Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16630
2026-02-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.9505
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Derdelander Oekraïne zaak. De minister heeft terecht een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd, hoorplicht, beroep vovo, rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel, evenredigheidsbeginsel, 8 EVRM: privéleven. Beroep ongegrond.
Citeert (10)
- ECLI:EU:C:2024:1038
- ECLI:NL:RVS:2025:1829 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:EU:C:2014:2336
- ECLI:EU:C:2014:2431
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4508 Rechtbank Den Haag 29-03-2024
- ECLI:EU:C:2018:465
- ECLI:NL:RVS:2024:32 Raad van State 17-01-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:1829 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:32 Raad van State 17-01-2024
- ECLI:EU:C:2022:913
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.135 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.9505
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: K. Naânaa).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 21 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Algerijnse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van die invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
2.1.
Op 7 februari 2024 heeft de minister eiser een terugkeerbesluit opgelegd en aan hem medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
2.2.
Op 21 juli 2025 heeft de minister een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – middels het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen - aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf in Nederland had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken.3
2.3.
Partijen zijn per brief van 10 oktober 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. Eiser heeft de rechtbank medegedeeld toestemming te geven de zaak af te doen buiten zitting. Bij het uitblijven van een reactie van de minister heeft de rechtbank daarom afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten.4
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
3. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 daarom inhoudelijk beoordelen.
3.1.
Nu de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van zijn proceskosten, omdat het besluit prematuur is genomen.5 De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 5.1.
De gronden van eiser en het oordeel van de rechtbank
Horen
4. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat hij niet is gehoord, ook al heeft hij een zienswijze kunnen indienen. Hij verwijst in dit kader naar verschillende arresten van het Hof, waaruit volgens hem volgt dat lidstaten de verplichting hebben om rekening te houden met de opmerkingen van de betrokkene en alle relevante aspecten van het individuele geval.
4.1.
Dit betoogt slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Uit de jurisprudentie van het Hof, waaronder de arresten Mukarubega6 en Boudjlida7, volgt dat het recht om gehoord te worden inhoudt dat iemand vóór het uitvaardigen van een terugkeerbesluit zijn standpunt hierover kenbaar mag maken. Eiser heeft deze gelegenheid gehad doordat hij binnen vier weken een schriftelijke reactie heeft kunnen geven op het voornemen voorafgaand aan het
3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en vervangen met het bestreden besluit van 21 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4 Op grond van artikel 8:57 van de Awb.
5 Volgt uit het in voetnoot 3 genoemde Kaduna en Abkez arrest.
6 Arrest van 5 november 2014, ECLI:EU:C:2014:2336.
7 Arrest van 11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431.
besluit van 21 juli 2025. Vooralsnog valt niet in te zien waarom eiser in deze schriftelijke reactie niet alle relevante informatie over de vaststelling dat zijn verblijf illegaal is geworden en over zijn persoonlijke situatie naar voren heeft kunnen brengen of waarom eiser (daarnaast) ook in persoon gehoord had moeten worden. Eiser heeft in zijn gronden van beroep hierover namelijk niets aangevoerd.
Beroep op de toegewezen voorlopige voorziening
4.2.
Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat aan hem geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd, omdat hij op grond van een eerder toegekend verzoek om voorlopige voorziening rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Oplegging van een terugkeerbesluit is volgens hem daarom in strijd met artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.8 Eiser herhaalt met deze grond hetgeen hij reeds in zijn zienswijze heeft aangevoerd. Ondanks dat eiser niet aangeeft waarom het terugkeerbesluit op dit punt niet juist is, zal de rechtbank hierna toch een inhoudelijk oordeel geven over de grond, teneinde eiser nog duidelijker te informeren.
4.3.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en daarbij de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van
29 maart 2024 heeft bepaald dat (onder andere) eiser feitelijk niet mag worden uitgezet.9 De rechtbank merkt op dat de getroffen voorlopige voorziening betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de beroepsprocedure af te kunnen wachten, maar dat de getroffen voorlopige voorziening ‘slechts’ betekent dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Nu de tijdelijke bescherming van eiser van rechtswege is beëindigd, voldoet eiser niet aan die voorwaarden. De uitspraak van de voorzieningenrechter verleent bovendien geen verblijfstitel. De minister verwijst in dit verband in het terugkeerbesluit terecht naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018.10 Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel: toezeggingen
4.5.
Eiser voert verder aan dat de minister in zijn brief van 30 maart 2022 aan de Tweede Kamer de toezegging heeft gedaan dat de groep facultatief beschermden ook onder de RTB zouden vallen. Eiser was daardoor in de veronderstelling dat hij net zolang tijdelijke
8 Richtlijn 2008/115.
9 ECLI:NL:RBDHA:2024:4508.
10 ECLI:EU:C:2018:465.
bescherming zou krijgen als de groep verplicht beschermden. Daardoor mocht de minister de tijdelijke bescherming voor de groep facultatief beschermden niet eerder eindigen en kan eiser geen terugkeerbesluit worden opgelegd. Door wel een terugkeerbesluit op te leggen, handelt de minister volgens eiser in strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Hij verwijst hiervoor naar het arrest Kaduna en Abkez.11
4.6.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 202412 heeft geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan, waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt of waaruit blijkt dat hun tijdelijke bescherming verlengd zou worden tot en met 4 maart 2025. Verder oordeelt de Afdeling dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. Daarom heeft de Afdeling geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De Afdeling overweegt in haar uitspraak van 23 april 202513 (na de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof in arrest Kaduna en Abkez), onder verwijzing naar de uitspraak van 17 januari 2024, dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen. Ook de rechtbank ziet geen grond om anders te oordelen. Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Evenredigheidsbeginsel
4.7.
Eiser betoogt dat de minister in strijd handelt met het evenredigheidsbeginsel, omdat hij onevenredig hard in zijn belangen wordt geraakt door oplegging van het terugkeerbesluit. Eiser wijst op de omstandigheid dat hij in Nederland heeft gewerkt, een kennissenkring en zijn leven (verder) heeft opgebouwd. Ook is hij getrouwd met een Oekraïense vrouw met wie hij samen in de opvang woont. Zij geniet nog wel bescherming in Nederland. Tot slot stelt eiser dat zijn persoonlijke informatie in het SIS-systeem wordt geregistreerd, waardoor het moeilijker wordt om in andere landen tijdelijke bescherming te krijgen dan wel een ander soort verblijfsrecht aan te vragen.
4.8.
De rechtbank volgt het betoog dat eiser onevenredig hard wordt getroffen door het terugkeerbesluit wegens de door hem aangevoerde omstandigheden niet. De rechtbank is namelijk van oordeel dat aan het evenredigheidsbeginsel niet wordt toegekomen omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege af is gelopen.14 Daarom is voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval geen plaats. Gelet hierop heeft de minister terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. Indien eiser meent dat hij privéleven in Nederland heeft opgebouwd en aan dat privéleven verblijfsrecht ontleent, kan eiser een daartoe strekkende aanvraag indienen, zoals de minister terecht heeft overwogen in het terugkeerbesluit. Indien eiser meent dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op eerbiediging van zijn privéleven, overweegt de rechtbank verder dat het enkele gegeven dat eiser rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van de RTB niet betekent dat het privéleven
11 Zie voetnoot 3.
12 ECLI:NL:RVS:2024:32.
13 ECLI:NL:RVS:2025:1829.
14 Zie ook ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10 t/m 10.3.
dat hij gedurende deze periode heeft opgebouwd in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. De minister is immers bevoegd om het tijdelijke verblijfsrecht te beëindigen. In zoverre betekent dit dat de omstandigheid dat eiser werk heeft gehad, een kennissenkring en zijn leven in Nederland heeft opgebouwd zich niet verzet tegen het opleggen van een terugkeerbesluit.
4.9.
Wat betreft de registratie in het SIS-systeem stelt de rechtbank vast dat artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/186015 dwingend voorschrijft dat lidstaten verplicht zijn een betrokkene tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in het SIS. Dit betekent dat de minister in het geval van eiser verplicht is om het terugkeerbesluit (en daarmee zijn persoonsgegevens) te registreren. Dit maakt dat de SIS-registratie dus niet aan de weg staat aan de oplegging van het terugkeerbesluit.
Artikel 8 van het EVRM: familieleven
4.10.
Eiser doet verder een beroep op familieleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Niet wordt betwist dat eiser is gehuwd met een Oekraïense vrouw. In dat verband stelt eiser dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. Bovendien wijst eiser erop dat de minister in gelijke gevallen waarin een persoon een duurzame relatie zou hebben met iemand met de Oekraïense nationaliteit wel verblijfsrecht heeft verleend. Daardoor maakt de minister onrechtmatig onderscheid tussen deze gevallen en eiser. Bovendien zal het indienen van een nieuwe aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM voor eiser hoge kosten met zich meebrengen, welke hij niet kan betalen.
4.11.
De rechtbank volgt de stelling van eiser dat er in strijd met artikel 8 van het EVRM is gehandeld niet. De rechtbank overweegt dat artikel 5, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening houden met het familie- en gezinsleven. De rechtbank merkt in dit kader op dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend.16 Uit deze richtlijn vloeit dan ook geen verplichting voor de minister voort om uit eigen beweging na te gaan of het verblijf van een
derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of een andere toestemming voor verblijf te geven. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de onderhavige procedure dus niet bedoeld is voor een volledige beoordeling van familie- en gezinsleven, zoals dat wel wordt gedaan in een reguliere aanvraag. In zoverre wijst de minister er terecht op dat eiser, indien hij meent een verblijfsrecht te ontlenen aan het recht op familie- of gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM, een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
4.12.
De rechtbank overweegt verder dat de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg staan. De omstandigheid dat eiser is getrouwd met een Oekraïense vrouw die rechtmatig verblijf in
15 Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.
16 ECLI:EU:C:2022:913, r.o. 84 en 85.
Nederland zou hebben, vormt volgens de rechtbank geen reden om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft een deels onvertaalde huwelijksakte ingebracht in de procedure tegen het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Uit deze akte blijkt echter niet wie deze vrouw is en of zij in het bezit is van een verblijfsvergunning dan wel onder de RTB valt. Het is ook onduidelijk of zij op dit moment in Nederland verblijft. Het is voor de rechtbank daarom onduidelijk waar eiser zijn verblijfsrecht op wil baseren. Daarbij merkt de rechtbank op dat onderhavige procedure niet is bedoeld voor een volledige beoordeling van het familie- en gezinsleven, zoals geoordeeld in rechtsoverweging 4.11, waardoor het beroep op de belangenafweging niet slaagt. De stelling van eiser dat in gelijke gevallen de minister een betrokkene wel verblijfsrecht heeft gegeven, is niet onderbouwd en daarom kan de rechtbank daarover geen oordeel geven. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij onder rechtsoverweging 4.11 heeft geoordeeld dat uit de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister verplicht is om toestemming voor verblijf te verlenen in een procedure zoals de onderhavige. Verder vat de rechtbank de stelling van eiser dat hij niet in staat zou zijn om de kosten voor een aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM te betalen, op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Over dit beginsel heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.8 van deze uitspraak al een oordeel gegeven, dus verwijst zij daarnaar. In dat kader is deze stelling onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden.
4.13.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het terugkeerbesluit in stand kan blijven.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 21 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de in het terugkeerbesluit gestelde termijn terugkeren naar Algerije.
5.1.
Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
5.2.
Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in (onder andere) de zaak NL24.9507 de voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten. Met de onderhavige uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2025 ongegrond; en
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 februari 2026
Mr. M. Eversteijn M.M. Tank
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.9505
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: K. Naânaa).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 21 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Algerijnse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van die invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
2.1.
Op 7 februari 2024 heeft de minister eiser een terugkeerbesluit opgelegd en aan hem medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
2.2.
Op 21 juli 2025 heeft de minister een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – middels het op 4 juni 2025 uitgebrachte voornemen - aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf in Nederland had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken.3
2.3.
Partijen zijn per brief van 10 oktober 2025 gevraagd of zij nog mondeling op een zitting willen worden gehoord. Eiser heeft de rechtbank medegedeeld toestemming te geven de zaak af te doen buiten zitting. Bij het uitblijven van een reactie van de minister heeft de rechtbank daarom afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten.4
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
3. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 daarom inhoudelijk beoordelen.
3.1.
Nu de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van zijn proceskosten, omdat het besluit prematuur is genomen.5 De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 5.1.
De gronden van eiser en het oordeel van de rechtbank
Horen
4. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat hij niet is gehoord, ook al heeft hij een zienswijze kunnen indienen. Hij verwijst in dit kader naar verschillende arresten van het Hof, waaruit volgens hem volgt dat lidstaten de verplichting hebben om rekening te houden met de opmerkingen van de betrokkene en alle relevante aspecten van het individuele geval.
4.1.
Dit betoogt slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Uit de jurisprudentie van het Hof, waaronder de arresten Mukarubega6 en Boudjlida7, volgt dat het recht om gehoord te worden inhoudt dat iemand vóór het uitvaardigen van een terugkeerbesluit zijn standpunt hierover kenbaar mag maken. Eiser heeft deze gelegenheid gehad doordat hij binnen vier weken een schriftelijke reactie heeft kunnen geven op het voornemen voorafgaand aan het
3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en vervangen met het bestreden besluit van 21 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4 Op grond van artikel 8:57 van de Awb.
5 Volgt uit het in voetnoot 3 genoemde Kaduna en Abkez arrest.
6 Arrest van 5 november 2014, ECLI:EU:C:2014:2336.
7 Arrest van 11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431.
besluit van 21 juli 2025. Vooralsnog valt niet in te zien waarom eiser in deze schriftelijke reactie niet alle relevante informatie over de vaststelling dat zijn verblijf illegaal is geworden en over zijn persoonlijke situatie naar voren heeft kunnen brengen of waarom eiser (daarnaast) ook in persoon gehoord had moeten worden. Eiser heeft in zijn gronden van beroep hierover namelijk niets aangevoerd.
Beroep op de toegewezen voorlopige voorziening
4.2.
Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat aan hem geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd, omdat hij op grond van een eerder toegekend verzoek om voorlopige voorziening rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Oplegging van een terugkeerbesluit is volgens hem daarom in strijd met artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.8 Eiser herhaalt met deze grond hetgeen hij reeds in zijn zienswijze heeft aangevoerd. Ondanks dat eiser niet aangeeft waarom het terugkeerbesluit op dit punt niet juist is, zal de rechtbank hierna toch een inhoudelijk oordeel geven over de grond, teneinde eiser nog duidelijker te informeren.
4.3.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en daarbij de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van
29 maart 2024 heeft bepaald dat (onder andere) eiser feitelijk niet mag worden uitgezet.9 De rechtbank merkt op dat de getroffen voorlopige voorziening betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de beroepsprocedure af te kunnen wachten, maar dat de getroffen voorlopige voorziening ‘slechts’ betekent dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Nu de tijdelijke bescherming van eiser van rechtswege is beëindigd, voldoet eiser niet aan die voorwaarden. De uitspraak van de voorzieningenrechter verleent bovendien geen verblijfstitel. De minister verwijst in dit verband in het terugkeerbesluit terecht naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018.10 Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel: toezeggingen
4.5.
Eiser voert verder aan dat de minister in zijn brief van 30 maart 2022 aan de Tweede Kamer de toezegging heeft gedaan dat de groep facultatief beschermden ook onder de RTB zouden vallen. Eiser was daardoor in de veronderstelling dat hij net zolang tijdelijke
8 Richtlijn 2008/115.
9 ECLI:NL:RBDHA:2024:4508.
10 ECLI:EU:C:2018:465.
bescherming zou krijgen als de groep verplicht beschermden. Daardoor mocht de minister de tijdelijke bescherming voor de groep facultatief beschermden niet eerder eindigen en kan eiser geen terugkeerbesluit worden opgelegd. Door wel een terugkeerbesluit op te leggen, handelt de minister volgens eiser in strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Hij verwijst hiervoor naar het arrest Kaduna en Abkez.11
4.6.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 202412 heeft geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan, waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt of waaruit blijkt dat hun tijdelijke bescherming verlengd zou worden tot en met 4 maart 2025. Verder oordeelt de Afdeling dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. Daarom heeft de Afdeling geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De Afdeling overweegt in haar uitspraak van 23 april 202513 (na de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof in arrest Kaduna en Abkez), onder verwijzing naar de uitspraak van 17 januari 2024, dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen. Ook de rechtbank ziet geen grond om anders te oordelen. Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Evenredigheidsbeginsel
4.7.
Eiser betoogt dat de minister in strijd handelt met het evenredigheidsbeginsel, omdat hij onevenredig hard in zijn belangen wordt geraakt door oplegging van het terugkeerbesluit. Eiser wijst op de omstandigheid dat hij in Nederland heeft gewerkt, een kennissenkring en zijn leven (verder) heeft opgebouwd. Ook is hij getrouwd met een Oekraïense vrouw met wie hij samen in de opvang woont. Zij geniet nog wel bescherming in Nederland. Tot slot stelt eiser dat zijn persoonlijke informatie in het SIS-systeem wordt geregistreerd, waardoor het moeilijker wordt om in andere landen tijdelijke bescherming te krijgen dan wel een ander soort verblijfsrecht aan te vragen.
4.8.
De rechtbank volgt het betoog dat eiser onevenredig hard wordt getroffen door het terugkeerbesluit wegens de door hem aangevoerde omstandigheden niet. De rechtbank is namelijk van oordeel dat aan het evenredigheidsbeginsel niet wordt toegekomen omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege af is gelopen.14 Daarom is voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval geen plaats. Gelet hierop heeft de minister terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. Indien eiser meent dat hij privéleven in Nederland heeft opgebouwd en aan dat privéleven verblijfsrecht ontleent, kan eiser een daartoe strekkende aanvraag indienen, zoals de minister terecht heeft overwogen in het terugkeerbesluit. Indien eiser meent dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op eerbiediging van zijn privéleven, overweegt de rechtbank verder dat het enkele gegeven dat eiser rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van de RTB niet betekent dat het privéleven
11 Zie voetnoot 3.
12 ECLI:NL:RVS:2024:32.
13 ECLI:NL:RVS:2025:1829.
14 Zie ook ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10 t/m 10.3.
dat hij gedurende deze periode heeft opgebouwd in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. De minister is immers bevoegd om het tijdelijke verblijfsrecht te beëindigen. In zoverre betekent dit dat de omstandigheid dat eiser werk heeft gehad, een kennissenkring en zijn leven in Nederland heeft opgebouwd zich niet verzet tegen het opleggen van een terugkeerbesluit.
4.9.
Wat betreft de registratie in het SIS-systeem stelt de rechtbank vast dat artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/186015 dwingend voorschrijft dat lidstaten verplicht zijn een betrokkene tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in het SIS. Dit betekent dat de minister in het geval van eiser verplicht is om het terugkeerbesluit (en daarmee zijn persoonsgegevens) te registreren. Dit maakt dat de SIS-registratie dus niet aan de weg staat aan de oplegging van het terugkeerbesluit.
Artikel 8 van het EVRM: familieleven
4.10.
Eiser doet verder een beroep op familieleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Niet wordt betwist dat eiser is gehuwd met een Oekraïense vrouw. In dat verband stelt eiser dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. Bovendien wijst eiser erop dat de minister in gelijke gevallen waarin een persoon een duurzame relatie zou hebben met iemand met de Oekraïense nationaliteit wel verblijfsrecht heeft verleend. Daardoor maakt de minister onrechtmatig onderscheid tussen deze gevallen en eiser. Bovendien zal het indienen van een nieuwe aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM voor eiser hoge kosten met zich meebrengen, welke hij niet kan betalen.
4.11.
De rechtbank volgt de stelling van eiser dat er in strijd met artikel 8 van het EVRM is gehandeld niet. De rechtbank overweegt dat artikel 5, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening houden met het familie- en gezinsleven. De rechtbank merkt in dit kader op dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend.16 Uit deze richtlijn vloeit dan ook geen verplichting voor de minister voort om uit eigen beweging na te gaan of het verblijf van een
derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of een andere toestemming voor verblijf te geven. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de onderhavige procedure dus niet bedoeld is voor een volledige beoordeling van familie- en gezinsleven, zoals dat wel wordt gedaan in een reguliere aanvraag. In zoverre wijst de minister er terecht op dat eiser, indien hij meent een verblijfsrecht te ontlenen aan het recht op familie- of gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM, een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
4.12.
De rechtbank overweegt verder dat de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg staan. De omstandigheid dat eiser is getrouwd met een Oekraïense vrouw die rechtmatig verblijf in
15 Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.
16 ECLI:EU:C:2022:913, r.o. 84 en 85.
Nederland zou hebben, vormt volgens de rechtbank geen reden om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft een deels onvertaalde huwelijksakte ingebracht in de procedure tegen het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Uit deze akte blijkt echter niet wie deze vrouw is en of zij in het bezit is van een verblijfsvergunning dan wel onder de RTB valt. Het is ook onduidelijk of zij op dit moment in Nederland verblijft. Het is voor de rechtbank daarom onduidelijk waar eiser zijn verblijfsrecht op wil baseren. Daarbij merkt de rechtbank op dat onderhavige procedure niet is bedoeld voor een volledige beoordeling van het familie- en gezinsleven, zoals geoordeeld in rechtsoverweging 4.11, waardoor het beroep op de belangenafweging niet slaagt. De stelling van eiser dat in gelijke gevallen de minister een betrokkene wel verblijfsrecht heeft gegeven, is niet onderbouwd en daarom kan de rechtbank daarover geen oordeel geven. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij onder rechtsoverweging 4.11 heeft geoordeeld dat uit de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister verplicht is om toestemming voor verblijf te verlenen in een procedure zoals de onderhavige. Verder vat de rechtbank de stelling van eiser dat hij niet in staat zou zijn om de kosten voor een aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM te betalen, op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Over dit beginsel heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.8 van deze uitspraak al een oordeel gegeven, dus verwijst zij daarnaar. In dat kader is deze stelling onvoldoende om tot een ander oordeel te leiden.
4.13.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het terugkeerbesluit in stand kan blijven.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het besluit van 21 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de in het terugkeerbesluit gestelde termijn terugkeren naar Algerije.
5.1.
Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
5.2.
Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in (onder andere) de zaak NL24.9507 de voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten. Met de onderhavige uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2025 ongegrond; en
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 februari 2026
Mr. M. Eversteijn M.M. Tank
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.