Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16602
2026-02-26
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.30839 NL24.50472 rectificatie
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Rectificatie griffierecht. Mvv-aanvraag 8 EVRM, jongvolwassenenbeleid, niet in eigen onderhoud voorzien: zelfstandig en moeiteloos handhaven, geen zelfstandig gezin vormen. Het beroep is gegrond, omdat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat referente niet aan het jongvolwassenebeleid voldoet omdat zij een eigen gezin heeft gevormd en in haar eigen onderhoud voorziet.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2024:2145 Raad van State 29-05-2024
- ECLI:NL:RBOVE:2024:760 Rechtbank Overijssel 13-02-2024
- ECLI:NL:RBOT:2023:7333
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.428 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.30839 en NL24.50472
Rectificatie (bladzijde 7)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
en haar minderjarige kinderen,
[minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige 2] , V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige 3] , V-nummer: [V-nummer] ,
en
[minderjarige 4] , V-nummer: [V-nummer] , referente
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R.V. Bekker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor haar en haar minderjarige kinderen voor verblijf bij haar dochter (referente) in Nederland. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat referente niet aan jongvolwassenenbeleid voldoet omdat zij een eigen gezin heeft gevormd en in haar eigen onderhoud voorziet. Eiseres krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een mvv-aanvraag ingediend voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ voor haar en haar minderjarige kinderen. De minister heeft deze aanvraag met de besluiten van 14 februari 2023 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 10 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiseres, mr. S. Berg als gemachtigde van de minister, en G. Ogba-Michael als tolk. De zaak is tijdens deze zitting aangehouden, omdat de minister in zijn verweerschrift een aanvullende motivering heeft opgenomen waarop eiseres voorafgaand aan de zitting niet heeft kunnen reageren. De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om op de aanvullende motivering te reageren, waarna de minister de gelegenheid heeft gekregen om op het standpunt van eiseres te reageren. Daarna heeft op 17 november 2025 een nadere zitting plaatsgevonden. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiseres en mr. R.V. Bekker als gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De besluitvorming van de minister
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1980 en heeft de Eritrese nationaliteit. Zij wenst verblijf in Nederland met haar minderjarige kinderen bij haar dochter, tevens referente in deze procedures. Referente is geboren op [geboortedatum 2] 1999, heeft de Eritrese nationaliteit en beschikt sinds 2021 over een asielstatus in Nederland. De identiteit van referente en eiseres en de familierechtelijke relatie tussen hen is met stukken aangetoond. De familierechtelijke relatie tussen referente en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] – de halfzusjes en het halfbroertje van referente – is niet met stukken aangetoond, maar de minister geeft hen het voordeel van de twijfel.
3.1.
In de bestreden besluiten heeft de minister de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Ten aanzien van referente en eiseres stelt de minister zich op het standpunt dat referente niet onder het jongvolwassenenbeleid valt, omdat zij een zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie. Daarnaast is er volgens de minister geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen, zodat geen beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM wordt aangenomen en geen belangenafweging op grond van dat artikel is gemaakt. Wat betreft de halfzusjes en referente neemt de minister hechte persoonlijke banden aan, maar valt de belangenafweging voor hen in het nadeel uit. Ten aanzien van het halfbroertje en referente neemt de minister geen hechte persoonlijke banden aan, nu zij nooit samen hebben gewoond.
3.2.
In het verweerschrift van 20 juni 2025 heeft de minister een aanvullende motivering gegeven met betrekking tot het niet-toepassen van het jongvolwassenenbeleid. Naast het standpunt dat referente een relatie is aangegaan, benadrukt de minister dat referente niet enkel door haar vluchtsituatie de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te houden, maar dat zij zich zelfstandig en moeiteloos kan handhaven en in haar eigen onderhoud kan voorzien. Daarom is het terecht dat het jongvolwassenenbeleid niet op haar is toegepast. Ten aanzien van de halfzusjes en het halfbroertje van referente blijft de minister bij zijn eerder ingenomen standpunten in de bestreden besluiten.
Jongvolwassenenbeleid
4. In geschil is of de minister heeft kunnen oordelen dat referente niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Dit beleid houdt in dat familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen wordt aangenomen, zonder bijkomende afhankelijkheidsfactoren, als het meerderjarige kind:
- jongvolwassen is;
- met de ouder(s) in gezinsband samenleeft;
- niet in zijn eigen onderhoud voorziet; en
- geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
4.1.
Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 mei 2024 volgt dat deze vier voorwaarden cumulatief zijn. Dat betekent dat als eiseres niet voldoet aan één van deze vier voorwaarden, zij niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. In Werkinstructie (WI) 2020/16 is de toepassing van het jongvolwassenenbeleid door de minister nader uitgewerkt.
Omvang van het geschil
5. Niet in geschil is dat referente jongvolwassene is (het eerste vereiste) en met eiseres in gezinsband samenleeft (het tweede vereiste). Het geschil richt zich op de vraag of referente niet in haar eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd (het derde en vierde vereiste).
Niet in eigen onderhoud voorzien: zelfstandig en moeiteloos handhaven (derde vereiste)
6. De rechtbank begrijpt op basis van de aanvullende motivering in het verweerschrift van 20 juni 2025 en hetgeen de minister daarover op de zitting van 27 juni 2025 nader heeft toegelicht, dat de minister eiseres drie omstandigheden tegenwerpt ter onderbouwing van de conclusie dat referente zich zelfstandig en moeiteloos kan handhaven, namelijk dat referente:
zelf heeft gekozen om van Duitsland naar Nederland te gaan om daar een nieuwe asielprocedure te starten, waardoor zij volgens de minister bewust heeft besloten om voor een langere periode gescheiden te zijn van haar gezin;
na de verlening van haar asielvergunning vijf maanden heeft gewacht tot het indienen van de mvv-aanvraag waardoor zij haar mvv-verzoek niet tijdig heeft ingediend; en
zelfstandig in een studio woont, studeert en stage loopt.
6.1.
Eiseres voert aan dat uit de keuze om van Duitsland naar Nederland te gaan niet blijkt dat referente een stap naar zelfstandigheid heeft gezet, maar dat het gaat om een noodgedwongen stap nu zij een asielstatus in Nederland heeft gekregen. Verder stelt zij dat de verlate opstarting van de mvv-aanvraag niet aan haar te wijten is, nu zij afhankelijk van anderen is geweest. Zij wijst erop dat er snel na de verkrijging van haar asielstatus op 29 juli 2021 contact is gelegd met Vluchtelingenwerk (VWN) over de mogelijkheid tot gezinshereniging. Het opstarten van de procedure kostte tijd, omdat er moest worden uitgezocht of de aanvraag juridisch haalbaar zou zijn. Daarnaast waren er problemen met het verkrijgen van documenten uit Eritrea wegens de weigerachtige houding van de vader van het halfzusje van referente. Bovendien werden er in november en december 2021 covid-maatregelen ingevoerd, waardoor de aanvraag werd vertraagd. Over het studeren, stagelopen en zelfstandig wonen in een studio merkt eiseres op dat dit referente helemaal niet moeiteloos afgaat. Ze wijst op een bericht van haar mentor, een brief van VWN en gegevens over haar psychische problematiek. Daaruit blijkt dat sprake is van verzuim op haar opleiding, dat er bijzondere begeleiding is vanwege het gemis van haar familie en dat ze is doorverwezen naar specialistische hulp. Vanwege capaciteitsproblemen is dat echter nog niet van de grond gekomen.
6.2.
In het nadere verweerschrift van 21 augustus 2025 handhaaft de minister zijn standpunt dat de duur van de scheiding tussen referente en haar gezin deels zelf aan referente te wijten is door de asielprocedure in Duitsland te verlaten. Ten aanzien van de verlate indiening van de mvv-aanvraag verwijst de minister naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 13 februari 2024. De minister benadrukt dat de omstandigheid dat referente zich niet snel zou hebben kunnen melden niet nader is onderbouwd. Er is immers niet aannemelijk gemaakt dat zij geen invloed had op de aanvraagprocedure. Ten slotte stelt de minister dat uit de overgelegde stukken blijkt dat referente wel in staat is geweest zich in te blijven zetten op school en ook heeft kunnen doorstromen naar een hoger niveau, ondanks het gemis van haar familie. Ook blijkt uit de stukken dat referente wil gaan werken om geld te gaan verdienen, waardoor de minister persisteert in zijn standpunt dat eiseres zich zelfstandig en moeiteloos kan handhaven.
6.3.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar overzichtsuitspraak van 29 mei 2024 heeft benadrukt dat de beoordeling of een meerderjarig kind als jongvolwassene kan worden aangemerkt een op het geval toegespitste beoordeling betreft. Hierbij moet de minister specifiek rekening houden met de bijzondere positie van vluchtelingen en subsidiair beschermden die een vluchtachtergrond hebben. De minister kan hiermee rekening houden door omstandigheden die maken dat een meerderjarig kind niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid niet tegen te werpen als die omstandigheden alleen het gevolg zijn van een vluchtsituatie. Dit betekent volgens de Afdeling dat als een meerderjarig kind alleen noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden, dat geen zelfstandig of moeiteloos handhaven is. Ook dient de minister bij zijn beoordeling van het vereiste dat het meerderjarig kind niet in zijn eigen onderhoud voorziet, kenbaar te betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en reden voor het voorzien in eigen onderhoud, ook als dit niet een vluchtgerelateerde omstandigheid is.
6.4.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat referente zich zelfstandig en zonder moeite in Nederland kan handhaven én in haar eigen levensonderhoud voorziet. De rechtbank overweegt ten eerste dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat referente, met haar keuze om van Duitsland naar Nederland te gaan, bewust en vrijwillig ervoor heeft gekozen om een langere periode van haar familie gescheiden te zijn. Referente stelt terecht dat deze keuze voortvloeit uit haar vluchtachtergrond en de onmogelijkheid tot terugkeer naar Eritrea. De minister heeft ook niet toegelicht welk perspectief eiseres in Duitsland op gezinshereniging had, en op welke termijn, en hoe dit perspectief is veranderd door haar vertrek naar Nederland. De rechtbank overweegt verder dat, hoewel referente sinds 2023 zelfstandig in een studio woont en daarnaast een opleiding volgt en stage loopt, uit de overgelegde medische stukken en verklaringen van onder andere haar mentor en VWN blijkt dat referente worstelt met gevoelens van stress, angst en eenzaamheid als gevolg van het gemis van haar familie. Ze slaapt slecht, heeft concentratieproblemen en is regelmatig afwezig op school. Referente heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat zij, eiseres en haar halfzusjes en halfbroertje dagelijks contact hebben en elkaar erg missen. Voor haar psychologische problemen is zij doorverwezen, zoals ook op de zitting van 17 november 2025 is besproken. De minister heeft onvoldoende uitgelegd hoe hij, ondanks deze omstandigheden, toch concludeert dat eiseres zich moeiteloos kan handhaven. Voorts kan de rechtbank de stelling van de minister dat referente wil gaan werken en geld verdienen en daardoor in haar eigen onderhoud voorziet niet volgen, nu de minister gelet op de Afdelingsuitspraak van 29 mei 2024 heeft nagelaten kenbaar te maken wat de aanleiding hiervoor is. Uit het dossier volgt immers dat ze geld wil verdienen om vervolgens naar eiseres op te sturen, waarmee dus niet kan worden gezegd dat referente niet meer afhankelijk is van eiseres. Onder deze omstandigheden, die het gevolg zijn van een gedwongen vluchtsituatie, komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat referente niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet omdat zij in haar eigen onderhoud voorziet. Met betrekking tot de omstandigheid dat eiseres niet eerder dan na vijf maanden na verlening van haar asielstatus een mvv-aanvraag heeft ingediend overweegt de rechtbank het volgende. De minister heeft eiseres mogen tegenwerpen dat zij de aanvraag pas na vijf maanden heeft ingediend; de redenen die eiseres hiervoor heeft aangevoerd zijn door haar niet onderbouwd. Echter, dit relatief beperkte tijdsverloop is zonder nadere motivering onvoldoende om daaruit af te leiden dat referente zich zelfstandig en moeiteloos kan handhaven. De verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Zwolle maakt dit niet anders, nu betrokkene in die zaak anderhalf jaar heeft gewacht voor het indienen van een mvv-aanvraag.
Geen zelfstandig gezin heeft gevormd: relatie (vierde vereiste)
7. Eiseres stelt verder dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat referente niet meer tot het gezin van haar moeder of dat haar relatie destijds een stap naar zelfstandigheid was. Volgens eiseres is onvoldoende gekeken naar de aard en intensiteit van de relatie, terwijl deze niet serieus was: er waren geen toekomstplannen, geen verliefdheid en geen samenwoning. Door dit niet mee te wegen in zijn beoordeling, heeft de minister volgens eiseres een onjuist toetsingskader toegepast. In dit kader betoogt eiseres ook dat de minister onterecht tegenwerpt dat referente op 16-jarige leeftijd is gevlucht zonder dat vooraf met haar moeder te bespreken. Er was namelijk noodzaak om weg te gaan, welke is bevestigd door gegeven dat referente asiel in Nederland heeft gekregen. Uit het vertrek blijkt daarom niet dat referente zich wilde losmaken van het gezin. In de nadere reactie van eiseres van 16 juli 2025 op de aanvullende motivering van het verweerschrift wijst eiseres erop dat zij geen jurisprudentie kent waarin het starten van een (eerste) relatie als een stap naar zelfstandig wordt gezien. Een relatie kan juist een contra-indicatie zijn, behalve verloving of een aanstaand huwelijk, zoals ook blijkt uit de Afdelingsuitspraak van 29 mei 2024.
7.1.
In het nadere verweerschrift van 21 augustus 2025 als reactie op de aanvullende gronden van 16 juli 2025 persisteert de minister in zijn standpunt dat eiseres een serieuze relatie is aangegaan, wat overeenkomstig WI 2020/16 en de Afdelingsuitspraak van 29 mei 2024 is beoordeeld. Van een onjuist toetsingskader is volgens hem dan ook geen sprake. Ter onderbouwing hiervan verwijst de minister naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 14 augustus 2023, waaruit volgens hem blijkt dat hij een serieuze relatie mee mag wegen in zijn beoordeling, ook al is er geen sprake van een verloving of een aanstaand huwelijk.
7.2.
De rechtbank overweegt dat uit de Afdelingsuitspraak van 29 mei 2024 volgt dat bij de beoordeling van de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid altijd alle relevante feiten en omstandigheden moeten worden meegewogen. In dit verband wordt in WI 2020/16 benadrukt dat onder andere de aard, de duur en de intensiteit van de relatie een belangrijke rol spelen.
7.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat eiseres een eigen gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie. Uit het dossier blijkt dat referente in 2020, tijdens haar asielprocedure, een relatie is aangegaan met een man. Deze relatie was op het moment van de bestreden besluiten al vier jaar geëindigd. Tijdens de hoorzitting op 10 juli 2024 heeft referente verklaard dat deze relatie niet serieus was, geen toekomstperspectief bood, en dat zij niet verliefd was. Er waren geen gezamenlijke toekomstplannen, zij hebben nooit samengewoond en hadden ook geen concrete plannen om dat te doen. De relatie werd verder gekenmerkt door veel ruzie, onder meer vanwege het leeftijdsverschil, waarna referente de relatie heeft beëindigd vanwege uiteenlopende levensplannen. De minister heeft uitsluitend gesteld dat er vanwege het feit dat er een relatie tussen twee volwassen personen was, sprake was van een serieuze relatie. Dit is echter onvoldoende, nu hieruit niet blijkt op welke manier de minister rekening heeft gehouden met de aard, de duur en de intensiteit van de relatie zoals volgt uit de verklaringen van referente. De stelling van de minister dat het vertrek van referente zonder toestemming van eiseres getuigt van volwassenheid en een wens tot losmaking van haar gezin, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat haar vertrek voortkwam uit noodzaak, wat ook blijkt uit de toekenning van haar asielstatus in Nederland. Het feit dat zij zonder medeweten van haar gezin is vertrokken, betekent niet automatisch dat zij zich daadwerkelijk van haar gezin wilde losmaken, en zegt verder niets over de aard van de relatie die zij vervolgens is aangegaan. In zoverre heeft eiseres zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de minister het relevante toetsingskader onjuist heeft toegepast door niet in te gaan op alle feiten en omstandigheden, terwijl dit volgens de jurisprudentie van de Afdeling en de WI wel vereist is. In dat licht kan de rechtbank de verwijzing van de minister naar de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam ook niet volgen. In die zaak kwam de rechtbank tot de conclusie dat een serieuze relatie meegenomen mag worden in de beoordeling, maar in onderhavige zaak heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de relatie van eiseres zodanig was dat daaruit blijkt dat zij een zelfstandig gezin heeft gevormd. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie jongvolwassenenbeleid
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat referente niet aan jongvolwassenenbeleid voldoet omdat zij in haar eigen onderhoud voorziet en een eigen gezin heeft gevormd. De minister heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd waarom volgens hem geen sprake is van gezinsleven tussen referente en eiseres. Dat betekent dat het beroep in NL24.50472 gegrond is en dat de minister met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beoordeling moet maken.
8.1.
Nu de rechtbank het beroep in NL24.50472 gegrond verklaart, volgt de rechtbank eiseres in haar stelling dat dit doorwerkt in het beroep ten aanzien van de halfzusjes en halfbroertje van referente in NL24.30839. De minister heeft in de belangenafweging ten aanzien van hen immers overwogen dat zij tot het kerngezin van eiseres behoren en dat het in hun belang is om mee te gaan met eiseres. Dat betekent dat het beroep in NL24.30839 ook gegrond is en de minister voor hen een nieuwe beoordeling moet maken.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten van 10 juli 2024. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van 6 weken.
9.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).
9.2.
Ook draagt de rechtbank de minister op om het betaalde bedrag aan griffierecht van € 374,- aan eiseres te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 10 juli 2024;
- draagt de minister op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres; en
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 374,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
De griffier De rechter
Afschrift verzonden naar partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
[minderjarige 1] was ten tijde van de aanvraag minderjarig, maar is inmiddels meerderjarig.
Dit staat in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
ECLI:NL:RVS:2024:2145.
ECLI:NL:RBOVE:2024:760.
Zie voetnoot 3.
Zie rechtsoverweging 8.3.
Zie rechtsoverweging 8.7.
Zie rechtsoverweging 8.6.
Zie de vorige voetnoot.
ECLI:NL:RBOT:2023:7333.
Zie pagina 6 van het verslag van het gehoor van 10 juli 2024.
Zie van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.30839 en NL24.50472
Rectificatie (bladzijde 7)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
en haar minderjarige kinderen,
[minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige 2] , V-nummer: [V-nummer] ,
[minderjarige 3] , V-nummer: [V-nummer] ,
en
[minderjarige 4] , V-nummer: [V-nummer] , referente
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R.V. Bekker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor haar en haar minderjarige kinderen voor verblijf bij haar dochter (referente) in Nederland. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat referente niet aan jongvolwassenenbeleid voldoet omdat zij een eigen gezin heeft gevormd en in haar eigen onderhoud voorziet. Eiseres krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een mvv-aanvraag ingediend voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ voor haar en haar minderjarige kinderen. De minister heeft deze aanvraag met de besluiten van 14 februari 2023 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 10 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiseres, mr. S. Berg als gemachtigde van de minister, en G. Ogba-Michael als tolk. De zaak is tijdens deze zitting aangehouden, omdat de minister in zijn verweerschrift een aanvullende motivering heeft opgenomen waarop eiseres voorafgaand aan de zitting niet heeft kunnen reageren. De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om op de aanvullende motivering te reageren, waarna de minister de gelegenheid heeft gekregen om op het standpunt van eiseres te reageren. Daarna heeft op 17 november 2025 een nadere zitting plaatsgevonden. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiseres en mr. R.V. Bekker als gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De besluitvorming van de minister
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1980 en heeft de Eritrese nationaliteit. Zij wenst verblijf in Nederland met haar minderjarige kinderen bij haar dochter, tevens referente in deze procedures. Referente is geboren op [geboortedatum 2] 1999, heeft de Eritrese nationaliteit en beschikt sinds 2021 over een asielstatus in Nederland. De identiteit van referente en eiseres en de familierechtelijke relatie tussen hen is met stukken aangetoond. De familierechtelijke relatie tussen referente en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] – de halfzusjes en het halfbroertje van referente – is niet met stukken aangetoond, maar de minister geeft hen het voordeel van de twijfel.
3.1.
In de bestreden besluiten heeft de minister de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Ten aanzien van referente en eiseres stelt de minister zich op het standpunt dat referente niet onder het jongvolwassenenbeleid valt, omdat zij een zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie. Daarnaast is er volgens de minister geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen, zodat geen beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM wordt aangenomen en geen belangenafweging op grond van dat artikel is gemaakt. Wat betreft de halfzusjes en referente neemt de minister hechte persoonlijke banden aan, maar valt de belangenafweging voor hen in het nadeel uit. Ten aanzien van het halfbroertje en referente neemt de minister geen hechte persoonlijke banden aan, nu zij nooit samen hebben gewoond.
3.2.
In het verweerschrift van 20 juni 2025 heeft de minister een aanvullende motivering gegeven met betrekking tot het niet-toepassen van het jongvolwassenenbeleid. Naast het standpunt dat referente een relatie is aangegaan, benadrukt de minister dat referente niet enkel door haar vluchtsituatie de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te houden, maar dat zij zich zelfstandig en moeiteloos kan handhaven en in haar eigen onderhoud kan voorzien. Daarom is het terecht dat het jongvolwassenenbeleid niet op haar is toegepast. Ten aanzien van de halfzusjes en het halfbroertje van referente blijft de minister bij zijn eerder ingenomen standpunten in de bestreden besluiten.
Jongvolwassenenbeleid
4. In geschil is of de minister heeft kunnen oordelen dat referente niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Dit beleid houdt in dat familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen wordt aangenomen, zonder bijkomende afhankelijkheidsfactoren, als het meerderjarige kind:
- jongvolwassen is;
- met de ouder(s) in gezinsband samenleeft;
- niet in zijn eigen onderhoud voorziet; en
- geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
4.1.
Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 mei 2024 volgt dat deze vier voorwaarden cumulatief zijn. Dat betekent dat als eiseres niet voldoet aan één van deze vier voorwaarden, zij niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. In Werkinstructie (WI) 2020/16 is de toepassing van het jongvolwassenenbeleid door de minister nader uitgewerkt.
Omvang van het geschil
5. Niet in geschil is dat referente jongvolwassene is (het eerste vereiste) en met eiseres in gezinsband samenleeft (het tweede vereiste). Het geschil richt zich op de vraag of referente niet in haar eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd (het derde en vierde vereiste).
Niet in eigen onderhoud voorzien: zelfstandig en moeiteloos handhaven (derde vereiste)
6. De rechtbank begrijpt op basis van de aanvullende motivering in het verweerschrift van 20 juni 2025 en hetgeen de minister daarover op de zitting van 27 juni 2025 nader heeft toegelicht, dat de minister eiseres drie omstandigheden tegenwerpt ter onderbouwing van de conclusie dat referente zich zelfstandig en moeiteloos kan handhaven, namelijk dat referente:
zelf heeft gekozen om van Duitsland naar Nederland te gaan om daar een nieuwe asielprocedure te starten, waardoor zij volgens de minister bewust heeft besloten om voor een langere periode gescheiden te zijn van haar gezin;
na de verlening van haar asielvergunning vijf maanden heeft gewacht tot het indienen van de mvv-aanvraag waardoor zij haar mvv-verzoek niet tijdig heeft ingediend; en
zelfstandig in een studio woont, studeert en stage loopt.
6.1.
Eiseres voert aan dat uit de keuze om van Duitsland naar Nederland te gaan niet blijkt dat referente een stap naar zelfstandigheid heeft gezet, maar dat het gaat om een noodgedwongen stap nu zij een asielstatus in Nederland heeft gekregen. Verder stelt zij dat de verlate opstarting van de mvv-aanvraag niet aan haar te wijten is, nu zij afhankelijk van anderen is geweest. Zij wijst erop dat er snel na de verkrijging van haar asielstatus op 29 juli 2021 contact is gelegd met Vluchtelingenwerk (VWN) over de mogelijkheid tot gezinshereniging. Het opstarten van de procedure kostte tijd, omdat er moest worden uitgezocht of de aanvraag juridisch haalbaar zou zijn. Daarnaast waren er problemen met het verkrijgen van documenten uit Eritrea wegens de weigerachtige houding van de vader van het halfzusje van referente. Bovendien werden er in november en december 2021 covid-maatregelen ingevoerd, waardoor de aanvraag werd vertraagd. Over het studeren, stagelopen en zelfstandig wonen in een studio merkt eiseres op dat dit referente helemaal niet moeiteloos afgaat. Ze wijst op een bericht van haar mentor, een brief van VWN en gegevens over haar psychische problematiek. Daaruit blijkt dat sprake is van verzuim op haar opleiding, dat er bijzondere begeleiding is vanwege het gemis van haar familie en dat ze is doorverwezen naar specialistische hulp. Vanwege capaciteitsproblemen is dat echter nog niet van de grond gekomen.
6.2.
In het nadere verweerschrift van 21 augustus 2025 handhaaft de minister zijn standpunt dat de duur van de scheiding tussen referente en haar gezin deels zelf aan referente te wijten is door de asielprocedure in Duitsland te verlaten. Ten aanzien van de verlate indiening van de mvv-aanvraag verwijst de minister naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 13 februari 2024. De minister benadrukt dat de omstandigheid dat referente zich niet snel zou hebben kunnen melden niet nader is onderbouwd. Er is immers niet aannemelijk gemaakt dat zij geen invloed had op de aanvraagprocedure. Ten slotte stelt de minister dat uit de overgelegde stukken blijkt dat referente wel in staat is geweest zich in te blijven zetten op school en ook heeft kunnen doorstromen naar een hoger niveau, ondanks het gemis van haar familie. Ook blijkt uit de stukken dat referente wil gaan werken om geld te gaan verdienen, waardoor de minister persisteert in zijn standpunt dat eiseres zich zelfstandig en moeiteloos kan handhaven.
6.3.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar overzichtsuitspraak van 29 mei 2024 heeft benadrukt dat de beoordeling of een meerderjarig kind als jongvolwassene kan worden aangemerkt een op het geval toegespitste beoordeling betreft. Hierbij moet de minister specifiek rekening houden met de bijzondere positie van vluchtelingen en subsidiair beschermden die een vluchtachtergrond hebben. De minister kan hiermee rekening houden door omstandigheden die maken dat een meerderjarig kind niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid niet tegen te werpen als die omstandigheden alleen het gevolg zijn van een vluchtsituatie. Dit betekent volgens de Afdeling dat als een meerderjarig kind alleen noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden, dat geen zelfstandig of moeiteloos handhaven is. Ook dient de minister bij zijn beoordeling van het vereiste dat het meerderjarig kind niet in zijn eigen onderhoud voorziet, kenbaar te betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en reden voor het voorzien in eigen onderhoud, ook als dit niet een vluchtgerelateerde omstandigheid is.
6.4.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat referente zich zelfstandig en zonder moeite in Nederland kan handhaven én in haar eigen levensonderhoud voorziet. De rechtbank overweegt ten eerste dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat referente, met haar keuze om van Duitsland naar Nederland te gaan, bewust en vrijwillig ervoor heeft gekozen om een langere periode van haar familie gescheiden te zijn. Referente stelt terecht dat deze keuze voortvloeit uit haar vluchtachtergrond en de onmogelijkheid tot terugkeer naar Eritrea. De minister heeft ook niet toegelicht welk perspectief eiseres in Duitsland op gezinshereniging had, en op welke termijn, en hoe dit perspectief is veranderd door haar vertrek naar Nederland. De rechtbank overweegt verder dat, hoewel referente sinds 2023 zelfstandig in een studio woont en daarnaast een opleiding volgt en stage loopt, uit de overgelegde medische stukken en verklaringen van onder andere haar mentor en VWN blijkt dat referente worstelt met gevoelens van stress, angst en eenzaamheid als gevolg van het gemis van haar familie. Ze slaapt slecht, heeft concentratieproblemen en is regelmatig afwezig op school. Referente heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat zij, eiseres en haar halfzusjes en halfbroertje dagelijks contact hebben en elkaar erg missen. Voor haar psychologische problemen is zij doorverwezen, zoals ook op de zitting van 17 november 2025 is besproken. De minister heeft onvoldoende uitgelegd hoe hij, ondanks deze omstandigheden, toch concludeert dat eiseres zich moeiteloos kan handhaven. Voorts kan de rechtbank de stelling van de minister dat referente wil gaan werken en geld verdienen en daardoor in haar eigen onderhoud voorziet niet volgen, nu de minister gelet op de Afdelingsuitspraak van 29 mei 2024 heeft nagelaten kenbaar te maken wat de aanleiding hiervoor is. Uit het dossier volgt immers dat ze geld wil verdienen om vervolgens naar eiseres op te sturen, waarmee dus niet kan worden gezegd dat referente niet meer afhankelijk is van eiseres. Onder deze omstandigheden, die het gevolg zijn van een gedwongen vluchtsituatie, komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat referente niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet omdat zij in haar eigen onderhoud voorziet. Met betrekking tot de omstandigheid dat eiseres niet eerder dan na vijf maanden na verlening van haar asielstatus een mvv-aanvraag heeft ingediend overweegt de rechtbank het volgende. De minister heeft eiseres mogen tegenwerpen dat zij de aanvraag pas na vijf maanden heeft ingediend; de redenen die eiseres hiervoor heeft aangevoerd zijn door haar niet onderbouwd. Echter, dit relatief beperkte tijdsverloop is zonder nadere motivering onvoldoende om daaruit af te leiden dat referente zich zelfstandig en moeiteloos kan handhaven. De verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Zwolle maakt dit niet anders, nu betrokkene in die zaak anderhalf jaar heeft gewacht voor het indienen van een mvv-aanvraag.
Geen zelfstandig gezin heeft gevormd: relatie (vierde vereiste)
7. Eiseres stelt verder dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat referente niet meer tot het gezin van haar moeder of dat haar relatie destijds een stap naar zelfstandigheid was. Volgens eiseres is onvoldoende gekeken naar de aard en intensiteit van de relatie, terwijl deze niet serieus was: er waren geen toekomstplannen, geen verliefdheid en geen samenwoning. Door dit niet mee te wegen in zijn beoordeling, heeft de minister volgens eiseres een onjuist toetsingskader toegepast. In dit kader betoogt eiseres ook dat de minister onterecht tegenwerpt dat referente op 16-jarige leeftijd is gevlucht zonder dat vooraf met haar moeder te bespreken. Er was namelijk noodzaak om weg te gaan, welke is bevestigd door gegeven dat referente asiel in Nederland heeft gekregen. Uit het vertrek blijkt daarom niet dat referente zich wilde losmaken van het gezin. In de nadere reactie van eiseres van 16 juli 2025 op de aanvullende motivering van het verweerschrift wijst eiseres erop dat zij geen jurisprudentie kent waarin het starten van een (eerste) relatie als een stap naar zelfstandig wordt gezien. Een relatie kan juist een contra-indicatie zijn, behalve verloving of een aanstaand huwelijk, zoals ook blijkt uit de Afdelingsuitspraak van 29 mei 2024.
7.1.
In het nadere verweerschrift van 21 augustus 2025 als reactie op de aanvullende gronden van 16 juli 2025 persisteert de minister in zijn standpunt dat eiseres een serieuze relatie is aangegaan, wat overeenkomstig WI 2020/16 en de Afdelingsuitspraak van 29 mei 2024 is beoordeeld. Van een onjuist toetsingskader is volgens hem dan ook geen sprake. Ter onderbouwing hiervan verwijst de minister naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 14 augustus 2023, waaruit volgens hem blijkt dat hij een serieuze relatie mee mag wegen in zijn beoordeling, ook al is er geen sprake van een verloving of een aanstaand huwelijk.
7.2.
De rechtbank overweegt dat uit de Afdelingsuitspraak van 29 mei 2024 volgt dat bij de beoordeling van de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid altijd alle relevante feiten en omstandigheden moeten worden meegewogen. In dit verband wordt in WI 2020/16 benadrukt dat onder andere de aard, de duur en de intensiteit van de relatie een belangrijke rol spelen.
7.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat eiseres een eigen gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie. Uit het dossier blijkt dat referente in 2020, tijdens haar asielprocedure, een relatie is aangegaan met een man. Deze relatie was op het moment van de bestreden besluiten al vier jaar geëindigd. Tijdens de hoorzitting op 10 juli 2024 heeft referente verklaard dat deze relatie niet serieus was, geen toekomstperspectief bood, en dat zij niet verliefd was. Er waren geen gezamenlijke toekomstplannen, zij hebben nooit samengewoond en hadden ook geen concrete plannen om dat te doen. De relatie werd verder gekenmerkt door veel ruzie, onder meer vanwege het leeftijdsverschil, waarna referente de relatie heeft beëindigd vanwege uiteenlopende levensplannen. De minister heeft uitsluitend gesteld dat er vanwege het feit dat er een relatie tussen twee volwassen personen was, sprake was van een serieuze relatie. Dit is echter onvoldoende, nu hieruit niet blijkt op welke manier de minister rekening heeft gehouden met de aard, de duur en de intensiteit van de relatie zoals volgt uit de verklaringen van referente. De stelling van de minister dat het vertrek van referente zonder toestemming van eiseres getuigt van volwassenheid en een wens tot losmaking van haar gezin, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat haar vertrek voortkwam uit noodzaak, wat ook blijkt uit de toekenning van haar asielstatus in Nederland. Het feit dat zij zonder medeweten van haar gezin is vertrokken, betekent niet automatisch dat zij zich daadwerkelijk van haar gezin wilde losmaken, en zegt verder niets over de aard van de relatie die zij vervolgens is aangegaan. In zoverre heeft eiseres zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de minister het relevante toetsingskader onjuist heeft toegepast door niet in te gaan op alle feiten en omstandigheden, terwijl dit volgens de jurisprudentie van de Afdeling en de WI wel vereist is. In dat licht kan de rechtbank de verwijzing van de minister naar de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam ook niet volgen. In die zaak kwam de rechtbank tot de conclusie dat een serieuze relatie meegenomen mag worden in de beoordeling, maar in onderhavige zaak heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de relatie van eiseres zodanig was dat daaruit blijkt dat zij een zelfstandig gezin heeft gevormd. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie jongvolwassenenbeleid
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat referente niet aan jongvolwassenenbeleid voldoet omdat zij in haar eigen onderhoud voorziet en een eigen gezin heeft gevormd. De minister heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd waarom volgens hem geen sprake is van gezinsleven tussen referente en eiseres. Dat betekent dat het beroep in NL24.50472 gegrond is en dat de minister met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beoordeling moet maken.
8.1.
Nu de rechtbank het beroep in NL24.50472 gegrond verklaart, volgt de rechtbank eiseres in haar stelling dat dit doorwerkt in het beroep ten aanzien van de halfzusjes en halfbroertje van referente in NL24.30839. De minister heeft in de belangenafweging ten aanzien van hen immers overwogen dat zij tot het kerngezin van eiseres behoren en dat het in hun belang is om mee te gaan met eiseres. Dat betekent dat het beroep in NL24.30839 ook gegrond is en de minister voor hen een nieuwe beoordeling moet maken.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten van 10 juli 2024. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van 6 weken.
9.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).
9.2.
Ook draagt de rechtbank de minister op om het betaalde bedrag aan griffierecht van € 374,- aan eiseres te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 10 juli 2024;
- draagt de minister op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres; en
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 374,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
De griffier De rechter
Afschrift verzonden naar partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
[minderjarige 1] was ten tijde van de aanvraag minderjarig, maar is inmiddels meerderjarig.
Dit staat in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
ECLI:NL:RVS:2024:2145.
ECLI:NL:RBOVE:2024:760.
Zie voetnoot 3.
Zie rechtsoverweging 8.3.
Zie rechtsoverweging 8.7.
Zie rechtsoverweging 8.6.
Zie de vorige voetnoot.
ECLI:NL:RBOT:2023:7333.
Zie pagina 6 van het verslag van het gehoor van 10 juli 2024.
Zie van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).