Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:16233

2026-03-09 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.19813
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-09
Publicatiedatum
2026-06-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL24.19813
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM opnieuw niet deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Het heeft tot gevolg dat het bestreden besluit voor zover daarbij de afwijzing van de mvv-aanvragen voor de ouders is gehandhaafd niet in stand kan blijven. Beroep gegrond

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.243 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL24.19813

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[naam 1] (hierna: eiser), [naam 2] (hierna: eiseres) en [naam 3] , (hierna: de broer), hierna allen tezamen: eisers,

[V-nummer 1] , [V-nummer 2] en [V-nummer 3] ,
gemachtigde: mr. J.W.F. Noot



en




de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar.





Procesverloop


Bij besluit van 24 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de ten behoeve van eisers gedane aanvragen tot het verlenen van machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv’s) met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid [naam 4] (referent) op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’ afgewezen.



Eisers hebben op 20 december 2021 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.



Bij brief van 25 april 2023 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld.



Eisers hebben op 17 mei 2023 beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaar.



Bij besluit van 29 juni 2023 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.



Bij uitspraak van 16 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:1415 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 29 juni 2023 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen.



Bij besluit van 9 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard.



Eisers hebben op 7 mei 2024 beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.



De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen en referent.





Overwegingen



Inleiding


1. Voor de feiten en het juridisch kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van
6 februari 2024.



Uitspraak rechtbank


2. In de uitspraak van 6 februari 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat van de door verweerder gemaakte belangenafweging op meerdere onderdelen moet worden gezegd dat niet alle van belang zijnde feiten en omstandigheden op de juiste wijze zijn betrokken en meegewogen. In dit verband overwoog de rechtbank dat verweerder het gewicht dat hij heeft toegekend aan de aard en intensiteit van de gezinsband, de omstandigheid dat referent inmiddels jongvolwassen is en daarmee zelfstandiger is geworden en het economisch belang van de Nederlandse Staat onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welk gewicht hij aan de objectieve belemmering om het gezinsleven in Irak uit te oefenen heeft toegekend en ook het punt van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Gelet hierop heeft de rechtbank het besluit van 29 juni 2023 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.



Het bestreden besluit


3. Het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, houdt - samengevat - het volgende in. Eisers voldoen nog steeds niet aan de voorwaarden voor de gevraagde mvv’s. Het niet toestaan van verblijf aan eisers in Nederland is namelijk niet in strijd met artikel 8 van het ERM. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat de op grond van artikel 8 van het EVRM gemaakte belangenafweging opnieuw in het nadeel van eisers en referent uitvalt.



Beoordeling


4. Eisers betogen dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in hun nadeel heeft laten uitvallen.


5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop de belangen zijn betrokken en meegewogen niet in overeenstemming is met de uitspraak van 16 februari 2024. De rechtbank legt dat hieronder uit.



Toetsingscriterium





5.2.
In het bestreden besluit onder kopje “3.2.4. Overige relevante (en al dan niet bijzondere) omstandigheden” heeft verweerder aangegeven dat de wetgever er niet voor heeft gekozen om meerderjarige kinderen en hun ouders zonder meer in Nederland te herenigen en dat dit slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden anders kan zijn. Voor zover verweerder hiermee stelt dat er zeer bijzondere omstandigheden moeten zijn om een belangenafweging in het voordeel van eisers te laten uitvallen is hij te streng in zijn beoordeling. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4911, volgt namelijk dat het uitgangspunt dat sprake moet zijn van zeer bijzondere - ofwel (zeer) uitzonderlijke - omstandigheden om de belangenafweging in het voordeel van vreemdelingen te laten uitvallen, niet gehanteerd kan worden in gevallen als de onderhavige, waarin het gezinsleven tussen de referent en de vreemdelingen al bestond op het moment dat de referent vertrok uit het land van herkomst. In zulke gevallen dient er een ‘fair balance’ te worden getroffen oftewel een evenwichtige belangenafweging plaats te vinden tussen enerzijds het belang van de vreemdelingen bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven met referent in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. De gemachtigde van verweerder heeft op zitting het standpunt ingenomen dat in dit geval feitelijk gezien wel degelijk een evenwichtige belangenafweging is gemaakt. De rechtbank volgt dit standpunt, mede gelet op het navolgende, niet.



Belangen van de Staat





5.1.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het economisch belang zwaar in het nadeel van eisers en referent weegt.


5.1.1.
Daarbij heeft verweerder betrokken dat hoewel referent bezig is met studie/werk en integratie hij onvoldoende middelen heeft om in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien. Uit deze enkele opmerking blijkt echter niet wat de inspanningen van referent concreet betekenen voor verweerders standpunt over het economisch belang van Nederland. Dit terwijl in de uitspraak van 6 februari 2024 is overwogen dat verweerder bij de beoordeling van een reguliere mvv-aanvraag minder streng moet kijken naar de financiële situatie van referenten met een asielstatus (zie r.o. 5.3.5.). In navolging daarvan heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder van referenten met internationale bescherming niet het onmogelijke mag verwachten om in aanmerking te kunnen komen voor gezinshereniging en dat verweerder in zijn beoordeling rekening moet houden met wat hij redelijkerwijs van deze referent mag verwachten om financiële zelfstandigheid te verkrijgen voor hem en zijn gezinsleden (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912 en 4 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1506). Tijdens de vorige beroepsprocedure is al vastgesteld dat referent met succes een inburgeringscursus heeft afgerond en gedurende drie maanden loon heeft ontvangen van maandelijks € 1.384,35. In deze beroepsprocedure hebben referent en zijn gemachtigde op zitting toegelicht dat referent fulltime werkt, een netto salaris ontvangt van maandelijks € 1.650,-, in 2024 een jaarinkomen had van € 20.423,- en geen beroep doet op een bijstandsuitkering. Hieruit blijkt dus dat referent de afstand tot de arbeidsmarkt daadwerkelijk heeft verkleind, hij een geldelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat sprake is van een duurzaam inkomen. Nergens blijkt uit dat verweerder deze omstandigheden heeft betrokken bij de vraag of referent beschikt over voldoende middelen van bestaan of bij de vraag in welke mate het niet hebben van voldoende middelen in het nadeel weegt.



5.1.2.
Verder heeft verweerder terecht overwogen dat het economisch belang niet alleen ziet op de vraag of referent eigen inkomen heeft om eisers te onderhouden maar ook op de bescherming van de woningmarkt en door de overheid betaalde voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. De noodzaak om het onderwijs en de woningmarkt te beschermen is echter (opnieuw) onvoldoende gemotiveerd. De vader van referent was ten tijde van het bestreden besluit 71 jaar en had dus al de pensioengerechtigde leeftijd in Nederland bereikt. De moeder van referent was op dat moment 64 jaar en slechts enkele jaren verwijderd van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Tegen deze achtergrond bezien valt niet in te zien dat te verwachten is dat de ouders van referent na aankomst in Nederland onderwijs zullen gaan volgen. Verder is in voornoemde uitspraak van 6 februari 2024 geoordeeld dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de huidige woning van referent niet toereikend is om eisers te huisvesten (scenario 1) en dat, zelfs indien deze woning niet passend zou zijn, er geen indicaties zijn dat eisers, gelet op de wettelijke huisvestingstaakstelling, (op korte termijn) los van referent zullen toetreden tot de woningmarkt (scenario 2). Ten aanzien van het eerste scenario heeft verweerder niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat de woning van referent onvoldoende is om vier volwassen personen te huisvesten omdat deze woning twee slaapkamers heeft. Eisers stellen dat voor de broer een extra bed in de slaapkamer van referent kan worden geplaatst of een slaapbank in de woonkamer. Verweerder mag echter in redelijkheid verwachten dat de broer, net als iedere jongvolwassene, behoefte heeft aan een eigen kamer. Dit biedt rust en zekerheid en kan worden gezien als een voorwaarde om te kunnen functioneren. Dat het gezin op dit moment in een ontheemdenkamp in een tent verblijft en dus weinig luxe gewend is, doet daar niet aan af. Deze situatie is immers uit nood geboren. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op het tweede scenario. De enkele, niet onderbouwde, stelling van de gemachtigde van verweerder op zitting dat eisers in Nederland vast wel op enig moment zelfstandig willen gaan wonen, is daartoe onvoldoende. Er is op dit punt dus nog steeds sprake van een motiveringsgebrek.




5.2.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit verder op het standpunt gesteld dat Nederland een restrictief toelatingsbeleid heeft en dat dit zwaar in het nadeel van eisers en referent weegt.


5.2.1.
In voornoemde uitspraak van 6 februari 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het voeren van een restrictief toelatingsbeleid een op zichzelf staand belang is. In het bestreden besluit heeft verweerder volstaan met de opmerking dat eisers niet onder het nareisbeleid vallen en het in 2012 een bewuste politieke keuze is geweest om het beleid aangaande verruimde gezinshereniging af te schaffen. De rechtbank stelt vast dat dit hetzelfde argument is dat verweerder in het vernietigde besluit op bezwaar van 29 juni 2023 heeft gehanteerd. Verweerder heeft dus niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank en dit betekent dat het bestreden besluit in zoverre een deugdelijk motivering mist. Op zitting heeft de gemachtigde van verweerder verwezen naar de Afdelingsuitspraak van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876. Hieruit volgt dat het voeren van een restrictief toelatingsbeleid onderdeel is van het algemene belang van de Nederlandse samenleving, in de zin van het economisch welzijn in bredere zin, en ziet op meer dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen vanuit de openbare kas. Naast de vraag in hoeverre de komst van vreemdelingen naar Nederland ten laste van de openbare middelen zal komen, kan ook relevant zijn in hoeverre zij in Nederland aanspraak zullen maken op al dan niet schaarse andere onderdelen van de maatschappelijke infrastructuur, zoals woningen of zorg, aldus de Afdeling. Verweerder heeft niet onderbouwd dat hier sprake van zal zijn. Reeds daarom is het standpunt van verweerder dat er zwaar gewicht wordt toegekend aan het voeren van een restrictief toelatingsbeleid onvoldoende gemotiveerd.



Belangen van de vreemdelingen






5.3.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aard en intensiteit van het gezinsleven met referent niet zwaarwegend in het voordeel van eisers weegt.


5.3.1.
Daarbij heeft verweerder in de eerste plaats overwogen dat de financiële en medische afhankelijkheid van de ouders is ontstaan na het vertrek van referent uit Irak en dat deze ondersteuning op afstand kan worden voortgezet. In dit verband heeft verweerder ook opgemerkt dat het telefonisch contact op afstand kan worden voortgezet. Eisers betogen terecht dat hoewel verweerder omstandigheden van na de aankomst van referent in Nederland mag betrekken, hij ten onrechte voorbij gaat aan het feit dat dit contact niet te vergelijken is met de wijze waarop eisers met referent in Irak hebben samengeleefd. Referent heeft namelijk vanaf zijn geboorte samengewoond met eisers en tot aan zijn vertrek uit Irak hebben zij voor hem gezorgd. Daarnaast is het door de toepassing van het jongvolwassenbeleid al een gegeven dat sprake is van hechte banden vergelijkbaar met die van ouders en minderjarige kinderen. Dat het gezinsleven vanaf het moment van de asielaanvraag in januari 2020 zes jaar op afstand werd uitgeoefend, betekent niet zonder meer dat dit een passende wijze van gezinsuitoefening is. Bovendien is het tijdsverloop in deze procedure in belangrijke mate veroorzaakt door verweerder. Niet alleen heeft verweerder eerder een ondeugdelijk besluit op bezwaar genomen, maar ook was daarvoor al sprake van overschrijding van de beslistermijn.



5.3.2.
Verweerder heeft in de tweede plaats betrokken dat referent stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Dit blijkt volgens verweerder uit het feit dat referent met succes het inburgeringsexamen heeft behaald, hij een vriendenkring heeft opgebouwd en betaald werk verricht. Eisers betogen terecht dat verweerder hiermee voorbij gaat aan het feit dat er concrete aanwijzingen zijn dat er in dit geval een bijzondere emotionele binding bestaat tussen eisers en referent. Zoals overwogen heeft referent tot en met zijn negentiende jaar samengeleefd met eisers. Een dergelijke langdurige samenwoning doet reeds een sterke emotionele binding ontstaan. Verder geldt dat het gezin als gevolg van de oorlogssituatie in Irak tezamen moeilijke momenten heeft moeten doorstaan, waaronder de vervolging en ontheemding van Yezidi’s (de bevolkingsgroep waar eisers en referent toebehoren) en het noodgedwongen verblijf van het gezin in het ontheemdenkamp Shartesh. Door het tezamen meemaken van dit soort heftige gebeurtenissen is de al sterke emotionele binding in het gezin nog sterker geworden. Verweerder heeft in het bestreden besluit weliswaar de omstandigheden die verband houden met de oorlogssituatie in Irak benoemd, maar heeft niet uitgelegd waarom deze omstandigheden in het voordeel van eisers en referent wegen en daaraan niet meer gewicht toekomt. Een nadere motivering op dit punt had wel gemoeten temeer nu deze omstandigheden niet in het jongvolwassenenbeleid zijn verdisconteerd, en dus niet typerend zijn voor een standaard gezin met ouders en jongvolwassen kinderen. Verweerder heeft in het bestreden besluit juist de nadruk gelegd op enkele omstandigheden die volgens hem afbreuk doen aan de banden tussen eisers en referent. Nog daargelaten dat verweerder deze tegenwerpingen dus onvoldoende kenbaar heeft bezien in het licht van de hechte banden van eisers en referent, heeft verweerder bij deze tegenwerpingen wederom onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij de reden dat referent deze stappen naar zelfstandigheid zonder de steun van eisers heeft gezet heeft meegewogen. Dit alles maakt dat het gewicht dat verweerder heeft toegekend aan de aard en intensiteit van de gezinsband tussen eisers en referent onvoldoende is gemotiveerd.




5.4.
Verweerder heeft in het bestreden besluit een objectieve belemmering aangenomen. Dat betekent dat verweerder ervan uitgaat dat het gezinsleven niet in Irak kan worden uitgeoefend. Volgens verweerder leidt dit niet automatisch tot een positieve belangenafweging omdat niet is gebleken dat de aard en intensiteit van het gezinsleven zo sterk is dat dit zwaarwegend in het voordeel van eisers en referent dient mee te wegen. Volgens verweerder kan de uitoefening van het gezinsleven op afstand worden voortgezet.


5.4.1.
Verweerder houdt daarmee onvoldoende rekening met de wijze waarop het gezinsleven werd uitgeoefend vóór de vlucht van eiser en met het feit dat het tijdsverloop in deze procedure in belangrijke mate aan verweerder is te wijten. Bovendien volgt uit rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dat in een belangenafweging meer gewicht toekomt aan een onoverkomelijke belemmering om het familie- en gezinsleven in een ander land uit te oefenen naarmate de tijd verstrijkt (zie het arrest van 9 juli 2021, in de zaak M.A. tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718 en de Afdelingsuitspraak van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1506). In het licht van deze rechtspraak heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom het bestaan van een onoverkomelijke belemmering, in combinatie met hetgeen hiervoor is overwogen, samen maken dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt.




5.5.
Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM opnieuw niet deugdelijk is gemotiveerd. Het heeft tot gevolg dat het bestreden besluit voor zover daarbij de afwijzing van de mvv-aanvragen voor de ouders is gehandhaafd niet in stand kan blijven.

6. Hoewel eisers niet uitdrukkelijk zelfstandige beroepsgronden hebben aangevoerd tegen het bestreden besluit voor zover daarbij de afwijzing van de mvv-aanvraag voor de

broer is gehandhaafd, hangt dit onderdeel van het bestreden besluit, gelet op verweerders
motivering hiervan, zozeer samen met het bestreden besluit voor zover daarbij de afwijzing
van de aanvragen voor de ouders is gehandhaafd, dat dit onderdeel van het bestreden besluit
niet zelfstandig overeind kan blijven. Dit betekent dat dit onderdeel van het bestreden
besluit evenmin in stand kan blijven.




Conclusie


7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat de gebreken in de beroepsfase niet zijn hersteld. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om op basis van alle bekende omstandigheden te beoordelen en motiveren of de belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM in het voordeel of nadeel van eisers uitvalt. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat, gelet op de aard van de gebreken en de wijze waarop die moet worden hersteld, niet valt in te zien dat eisers op die manier eerder uitsluitsel krijgen in de zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.




Redelijke termijn


8. Eisers hebben verzocht toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.



8.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) volgt dat de redelijke termijn over binnenkomst, verblijf en uitzetting van vreemdelingen in twee instanties in beginsel twee jaar bedraagt. Die termijn bestaat uit de samengenomen termijnen van een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. In beginsel is een vergoeding gepast van
€ 500,- per half jaar, of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.




8.2.
In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 21 december 2021, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen. Twee jaar daarna, op 21 december 2023 is de redelijke termijn verstreken. Inmiddels is de redelijke termijn dus ongeveer twee jaar en drie maanden overschreden. Niet is gebleken van factoren die aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten. Eisers hebben recht op een schadevergoeding van in totaal € 2.500,-



8.3.
De termoverschrijding is gedeeltelijk aan verweerder en gedeeltelijk aan de rechtbank te wijten. Tussen het bezwaarschrift (21 december 2021) en het bestreden besluit (9 april 2024) zit een periode van afgerond twee jaar en vier maanden. De overschrijding aan de zijde van verweerder bedraagt tweeëntwintig maanden. In de eerste beroepsprocedure is de termijn van achttien maanden niet overschreden. Deze heeft geduurd vanaf 17 mei 2023 tot 16 februari 2024. In de tweede beroepsprocedure is de termijn van achttien maanden, vanaf 7 mei 2024 tot en met 6 november 2025, wel overschreden. De overschrijding aan de zijde van de rechtbank bedraagt afgerond vijf maanden. Het totale bedrag van € 2.500,- zal voor 22/27 (= € 2.037,-) worden toegerekend aan verweerder en voor 5/27 (= € 463,-) aan de rechtbank.



Proceskosten en griffierecht


9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Ook zal de rechtbank eisers een vergoeding toekennen voor de door hen gemaakte proceskosten voor het verzoek om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van
€ 934,- en wegingsfactor 0,5) (zie Afdelingsuitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294). Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan de rechtbank is toe te rekenen, moeten verweerder en de Staat ieder de helft van de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding.





Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;


veroordeelt verweerder tot betaling van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 2.037,-;


veroordeelt de Staat der Nederlanden tot een betaling van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 463,-;


bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden; en


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.101,50 (€ 1.868,- plus € 233,50);


veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten die eisers voor het schadevergoedingsverzoek hebben gemaakt van € 233,50.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.