Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:16453

2026-06-18 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL23.8591
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-18
Publicatiedatum
2026-06-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL23.8591
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel ingangsdatum vergunning – partijen zijn het inmiddels eens dat in het inwilligende besluit een onjuiste datum als ingangsdatum van de verblijfsvergunning is bepaald – verweerder verzoekt de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien en de juiste ingangsdatum te bepalen en tevens te bepalen dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het bestreden besluit. De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak overwogen dat het verweerder, net als eiser overigens, te allen tijde vrijstaat om de rechtbank te verzoeken om het geschil finaal te beslechten en dat de rechtbank dan ook vanzelfsprekend bereid zal zijn om zo mogelijk te bemiddelen tussen partijen en daar indien nodig meer tijd voor uit te trekken. De rechtbank heeft het beroep wel ter zitting behandeld om zich ervan te kunnen vergewissen dat partijen het eens zijn over de omvang van het geding. De rechtbank heeft het ook noodzakelijk geacht zich nader te vergewissen van de gevolgen van het zelf voorzien in deze zaak en om na te gaan dat partijen het daar ook over eens zijn. Beroep gegrond, de rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.198 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Roermond



Bestuursrecht



zaaknummer: NL23.8591


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1998, Syrische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).




Procesverloop


Eiser heeft op 3 september 2022 een verzoek om internationale bescherming ingediend.



Verweerder heeft bij besluit van 6 juni 2023 de asielaanvraag van eiser ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw en bepaald dat de vergunning wordt verleend met ingang van 3 september 2022 en geldig tot 3 september 2027.



Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.



Verweerder heeft op 11 februari 2025 een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Beide gemachtigden zijn verschenen.




Overwegingen

1. Eiser heeft de Syrische nationaliteit. Verweerder heeft aan eiser een subsidiairebeschermingsstatus verleend. Eiser heeft beroep tegen het inwilligende besluit ingesteld omdat hij het niet eens is met de ingangsdatum van de verleende vergunning. Eiser heeft in zijn gronden verwezen naar rechtspraak van het Hof en de Afdeling.

2. In het verweerschrift heeft verweerder zich min of meer op het standpunt gesteld zich niet goed te kunnen vinden in de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:159) voor zover de Afdeling in rechtsoverweging 3.2 tot de conclusie komt dat artikel 44, tweede lid, van de Vw aldus moet worden uitgelegd, dat de aanvraag geldt als ontvangen op het moment dat een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. In het verweerschrift heeft verweerder hier onder meer het navolgende over vermeld:

(…)
Alhoewel voor de voorliggende zaak wellicht niet direct van belang, wil verweerder niet nalaten er op te wijzen dat deze uitspraak in de uitvoeringspraktijk kan leiden tot (verdere) discussies omtrent de ingangsdatum van verblijfsvergunningen, aangezien anders dan het geval met het formulier M35-H niet in alle omstandigheden aanstonds duidelijk zal zijn
waar en wanneer daadwerkelijk een asielwens is geuit.
(…)


3. In het verweerschrift is voorts het navolgende vermeld:

(…)
In de voorliggende zaak blijkt uit de loopbrief dat eiser op 1 augustus 2022 ten overstaan van het personeel van de Immigratie- en Naturalisatiedienst een asielwens heeft geuit. Daarmee dient die datum te gelden als de ingangsdatum van de verleende vergunning. Om proceseconomische redenen en uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting verzoekt verweerder uw rechtbank om, evenals de Afdeling heeft gedaan, zelf in de zaak te voorzien door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 1 augustus 2022, en te bepalen dat uw uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb).
(…)


4. De rechtbank is gehouden elk geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten. Indien partijen de rechtbank verzoeken om dit te doen door zelf te voorzien, is de rechtbank hiertoe, indien de zaak zich daarvoor leent, vanzelfsprekend bereid. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:2949). In deze uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat “het verweerder, net als eiser overigens, te allen tijde vrijstaat om de rechtbank te verzoeken om het geschil finaal te beslechten en dat de rechtbank dan ook vanzelfsprekend bereid zal zijn om zo mogelijk te bemiddelen tussen partijen en daar indien nodig meer tijd voor uit te trekken.”.

5. De rechtbank heeft partijen uitgenodigd om ter zitting te verschijnen zodat de rechtbank zich ervan kan vergewissen dat partijen het eens zijn over de omvang van het geding. Dit blijkt het geval. Dat partijen het eens zijn over de gewenste uitkomst van het geding, laat onverlet dat de rechtbank ook zelf een oordeel moet vormen over de gegrondheid van het beroep. De rechtbank is het in de onderhavige procedure eens met partijen dat de ingangsdatum van de verleende vergunning moet worden bepaald op 1 augustus 2022 en zal dit ook zo vaststellen.

6. De rechtbank heeft het ook noodzakelijk geacht zich nader te vergewissen van de gevolgen van het zelf voorzien in deze zaak en om na te gaan of partijen het daar ook over eens zijn. De rechtbank heeft in dit verband met partijen onder meer de geldigheidsduur van de verleende vergunning en de rechten die aan deze vergunning door eiser kunnen worden verleend besproken. Partijen zijn het ook eens over de gevolgen die het vaststellen van een andere ingangsdatum van de reeds verleende vergunning heeft.

7. De rechtbank willigt het verzoek van verweerder in om zelf te voorzien in deze procedure en om de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning vast te stellen op 1 augustus 2022. De rechtbank zal ook voldoen aan het verzoek van verweerder om te bepalen dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het inwilligende besluit op de asielaanvraag van eiser.

8. In het verweerschrift heeft verweerder verzocht om gelet op de omstandigheid dat eiser in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en alleen wordt geprocedeerd over de ingangsdatum daarvan, bij de proceskostenveroordeling de wegingsfactor zeer licht (0,25) toe te passen. De rechtbank heeft reeds ter zitting aangegeven hiertoe geen aanleiding te zien. Daargelaten dat eiser zijn beroep uitgebreid heeft gemotiveerd onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, had verweerder, hoewel het verweerder altijd vrij staat om de rechtbank te verzoeken om zelf te voorzien, er ook voor kunnen kiezen om eenvoudigweg het bestreden besluit in te trekken en gelijktijdig een nieuw besluit te nemen en aan eiser de subsidiairebeschermingsstatus en bijbehorende vergunning met ingangsdatum 1 augustus 2022 te verlenen. Eiser heeft dus zijn beroepsschrift van gronden moeten voorzien en is ook ter zitting verschenen. De rechtbank zal een proceskostenveroordeling uitspreken en daarbij de standaardmatig toegekende punten, zwaarte en bedragen hanteren.

9. Beslist wordt als volgt.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 juni 2023, voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is vastgesteld op 3 september 2022;
- stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 1 augustus 2022;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 6 juni 2023, voor zover dit besluit is vernietigd;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 juni 2026.





Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.