Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16642
2026-06-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.50277
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Visumzaak, Iran. Het beroep is gegrond. De minister heeft de afwijzing van de visumaanvraag ondeugdelijk gemotiveerd en de hoorplicht geschonden.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1137 Raad van State 20-04-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.913 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50277
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. V. Karapetjan),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. E.E.G.M. van der Meulen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar visumaanvraag.
2. Eiseres heeft op 27 april 2025 een visum voor kort verblijf aangevraagd om samen met haar minderjarige zoon haar zus [referente] (referente) te bezoeken. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 15 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 september 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank is van oordeel dat de minister afwijzing van de visumaanvraag ondeugdelijk heeft gemotiveerd en dat hij de hoorplicht heeft geschonden. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De minister heeft de aanvraag afgewezen op grond van, voor zover thans nog van belang, artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode: er bestaat redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Eiseres heeft weliswaar enige sociale binding met Iran omdat haar echtgenoot daar blijft, maar hij is niet afhankelijk van eiseres. Ook de economische binding van eiseres met Iran is onvoldoende, want de bijschrijvingen van loon die zij op haar bankrekening ontvangt zijn onregelmatig van aard.
Twijfel over tijdige terugkeer
5. Eiseres stelt dat de minister ten onrechte twijfelt over haar voornemen om tijdig het grondgebied van de lidstaten te verlaten. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat zij niet genoeg sociale binding heeft met Iran. Nog daargelaten dat haar ouders en een broer en zus in Iran wonen, woont eiseres daar immers samen met haar echtgenoot. Zij hebben samen een kind, met wie eiseres naar Nederland wil reizen. Daarnaast heeft eiseres wel degelijk economische binding met Iran, aangezien zij als [functie] werkzaam is in het bedrijf van haar echtgenoot. Ter onderbouwing van de economische binding heeft zij diverse documenten overgelegd.
5.1.
Vaststaat dat de echtgenoot van eiseres in Iran achterblijft, terwijl eiseres met hun minderjarige zoon naar Nederland zal reizen. Tegen deze achtergrond heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat sprake is van onvoldoende sociale binding met Iran. Het standpunt van de minister dat de echtgenoot niet afhankelijk is van eiseres, volstaat niet. Zonder nadere motivering van de minister valt namelijk niet in te zien dat eiseres haar minderjarige zoon gedurende langere tijd van zijn vader gescheiden zou houden.
5.2.
Verder is niet in geschil dat de echtgenoot van eiseres een eigen onderneming heeft in Iran en dat eiseres in die onderneming werkzaam is. Evenmin is in geschil dat eiseres inkomsten uit deze werkzaamheden geniet, de minister heeft dit ter zitting erkend. Gelet op de toelichting die ter zitting is gegeven aan de hand van de overgelegde documenten, zijn die inkomsten ook voldoende regelmatig. De minister heeft dan ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eiseres onvoldoende economische binding heeft met Iran.
5.3.
De beroepsgrond slaagt.
Hoorplicht
6. Verder voert eiseres aan dat de minister in strijd heeft gehandeld met de hoorplicht.
6.1.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen.Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een andere conclusie kan leiden dan in het besluit waarbij de aanvraag is afgewezen.
6.2.
Gelet op wat de rechtbank hiervóór heeft overwogen en geoordeeld, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er op voorhand geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren van eiseres niet tot een andersluidende conclusie konden leiden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was en dat de minister eiseres had moeten horen.
6.3.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en sprake is van schending van de hoorplicht. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil definitief te beslechten en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en nadat eiser gehoord is. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook draagt de rechtbank de minister op om het betaalde bedrag aan griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 september 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.868,-; en
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50277
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. V. Karapetjan),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. E.E.G.M. van der Meulen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar visumaanvraag.
2. Eiseres heeft op 27 april 2025 een visum voor kort verblijf aangevraagd om samen met haar minderjarige zoon haar zus [referente] (referente) te bezoeken. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 15 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 september 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank is van oordeel dat de minister afwijzing van de visumaanvraag ondeugdelijk heeft gemotiveerd en dat hij de hoorplicht heeft geschonden. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De minister heeft de aanvraag afgewezen op grond van, voor zover thans nog van belang, artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode: er bestaat redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Eiseres heeft weliswaar enige sociale binding met Iran omdat haar echtgenoot daar blijft, maar hij is niet afhankelijk van eiseres. Ook de economische binding van eiseres met Iran is onvoldoende, want de bijschrijvingen van loon die zij op haar bankrekening ontvangt zijn onregelmatig van aard.
Twijfel over tijdige terugkeer
5. Eiseres stelt dat de minister ten onrechte twijfelt over haar voornemen om tijdig het grondgebied van de lidstaten te verlaten. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat zij niet genoeg sociale binding heeft met Iran. Nog daargelaten dat haar ouders en een broer en zus in Iran wonen, woont eiseres daar immers samen met haar echtgenoot. Zij hebben samen een kind, met wie eiseres naar Nederland wil reizen. Daarnaast heeft eiseres wel degelijk economische binding met Iran, aangezien zij als [functie] werkzaam is in het bedrijf van haar echtgenoot. Ter onderbouwing van de economische binding heeft zij diverse documenten overgelegd.
5.1.
Vaststaat dat de echtgenoot van eiseres in Iran achterblijft, terwijl eiseres met hun minderjarige zoon naar Nederland zal reizen. Tegen deze achtergrond heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat sprake is van onvoldoende sociale binding met Iran. Het standpunt van de minister dat de echtgenoot niet afhankelijk is van eiseres, volstaat niet. Zonder nadere motivering van de minister valt namelijk niet in te zien dat eiseres haar minderjarige zoon gedurende langere tijd van zijn vader gescheiden zou houden.
5.2.
Verder is niet in geschil dat de echtgenoot van eiseres een eigen onderneming heeft in Iran en dat eiseres in die onderneming werkzaam is. Evenmin is in geschil dat eiseres inkomsten uit deze werkzaamheden geniet, de minister heeft dit ter zitting erkend. Gelet op de toelichting die ter zitting is gegeven aan de hand van de overgelegde documenten, zijn die inkomsten ook voldoende regelmatig. De minister heeft dan ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eiseres onvoldoende economische binding heeft met Iran.
5.3.
De beroepsgrond slaagt.
Hoorplicht
6. Verder voert eiseres aan dat de minister in strijd heeft gehandeld met de hoorplicht.
6.1.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen.Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een andere conclusie kan leiden dan in het besluit waarbij de aanvraag is afgewezen.
6.2.
Gelet op wat de rechtbank hiervóór heeft overwogen en geoordeeld, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er op voorhand geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren van eiseres niet tot een andersluidende conclusie konden leiden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was en dat de minister eiseres had moeten horen.
6.3.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en sprake is van schending van de hoorplicht. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil definitief te beslechten en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en nadat eiser gehoord is. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook draagt de rechtbank de minister op om het betaalde bedrag aan griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 september 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.868,-; en
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.