Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:16644

2026-06-19 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.19998
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-19
Publicatiedatum
2026-06-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.19998
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Tsjechië. Beroep ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.407 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.19998


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),


en




de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R. van Dooren).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Tsjechië verantwoordelijk is voor de aanvraag.



1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, V. Sharma als tolk en de gemachtigde van de minister.





Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk heeft en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Totstandkoming van het besluit


4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Tsjechië een verzoek om terugname gedaan. Tsjechië heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Tsjechië. Hiertoe voert eiser aan dat hij eerder bij aankomst in Tsjechië direct is gedetineerd. Eiser loopt bij overdracht het risico om opnieuw in detentie te worden gezet. Hierbij verwijst eiser naar rapporten van Freedom House, Amnesty International en het Helsinki Committee. Ook voert eiser aan dat Tsjechië een fundamenteel ander beschermingsbeleid hanteert ten aanzien van de Ahmadiyya uit Pakistan dan Nederland. Op grond van het Nederlandse beleid zou eiser in beginsel in aanmerking komen voor internationale bescherming. De minister het vorenstaande onvoldoende meegenomen in de besluitvorming, waardoor het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Verder wijst eiser nog op het lage inwilligingspercentage van asielaanvragen in Tsjechië. In combinatie met het ontbreken van een specifiek Ahmadiyya-beleid, vormt dit een groepsgerichte tekortkoming. Eiser loopt derhalve een reëel risico op indirect
refoulement.

6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Tsjechië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 23 april 2024 en 13 november 2024 bevestigd. Het is in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Tsjechië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Tsjechische autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 Handvest. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.

7. Ter onderbouwing van eisers standpunt over onrechtmatige detentie, verwijst hij naar de rapporten van Freedom House, Amnesty International en het Helsinki Committee. Maar hij geeft daarbij niet aan om welke specifieke rapporten het gaat. Omdat deze rapporten volgens eiser “wat ouder” zijn, wijst hij ter aanvulling nog op een rapport van globaldetentionproject.org van november 2022. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de eerdergenoemde rapporten dateren van vóór november 2022. Dit betreft dus allemaal oudere informatie. De rapporten van Freedom House, Amnesty International en het Helsinki Committee geven geen aanleiding voor het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Tsjechië kan worden uitgegaan. Ook het rapport van globaldetentionproject.org geeft geen wezenlijk ander beeld. Dat volgens dit rapport sprake is van “many and broad legal grounds for detaining non-citizens” betekent nog niet dat die detenties onrechtmatig zijn en dat Tsjechië zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen. Verder heeft eiser niet met documenten aannemelijk heeft gemaakt dat zijn eerdere detentie in Tsjechië onrechtmatig is geweest. Bovendien zal eiser nu als Dublinclaimant gereguleerd worden overgedragen, zodat niet aannemelijk is dat hij na overdracht met onrechtmatige detentie te maken zal krijgen. Een laag inwilligingspercentage leidt er niet toe dat er automatisch sprake is van systematische tekortkomingen. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat ten aanzien van Tsjechië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Indien eiser in Tsjechië toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Tsjechische (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Tsjechische autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Uit de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan ten aanzien van Tsjechië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.



Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening


9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening (Dvo) aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat hij een kwetsbare positie heeft als Ahmadiyya-vluchteling uit Pakistan, gelet op wat hij hiervoor heeft aangevoerd over de detentie, het bijzondere lage inwilligingspercentage, en ook omdat de broer van eiser met zijn gezin in Nederland verblijven.

10. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om de behandeling van de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hoewel het weliswaar begrijpelijk is dat eiser bij zijn broer en diens gezin in Nederland wil blijven, heeft de minister dit niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid op grond waarvan hij gehouden was om eisers asielaanvraag te behandelen. De beroepsgrond slaagt niet.


11.1
Ook het beroep van eiser op artikel 17, eerste lid, van de Dvo onder verwijzing naar de situatie van de Ahmadiyya in Pakistan en het verschil in beschermingsbeleid, slaagt niet. Niet gebleken is dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de voorgenomen overdracht aan Tsjechië van onevenredige hardheid getuigt





Conclusie en gevolgen


12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 juni 2026



Informatie over hoger beroep


Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.


ECLI:NL:RVS:2024:1695.


ECLI:NL:RVS:2024:4582.


Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 juli 2024, RBDHA:2024:14300.


ECLI:EU:C:2023:934.


ECLI:NL:RVS:2024:2359.