beperkt als daarvoor relevante en sufficient reasons bestaan. Dat laatste is volgens de Staat het geval.



4.16.

De rechtbank stelt voorop dat het OM een grote mate van beoordelingsvrijheid heeft bij beslissingen in het kader van opsporing, in het bijzonder als het gaat om complexe en ingrijpende beslissingen waaraan veiligheidsrisico’s verbonden zijn. De vraag die voorligt is of het OM in redelijkheid heeft kunnen afzien van het verder verkennen van een getuigentraject met [eiser] wanneer deze vasthield aan zijn wens tot bijstand door

[advocaat eiser] . De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.




4.17.
Reeds vóórdat [advocaat eiser] zich als advocaat stelde voor [eiser] is [advocaat eiser] erop gewezen dat redenen van veiligheid het naar het oordeel van het OM onverantwoord maken dat hij als advocaat optreedt in bijzondere getuigentrajecten. Zo is bij brief van 29 mei 2024 over het verzoek om vergoeding van rechtsbijstand aan een kroongetuige in een andere zaak door het OM onder meer het volgende aan [advocaat eiser] meegedeeld:


“Wij hebben op 29 januari 2024 een gesprek met u gehad in Rotterdam. (…) Tijdens dit gesprek hebben wij echter ook met elkaar besproken en aan u toegelicht dat redenen van veiligheid het naar ons oordeel onverantwoord maken dat u als advocaat optreedt in (andere) (heimelijke) bijzondere getuigentrajecten. Uw (bekende) profiel en modus operandi maken dat met uw bijstand in de visie van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) onverantwoorde veiligheidsrisico’s ontstaan voor de getuige, medewerkers van politie en OM en ook voor uzelf. Het OM heeft daarom in de voorliggende casus aangegeven niet bereid te zijn een overeenkomst met u te sluiten op grond waarvan de kosten van uw rechtsbijstand aan de getuige worden vergoed. Het OM heeft in de afgelopen jaren op meerdere momenten moeten constateren dat uw wijze van opereren veiligheidsrisico’s in het leven heeft geroepen; niet alleen voor uzelf, maar ook voor de betrokken (kroon)getuige(n) en een ieder die belast is met het waarborgen van uw en zijn/hun veiligheid. Uw wijze van opereren, waarbij de neiging bestaat zonder overleg allerlei partijen te betrekken bij veiligheidsvraagstukken (en waarbij informatie wordt gedeeld waardoor de veiligheid wordt geschaad), is onverenigbaar met de hoogst gevoelige en kwetsbare trajecten van kroongetuigen en andere beschermingstrajecten. In dit verband kan ook worden genoemd het gegeven dat u bij herhaling in het openbaar via de media over uw rechtsbijstand spreekt en daarbij mededelingen heeft gedaan die de veiligheid van derden schaden. U bent daar op gewezen maar uw wijze van opereren is daardoor in de kern genomen niet veranderd. In een recente casus waarin u zich heeft gesteld als advocaat heeft het OM andermaal moeten constateren dat uw optreden onnodige veiligheidsrisico’s in het leven roept. (…)”








4.19.
Toen [advocaat eiser] zich op 19 augustus 2024 telefonisch had gemeld bij het OM als opvolgend advocaat van [eiser] , heeft hij op de volgende dag zijn stelbrief per e-mail aan het OM verzonden, ondanks het verzoek dat niet te doen. De toelichting was dat hij geen reden kon bedenken dit niet te doen.



4.20.
Met het onder 2.16 bedoelde bericht is aan [advocaat eiser] onder meer meegedeeld dat er sinds hij in beeld is er geen contact meer met [eiser] kan worden gelegd, dat [advocaat eiser] het verzoek om de stelbrief niet per e-mail te sturen heeft genegeerd, dat hij met derden heeft gecommuniceerd over dit vertrouwelijke traject en dat daarmee het OM de mogelijkheid is ontnomen om regie te blijven voeren op het bewaken van de veiligheid van [eiser] en andere betrokkenen. Met het onder 2.17 bedoelde bericht is [advocaat eiser] daarnaast onder meer meegedeeld dat hij door zijn media-optreden bekend staat als advocaat van kroongetuigen en dat dit onverantwoorde veiligheidsrisico’s oplevert die maken dat het aangaan van een bijzonder getuigentraject met [advocaat eiser] als raadsman onverantwoord is. Daar komt bij dat zijn handelswijze de risico’s versterkt, wat onwenselijk is.



4.21. [

[advocaat eiser] koos vervolgens voor een confronterende opstelling door te melden dat ‘nu er sprake is van ruzie’ hij het NCTV heeft voorgelegd de bescherming bij het Landelijk Parket (TGB) weg te halen, omdat het ‘niet verstandig is dat een bedreigde getuige wordt beschermd door een overheidspartij waarmee hij in conflict is’.



4.22.
Uiteindelijk heeft het OM beslist en meegedeeld dat geen kroongetuigenovereenkomst zou worden gesloten, ook niet als [eiser] een andere raadsman zou zoeken.



4.23.
De rechtbank acht de beslissing om de (verkennende) gesprekken over het sluiten van een kroongetuigenovereenkomst te staken gezien het voorgaande niet onredelijk. Het gaat om het verkennen van een kwetsbaar traject dat in het algemeen met het oog op de veiligheid van alle betrokkenen gebaat is bij beslotenheid en geheimhouding. Wanneer een advocaat een verzoek omtrent de wijze van verzending van de stelbrief negeert, vroegtijdig diverse derden inlicht en (later) informatie via de media in de openbaarheid brengt, kan in voorkomende gevallen de veiligheid van de getuige, zijn advocaat én van medewerkers van het TGB in het geding komen. De rechtbank is van oordeel dat de beperking van de vrije advocaatkeuze in het onderhavige geval gelet op de betrokken veiligheidsbelangen niet ontoelaatbaar is. Deze veiligheidsbelangen zijn dermate zwaarwegend dat deze een voldoende en relevante reden opleveren om het – niet absolute – recht op een vrije advocaatkeuze in de onderhandelingsfase te beperken.



Schending zorgplicht




4.24.

[eiser] stelt ten tweede dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door zijn zorgplicht te schenden. Gelet op wat hiervoor onder 4.6 tot en met 4.11 is overwogen, is voor toewijzing van de vordering voor zover die is gebaseerd op onrechtmatig handelen vanwege een zorgplichtschending geen plaats.



Besluitvorming en uitvoering van getuigenbescherming




4.25.

[eiser] stelt ten derde dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door te weigeren de advocaatkosten van [eiser] te vergoeden. De rechtbank overweegt daaromtrent dat die beslissing logischerwijs voortvloeit uit het – hiervoor als niet onrechtmatig beoordeelde – besluit om de verkenning van de mogelijkheid tot het sluiten van een kroongetuigenovereenkomst te beëindigen als [eiser] kiest voor bijstand door [advocaat eiser] . Ook op grond hiervan kan derhalve geen onrechtmatig handelen van de Staat worden aangenomen.



4.26.
Dat betekent dat ook de vorderingen onder (f) en (g) niet toewijsbaar zijn, nog daargelaten dat niet is gesteld en uitgewerkt dat aan alle vereisten voor het aannemen van een onrechtmatige daad is voldaan.



Buitengerechtelijke kosten




4.27.
De vorderingen van [eiser] tot slot om de Staat te veroordelen tot betaling van de (volledige) advocaatkosten van [eiser] en de buitengerechtelijke kosten worden ook afgewezen, gelet op de afwijzing van de overige vorderingen.



Proceskosten




4.28.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de (na)kosten. De kosten aan de zijde van de Staat worden tot op heden begroot op € 4.490,- (€ 2.995,- aan griffierecht, € 1.306,- aan salaris advocaat – uitgaande van 2 punten en tarief II, € 653,- per punt – en € 189,- aan nakosten, plus de in het dictum vermelde eventuele kosten van betekening).



4.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna vermeld.





5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
wijst de vorderingen af,



5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.490,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als niet tijdig aan deze veroordeling wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vandaag zijn betaald,



5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers, mr. P.M. de Keuning en mr. V.C. Kool, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.





Procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Zorgplicht en getuigenbescherming. Over de zorgplicht van het Openbaar Ministerie in het kader van het stelsel getuigenbescherming, Den Haag: 2024, pag. 40-46.


Nota van toelichting bij Besluit getuigenbescherming, Staatsblad 2006, nr. 21, p. 5.


Vgl. bijv. ECLI:NL:HR:2024:1418


Procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Zorgplicht en getuigenbescherming. Over de zorgplicht van het Openbaar Ministerie in het kader van het stelsel getuigenbescherming, Den Haag: 2024, p. 93.