Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:16236

2026-03-04 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.18677
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-04
Publicatiedatum
2026-06-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL24.18677
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Enkel nog in geding is of tussen eiser en referent sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat referent gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Verweerder heeft kunnen stellen dat tot 26 oktober 2023 het zwaartepunt in de zorg altijd bij de biologische moeder heeft gelegen. Bij de beoordeling van de periode vanaf 23 oktober 2026 heeft verweerder echter de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden voor die periode betrokken. Zonder nadere motivering valt niet zonder meer in te zien waarom in dit geval een periode van vijf maanden, mede in samenhang bezien met het feit dat eiser sinds 25 juni 2012 gezag heeft over zijn zoon en dat zij ook tot 26 oktober 2023 in de periode waarin eiser in België verbleef contact hebben onderhouden, niet lang genoeg zou zijn om van duurzaam samenwonen te spreken. Beroep gegrond

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (32.418 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL24.18677


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] (alias [naam 2] ), eiser,


[V-nummer] ,
gemachtigde: mr. D. Schaap



en




de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar.





Procesverloop


Bij besluit van 4 september 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen, de aanvraag ambtshalve aangemerkt als een verzoek om opheffing van het aan eiser opgelegde inreisverbod en dit verzoek afgewezen.



Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



Bij uitspraak van 7 maart 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:2930, heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en de voorlopige voorziening getroffen dat verweerder wordt verboden eiser uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.



Bij besluit van 3 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de tolk D.A. Ochieng en de gemachtigde van verweerder. Ook is de vriendin van eiser verschenen.







Overwegingen



Inleiding



1.1.
Eiser stelt Oluwafunmiso Samuel Fajugbagbe te zijn, geboren op [geboortedatum 1] en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.



1.2.
Eerder heeft eiser onder de naam [naam 2] een verblijfsvergunning gehad in Nederland vanaf 21 maart 2007. Deze verblijfsvergunning is bij besluit 22 juni 2012 ingetrokken in verband met strafrechtelijke veroordelingen wegens betrokkenheid bij vermogensdelicten. Daarbij is ook een inreisverbod van vijf jaar uitgevaardigd. Dit inreisverbod is bij besluit van 3 november 2022 omgezet naar een inreisverbod voor de duur van tien jaar. Ten aanzien van deze omzetting loopt nog een hoger beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Na oplegging van dit inreisverbod heeft eiser een asielprocedure doorlopen.



1.3.
In deze zaak staat de aanvraag tot de afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vw 2000 ter beoordeling. Met deze aanvraag beoogt eiser verblijf bij zijn minderjarige zoon, [naam 3] , die geboren is op [geboortedatum 2] en in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit (referent). Daarbij heeft hij een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354 (arrest Chavez-Vilchez).



De besluitvorming


2. Met het primaire besluit heeft verweerder de Chavez-aanvraag afgewezen. Volgens verweerder heeft eiser vóór zijn inbewaringstelling op geen enkele manier aangegeven aanspraken te ontlenen aan het Unierecht terwijl hem daartoe wel de gelegenheid is geboden. Nu eiser dit pas heeft aangegeven nadat hij vanuit zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring is gegaan, gaat verweerder ervan uit dat hij een dergelijk familielid verzint. Daarnaast heeft hij ook bij deze aanvraag slechts marginaal bewijs overgelegd dat hij een verzorgende ouder is van een minderjarige Nederlands kind. Dit duidt erop dat eiser de procedure misbruikt opdat hij niet in vreemdelingenbewaring ten behoeve van uitzetting wordt gezet na afronding van zijn strafrechtelijke detentie. Er is dan ook sprake van rechtsmisbruik en fraude als bedoeld in artikel 35 van richtlijn 2004/38/EG en artikel 8.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij de ouder is van referent, daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken ten behoeve van referent verricht of dat er tussen hem en referent een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat referent gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiser voldoet aldus niet aan voorwaarden b, c en d. als neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 oud (Vc 2000 oud) en heeft daarom volgens verweerder geen van referent afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Unie (VWEU), in samenhang bezien met het arrest Chavez-Vilchez. De afwijzing van de aanvraag is ook niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Reeds omdat nog steeds niet is gebleken dat er tussen een eiser en referent een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat referent gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd komt aan eiser geen afgeleid verblijfsrecht als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez toe. De op grond van artikel 8 van het EVRM gemaakte belangenafweging valt nog steeds in het nadeel van eiser uit. Volgens verweerder is het gezins- en privéleven van eiser in Nederland niet van dien aard dat het weigeren van een verblijfsvergunning in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM.



Procesbelang


4. Verweerder heeft in zijn verweerschrift meegedeeld dat uit een tweetal meldingen blijkt dat eiser op 13 januari 2025 en 23 november 2025 buiten Nederland is aangetroffen en de vraag opgeworpen of eiser gelet daarop nog wel procesbelang heeft.

5. Gelet op de door de gemachtigde van eiser ingediende schriftelijke reactie en op zitting gegeven mondelinge toelichting in combinatie met het feit dat eiser ter zitting is verschenen, heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat de vraag of sprake is van procesbelang niet meer aan de orde is. Niet langer is dus in geschil dat eiser procesbelang heeft. De rechtbank acht het beroep daarom ontvankelijk.



Te laat ingediende stukken


6. Eiser heeft op 12 januari 2026 een beschikking van rechtbank Rotterdam van 22 juli 2024, een gedragswetenschappelijke rapportage van 7 februari 2025 en een uittreksel van een huwelijksakte van 26 maart 2025 overgelegd. De gemachtigde van verweerder heeft op zitting bezwaar gemaakt tegen de toelating van deze stukken.



7.1.
Artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Dit voorschrift beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Binnen tien dagen voor de zitting ingediende stukken kunnen toch worden toegelaten als de goede procesorde zich daartegen niet verzet.



7.2.
De rechtbank stelt voorop dat de beschikking van rechtbank Rotterdam van 22 juli 2024 en de gedragswetenschappelijke rapportage van 7 februari 2025 kunnen worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van omstandigheden die zich voordeden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit omdat deze zien op de situatie zoals die zich op dat moment al voordeed. Naar het oordeel van de rechtbank is de toelating van deze stukken niet in strijd is met een goede procesorde. Hoewel verweerder korter de tijd heeft gehad om kennis te nemen te nemen van de inhoud van deze stukken, is niet gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. Deze stukken zijn niet zeer omvangrijk en/of ingewikkeld. Daarnaast is de gemachtigde van verweerder op zitting in de gelegenheid gesteld om inhoudelijk te reageren op deze stukken en heeft hij hier ook op gereageerd. Dit betekent dat de rechtbank deze stukken bij de beoordeling zal betrekken. Het uittreksel van de huwelijksakte zal buiten de beoordeling worden gelaten, nu dit stuk ziet op feiten en omstandigheden van na dit besluit.



Inhoudelijke beoordeling bestreden besluit

8. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiser daartegen heeft aangevoerd.




Juridisch kader





8.1.
Uit het arrest Chavez-Vilchez vloeit voort dat een ouder die onderdaan is van een derde land een van zijn minderjarig kind, dat Unieburger is, afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU heeft, indien weigering van een verblijfsrecht aan die ouder tot gevolg heeft dat het kind gedwongen zal zijn die ouder te volgen naar een derde land en daarmee het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.



8.2.
Het Hof heeft in het arrest van 5 mei 2022 in de zaak XU en QP, ECLI:EU:C:2022:354 geoordeeld dat bij de beoordeling of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen een ouder-derdelander en een minderjarige Unieburger die grond oplevert voor de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 20 VWEU aan die ouder, in het belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beschouwing moeten worden betrokken (r.o. 67). Voorts heeft het Hof geoordeeld dat wanneer de minderjarige Unieburger duurzaam samenwoont met zijn twee ouders en het gezag over dit kind en de wettelijke, affectieve en financiële last van dit kind dus dagelijks door deze twee ouders worden gedeeld, op weerlegbare wijze wordt vermoed dat er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen deze minderjarige Unieburger en zijn ouder, die derdelander is, ongeacht het feit dat de andere ouder van dit kind als onderdaan van de lidstaat op het grondgebied waarvan dit gezin is gevestigd, beschikt over een onvoorwaardelijk recht om op het grondgebied van deze lidstaat te verblijven (r.o. 69).



8.3.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344 overwogen dat zij deze overwegingen van het Hof aldus begrijpt dat verweerder, in het geval beide ouders met het gezag zijn belast, moet uitgaan van de veronderstelling dat zij bij duurzame samenwoning dat gezag ook daadwerkelijk samen uitoefenen en de wettelijke, affectieve en financiële lasten van de minderjarige Unieburger ook dagelijks samen dragen. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld dat de vereisten van zorg- en opvoedingstaken en de afhankelijkheidsverhouding niet als zelfstandige, cumulatieve vereisten mogen worden toegepast. De afhankelijkheidsverhouding vormt de grondslag voor het ontstaan van een afgeleid verblijfsrecht. Dat neemt echter niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet voorstelbaar is als een betrokkene niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding.



8.4.

Het weerlegbaar rechtsvermoeden bij samenwonen is opgenomen in het Informatiebericht 2023/31 ‘Richtsnoeren inhoudelijke toetsing naar aanleiding van arrest Chavez-Vilchez’ (IB 2023/31), op pagina 7. Hierin is vermeld dat bij duurzame samenwoning in beginsel moet worden aangenomen dat aan de d-grond van B10/2.2 van de Vc 2000 is voldaan. Dit rechtsvermoeden geldt niet als de ouder geen wettelijke en/of financiële verantwoordelijkheid draagt voor het kind. Het rechtsvermoeden dat bij samenwoning is voldaan aan de d-grond kan worden weerlegd. Hierbij kunnen bijvoorbeeld de volgende omstandigheden worden meegewogen:
• De ouder en het derdelands kind wonen nog maar heel kort samen; en/of
• De ouder en het kind wonen weliswaar samen, maar de ouder speelt geen rol van
betekenis in de verzorging en opvoeding van het kind.




8.5.
Vooruitlopend op de beleidswijzing in paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 zijn de gevolgen van de Afdelingsuitspraak van 22 juli 2025 voor de beslispraktijk in het Informatiebericht 2025/39 (IB 2025/39) uiteengezet. Met inwerkingtreding op 1 januari 2026 van WBV 2025/23 (Stct. 2025, 40257) heeft verweerder het beleid in paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000 naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak van 22 juli 2025 aangepast. Deze beleidswijzigingen zijn, voor zover hier van belang, opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.



Welke tegenwerping(en) is/zijn gehandhaafd?





8.6.
In het verweerschrift is vermeld dat verweerder niet langer tegenwerpt dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser de vader is van referent (voorwaarde b) en ten behoeve van referent zorg- en opvoedtaken verricht (voorwaarde c). De in dit kader aangevoerde beroepsgronden behoeven derhalve geen bespreking.



8.7.
In het verweerschrift is vermeld dat de afwijzing uitsluitend is gebaseerd op het oordeel dat niet is voldaan aan voorwaarde d. Gelet hierop kan ervan worden uitgegaan dat verweerder de afwijzingsgrond dat sprake is van rechtsmisbruik en fraude niet langer handhaaft. Eiser heeft in bezwaar een DNA-uitslag van Verilabs overgelegd. Hieruit blijkt dat het 99,99% zeker is dat eiser de biologische vader is van referent. In beroep heeft eiser een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2024 overgelegd. Hieruit volgt dat het verzoek van de biologische moeder van referent tot naamsverbetering door de kinderrechter is toegewezen. De kinderrechter heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam gelast om de op de ‘latere vermelding betreffende erkenning’ vermelde gegevens van de erkenner te wijzigen in “ [naam 2] , geboren op [geboortedatum 1] ”. Deze persoonsgegevens zien op eiser. Gelet hierop kan niet anders geoordeeld worden dat eiser de biologische en juridische vader van referent is. Verweerder heeft op zitting evenmin langer weersproken dat sprake is van gezamenlijk gezag. Gelet op het voorgaande kan reeds daarom van rechtsmisbruik of fraude geen sprake zijn.



Is er sprake van een afhankelijkheidsverhouding?





8.8.
Enkel nog in geding is of tussen eiser en referent sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat referent gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Daarbij staat de vraag centraal of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser geen weerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in het arrest XU en QP bestaat. Zoals onder het juridisch kader uiteen is gezet wordt, indien de minderjarige Unieburger duurzaam samenwoont met zijn twee ouders en het gezag over dit kind en de wettelijke, affectieve en financiële last van dit kind dus dagelijks door deze twee ouders worden gedeeld, op weerlegbare wijze vermoed dat er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding. Dit vermoeden kan worden weerlegd door bijvoorbeeld de omstandigheid dat de ouder en het kind nog maar heel kort samenwonen.


8.8.1.

Vast staat dat referent sinds zijn geboorte altijd bij zijn biologische moeder heeft gewoond. In de periodes van 28 december 2011 tot en met 27 februari 2013 en 7 juni 2017 tot en met 4 september 2023 heeft eiser in strafdetentie gezeten en aansluitend daarop tot en met 26 oktober 2023 in vreemdelingenbewaring. Eiser en referent onderhielden in deze periodes telefonisch contact. Verder staat vast dat eiser in de tussenliggende periode van invrijheidstelling een verblijfsrecht had bij een andere partner in België. Eiser stelt dat referent in deze periode regelmatig bij hem en zijn toenmalige partner in België verbleef. Uit de in bezwaar overgelegde verklaring van de voormalige partner in België van
8 september 2023 volgt dat zij en eiser jarenlang hebben samengewoond en dat referent hen op regelmatige basis (elk weekend) bezocht en bij hen verbleef gedurende schoolvakanties. Verweerder heeft zich echter naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat tot 26 oktober 2023 het zwaartepunt in de zorg altijd bij de biologische moeder heeft gelegen.




8.8.2.
Verweerder heeft in dit verband enkel de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden vóór 26 oktober 2023 betrokken. Dit terwijl in het bestreden besluit is vermeld dat uit informatie van de Basisregistratie personen blijkt dat eiser zich met ingang van 17 september 2023 heeft ingeschreven op het adres van de biologische moeder, zijn huidige partner, en zijn zoon. Niet is gemotiveerd waarom vanaf die datum geen sprake is van duurzame samenwoning. In het verweerschrift zijn vraagtekens geplaatst bij de vraag of eiser nog wel in Nederland woonde, aangezien hij op 23 november 2025 in Frankrijk en op 13 januari 2025 in Duitsland is aangetroffen. Ter zitting is toegelicht en niet weersproken door verweerder dat eiser op deze data met de biologische moeder en zijn zoon was. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verder nog opgemerkt dat er vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de ingangsdatum van inschrijving van eiser op het adres van de biologische moeder en zijn zoon op 17 september 2023, nu eiser op dat moment nog in vreemdelingenbewaring verbleef. In reactie daarop heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat eiser ten tijde van de inschrijving nog in vreemdelingenbewaring verbleef, maar hij direct na zijn invrijheidstelling op 26 oktober 2023 naar de gemeente is gegaan en de gemeente kennelijk voor de ingangsdatum van 17 september 2023 heeft gekozen. Dit is niet weersproken door verweerder. Gelet hierop dient ervan te worden uitgegaan dat eiser vanaf 26 oktober 2023, en dus tot aan het bestreden besluit ruim vijf maanden, samenwoont met de biologische moeder en zijn zoon. De gemachtigde van verweerder heeft het standpunt ingenomen dat in dit geval geen sprake is van duurzame samenwoning. Zonder nadere motivering valt echter niet zonder meer in te zien waarom in dit geval een periode van vijf maanden, mede in samenhang bezien met het feit dat eiser sinds 25 juni 2012 gezag heeft over zijn zoon en dat zij ook tot 26 oktober 2023 in de periode waarin eiser in België verbleef contact hebben onderhouden, niet lang genoeg zou zijn om van duurzaam samenwonen te spreken. Daarbij dient eveneens in aanmerking te worden genomen dat uit de onderzoekrapportage ‘Best Interest of the Child-assessement’ van 7 februari 2025 volgt dat eiser sinds zijn invrijheidstelling dagelijks en actief betrokken is bij de opvoeding en verzorging van zijn zoon, dat hij een positieve bijdrage heeft in het gezin en dat tussen hen een hechtingsrelatie bestaat. Verweerder heeft dit ter zitting niet weersproken. Bij deze stand van zaken heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat vanaf 26 oktober 2023 geen sprake is van duurzaam samenwonen.



Conclusie


9. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten, gelet op de aard en omvang van de gebreken. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om op basis van alle bekende omstandigheden te beoordelen en motiveren of eiser een verblijfsrecht ontleent aan zijn zoon op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Meer specifiek zal verweerder moeten betrekken hetgeen onder 8.8.2. is overwogen, dat eiser, zijn partner en tevens de biologische moeder van zijn zoon en zijn zoon vanaf 26 oktober 2023 tot aan het bestreden besluit, ongeveer vijf maanden, en tot de zitting, ongeveer twee jaar en drie maanden, onafgebroken in gezinsband hebben samengewoond, dat eiser sinds 25 juni 2012 gezag heeft over zijn zoon, dat zij tot 26 oktober 2023 in de periode waarin eiser in België verbleef contact hebben onderhouden en eveneens dienen de resultaten uit de onderzoekrapportage ‘Best Interest of the Child-assessement’ van 7 februari 2025 in aanmerking te worden genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat, gelet op de aard van de gebreken en de wijze waarop die moeten worden hersteld, niet valt in te zien dat eiser op die manier eerder uitsluitsel krijgt in de zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.



Redelijke termijn


10. Eiser heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.




10.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) volgt dat de redelijke termijn over binnenkomst, verblijf en uitzetting van vreemdelingen in twee instanties in beginsel twee jaar bedraagt. Die termijn bestaat uit de samengenomen termijnen van een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar, of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.



10.2.
In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 13 september 2023, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen. Twee jaar daarna, op 13 september 2025 is de redelijke termijn verstreken. Inmiddels is de redelijke termijn dus afgerond zes maanden overschreden. Niet is gebleken van factoren die aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten. Eiser heeft recht op een schadevergoeding van in totaal € 500,-.



10.3.
De termijnoverschrijding is gedeeltelijk aan verweerder en gedeeltelijk aan de rechtbank te wijten. De bezwaarprocedure heeft geduurd vanaf 13 september 2023 tot 29 april 2024. De overschrijding aan de zijde van verweerder bedraagt dan ook afgerond twee maanden. De beroepsprocedure heeft geduurd vanaf 29 april 2024 tot 12 februari 2026. De overschrijding aan de zijde van de rechtbank bedraagt dan ook afgerond vier maanden. Het totale bedrag van € 500,- zal voor 2/6 (= € 167,-) worden toegerekend aan verweerder en voor 4/6 (= € 333,-) aan de rechtbank.



Proceskosten en griffierecht


11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, en veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Ook zal de rechtbank eiser een vergoeding toekennen voor de door hem gemaakte proceskosten voor het verzoek om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan de rechtbank is toe te rekenen, moeten verweerder en de Staat ieder de helft van de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding.






Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;


veroordeelt verweerder tot betaling van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 167,-;


veroordeelt de Staat der Nederlanden tot een betaling van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 333,-;


veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.101,50 (€ 1.868,- plus € 233,50) aan proceskosten aan eiser;


veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten die eisers voor het schadevergoedingsverzoek hebben gemaakt van € 233,50.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.






Bijlage – wettelijk kader



Vreemdelingenwet 2000

Artikel 8, aanhef en onder e, luidt:
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;



Artikel 9, eerste lid, luidt:
Onze Minister verschaft aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met d, f tot en met h en j tot en met m, en aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, sub 2°, 4° en 6°, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.




Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf B10/2.2 oud luidt:
Een vreemdeling heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw 2000 als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:


a. de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding of een geldige identiteitskaart. Als de vreemdeling hieraan niet kan voldoen, moet hij zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aantonen met andere middelen;
b. de vreemdeling heeft een minderjarig kind (dat wil zeggen: beneden de achttien jaar) dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit;
c. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en
d. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanig afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.
De IND kan niet vaststellen dat sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw 2000 als de vreemdeling onvoldoende gegevens verschaft waarmee wordt aangetoond dat aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan.


Ad c.



De IND verstaat onder zorgtaken ook opvoedingstaken


De IND merkt zorg – en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet aan als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, tenzij het marginale karakter van de zorg – en/of opvoedingstaken de vreemdeling niet is aan te rekenen. Dit wordt de vreemdeling niet aangerekend als hij/zij kan aantonen dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert.



Ad d.
Bij de beoordeling of sprake is van een zodanig afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd, betrekt de IND, in het hoger belang van het kind, alle relevante omstandigheden, meer in het bijzonder:




de leeftijd van het kind;


zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling; en


de mate van zijn affectieve relatie zowel met de Nederlandse ouder als met de vreemdeling, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van deze laatste zou worden gescheiden.




Paragraaf B10/2.5.1 nieuw luidt:
De derdelands ouder heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als hij:




a.zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;



b.een minderjarig, Nederlands kind heeft; en



c.er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.




De IND kan niet vaststellen dat er sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als de derdelands ouder onvoldoende gegevens verschaft waarmee wordt aangetoond dat aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan.
Dit verblijfsrecht is afgeleid van artikel 20 VWEU.




Informatiebericht 2023/31

Het Hof heeft in de gevoegde zaken XU (C451/19) en QP (C532/19) geoordeeld dat het duurzaam samenwonen met een Nederlands minderjarig kind een weerlegbaar vermoeden van een afhankelijkheidsverhouding doet ontstaan. Dit houdt in dat bij duurzame samenwoning in beginsel moet worden aangenomen dat aan de d-grond van B10/2.2 Vc is voldaan. Dit rechtsvermoeden geldt niet als de ouder geen wettelijke en/of financiële verantwoordelijkheid draagt voor het kind. Het rechtsvermoeden dat bij samenwoning is voldaan aan de d-grond kan worden weerlegd.



Hierbij kunnen bijvoorbeeld de volgende omstandigheden worden meegewogen:
• De ouder en het derdelands kind wonen nog maar heel kort samen; en/of
• De ouder en het kind wonen weliswaar samen, maar de ouder speelt geen rol van betekenis in de verzorging en opvoeding van het kind.