Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16648
2026-06-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.4779 V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzet, nader beslistermijn, verzet ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3590 Rechtbank Den Haag 17-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2025:2337 Raad van State 21-05-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:4567 Rechtbank Rotterdam 16-04-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9200 Rechtbank Rotterdam 28-07-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:10144 Rechtbank Rotterdam 21-08-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.326 tekens)
uitspraak verzet
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4779 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam opposant] , opposant1
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [naam] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 in het geding tussen opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant gegrond heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 30 mei 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel2 is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Opposant voert aan dat de rechtbank in de uitspraak van 30 mei 2025 ten onrechte heeft overwogen dat een termijn van korter dan 20 weken na de uitspraak een onrealistisch korte periode zou zijn voor een zorgvuldig besluit. Opposant meent dat de rechtbank hiermee onterecht heeft afgeweken van het sporenmodel dat is uitgezet door de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 17 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3590). Daarnaast verwijst opposant naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2337).
1. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2 Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Het betoog van opposant slaagt niet. Voorop staat dat de rechtbank uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn. De nadere beslistermijn is in overeenstemming met de gedragslijn van deze zittingsplaats (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 16 april 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:4567), 28 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:9200), en 21 augustus 2025, (ECLI:NL:RBROT:2025:10144)). De
rechtbank is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom door de rechtbank in deze zaken de nadere beslistermijn wordt bepaald op 20 weken na de uitspraak. Dat andere zittingsplaatsen van deze rechtbank een andere nadere termijn hanteren, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank concludeert dan ook dat het verzetschrift in feite een verkapt hoger beroepschrift is, kennelijk omdat opposant het niet eens is met het oordeel van de rechtbank. Daarvoor is de verzetsprocedure echter niet bedoeld. Bovendien is het vaststellen van de nadere beslistermijn een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Gelet op het voorgaande zal het verzet ongegrond worden verklaard.
7. Deze verzetgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 30 mei 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4779 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam opposant] , opposant1
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [naam] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 in het geding tussen opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant gegrond heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 30 mei 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel2 is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Opposant voert aan dat de rechtbank in de uitspraak van 30 mei 2025 ten onrechte heeft overwogen dat een termijn van korter dan 20 weken na de uitspraak een onrealistisch korte periode zou zijn voor een zorgvuldig besluit. Opposant meent dat de rechtbank hiermee onterecht heeft afgeweken van het sporenmodel dat is uitgezet door de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 17 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3590). Daarnaast verwijst opposant naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2337).
1. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2 Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Het betoog van opposant slaagt niet. Voorop staat dat de rechtbank uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn. De nadere beslistermijn is in overeenstemming met de gedragslijn van deze zittingsplaats (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 16 april 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:4567), 28 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:9200), en 21 augustus 2025, (ECLI:NL:RBROT:2025:10144)). De
rechtbank is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom door de rechtbank in deze zaken de nadere beslistermijn wordt bepaald op 20 weken na de uitspraak. Dat andere zittingsplaatsen van deze rechtbank een andere nadere termijn hanteren, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank concludeert dan ook dat het verzetschrift in feite een verkapt hoger beroepschrift is, kennelijk omdat opposant het niet eens is met het oordeel van de rechtbank. Daarvoor is de verzetsprocedure echter niet bedoeld. Bovendien is het vaststellen van de nadere beslistermijn een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Gelet op het voorgaande zal het verzet ongegrond worden verklaard.
7. Deze verzetgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 30 mei 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.