Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16402
2026-06-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.33510
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Spoedvovo, bezwaar tegen feitelijke uitzetting naar Kroatië, spoedeisend belang, vovo toegewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14904 Rechtbank Den Haag 03-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.991 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33510
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 3 juni 2026 door deze rechtbank en zittingsplaats kennelijk ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Bij kennisgeving van 9 juni 2026 is verzoeker medegedeeld dat hij op 17 juni 2026 zal worden overgedragen aan Kroatië. Verzoeker heeft bezwaar ingediend tegen dat besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Verzoeker vraagt het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen zodat de overdracht naar Kroatië achterwege zal blijven en hij de behandeling van zijn bezwaarschrift in Nederland kan afwachten. Hierbij heeft verzoeker aangevoerd dat hij zowel psychische als lichamelijke klachten heeft en op 18 juni 2026 een operatie ondergaat.
3. Op het door verzoeker ingediende bezwaar is nog niet beslist. Bij kennisgeving van 9 juni 2026 is verzoeker medegedeeld dat hij op 17 juni 2026 om 14:35 uur op grond van de Dublinverordening zal worden overgedragen aan Kroatië. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een spoedeisend belang.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn verzet aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen aan Kroatië. De uiterste overdrachtstermijn wordt ten gevolge van deze uitspraak opgeschort.
5. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgelegd op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië zolang niet op het bewaarschrift is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 16 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2026:14904.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33510
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 3 juni 2026 door deze rechtbank en zittingsplaats kennelijk ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Bij kennisgeving van 9 juni 2026 is verzoeker medegedeeld dat hij op 17 juni 2026 zal worden overgedragen aan Kroatië. Verzoeker heeft bezwaar ingediend tegen dat besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Verzoeker vraagt het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen zodat de overdracht naar Kroatië achterwege zal blijven en hij de behandeling van zijn bezwaarschrift in Nederland kan afwachten. Hierbij heeft verzoeker aangevoerd dat hij zowel psychische als lichamelijke klachten heeft en op 18 juni 2026 een operatie ondergaat.
3. Op het door verzoeker ingediende bezwaar is nog niet beslist. Bij kennisgeving van 9 juni 2026 is verzoeker medegedeeld dat hij op 17 juni 2026 om 14:35 uur op grond van de Dublinverordening zal worden overgedragen aan Kroatië. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een spoedeisend belang.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn verzet aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen aan Kroatië. De uiterste overdrachtstermijn wordt ten gevolge van deze uitspraak opgeschort.
5. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgelegd op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië zolang niet op het bewaarschrift is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 16 juni 2026 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2026:14904.
Verordening (EU) nr. 604/2013.