Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16622
2026-06-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.32261
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eerste beroep bewaring – binnentreden met zes opsporingsambtenaren niet disproportioneel – non-refoulement – beroep ongegrond
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2025:2273 Raad van State 22-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.908 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32261
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 4 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Senegalese nationaliteit te hebben.
Staandehouding
2. Eiser wijst erop dat de verbalisant samen met vijf collega’s van DV&O, allen buitengewoon opsporingsambtenaar, zijn kamer op het AZC zijn binnengetreden. Dit was een disproportionele inbreuk op zijn privacy. Uit de infoset IBS blijkt niet dat eiser gevaarlijk is of zich suïcidaal heeft geuit, dus was het binnentreden met een grote numerieke overmacht onrechtmatig. Eiser stelt dan ook dat de vreemdelingrechtelijke staandehouding onrechtmatig was en dat de opgelegde maatregel van bewaring daardoor ook onrechtmatig is.
3. Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2025, waarin is geoordeeld dat het binnentreden met zeven opsporingsambtenaren op zichzelf niet disproportioneel is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.
Non-refoulement
4. Eiser stelt dat hij bij een gedwongen uitzetting naar Senegal wordt blootgesteld aan het risico op schending van artikel 2 en 3 van het EVRM. Hij is homoseksueel en vreest voor problemen in Senegal.
5. De Afdeling heeft bij uitspraak van 12 februari 2026 verduidelijkt wat de gevolgen van het arrest Adrar zijn voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de maatregel van bewaring onder het kopje ‘non-refoulement’ een dergelijke beoordeling heeft gemaakt en heeft overwogen dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met het verbod op refoulement. Daarnaast is het aan eiser om concreet te maken waarom het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan zijn uitzetting. Eiser heeft op 27 december 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland. In deze procedure heeft eiser ruimschoots de mogelijkheid gekregen om zijn vrees bij terugkeer naar Senegal naar voren te brengen. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 27 februari 2026. Niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden sindsdien.
Ambtshalve toets
7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Dienst Vervoer en Ondersteuning.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2025:2273.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RVS:2026:329.
ECLI:EU:C:2025:647.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32261
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 4 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Senegalese nationaliteit te hebben.
Staandehouding
2. Eiser wijst erop dat de verbalisant samen met vijf collega’s van DV&O, allen buitengewoon opsporingsambtenaar, zijn kamer op het AZC zijn binnengetreden. Dit was een disproportionele inbreuk op zijn privacy. Uit de infoset IBS blijkt niet dat eiser gevaarlijk is of zich suïcidaal heeft geuit, dus was het binnentreden met een grote numerieke overmacht onrechtmatig. Eiser stelt dan ook dat de vreemdelingrechtelijke staandehouding onrechtmatig was en dat de opgelegde maatregel van bewaring daardoor ook onrechtmatig is.
3. Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2025, waarin is geoordeeld dat het binnentreden met zeven opsporingsambtenaren op zichzelf niet disproportioneel is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.
Non-refoulement
4. Eiser stelt dat hij bij een gedwongen uitzetting naar Senegal wordt blootgesteld aan het risico op schending van artikel 2 en 3 van het EVRM. Hij is homoseksueel en vreest voor problemen in Senegal.
5. De Afdeling heeft bij uitspraak van 12 februari 2026 verduidelijkt wat de gevolgen van het arrest Adrar zijn voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de maatregel van bewaring onder het kopje ‘non-refoulement’ een dergelijke beoordeling heeft gemaakt en heeft overwogen dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met het verbod op refoulement. Daarnaast is het aan eiser om concreet te maken waarom het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan zijn uitzetting. Eiser heeft op 27 december 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland. In deze procedure heeft eiser ruimschoots de mogelijkheid gekregen om zijn vrees bij terugkeer naar Senegal naar voren te brengen. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 27 februari 2026. Niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden sindsdien.
Ambtshalve toets
7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Dienst Vervoer en Ondersteuning.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2025:2273.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RVS:2026:329.
ECLI:EU:C:2025:647.