Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16231
2026-03-09
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.18004
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Derhalve is niet gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Daarom wordt tussen referent en eisers geen beschermenswaardig familieleven aangenomen. Er hoeft geen belangenafweging meer te worden verricht. Het beroep tegen de gehandhaafde afwijzing van de aanvragen om machtigingen om voorlopig verblijf is ongegrond
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2024:1188 Raad van State 27-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2019:1003 Raad van State 04-04-2019
- ECLI:NL:RVS:2024:1188 Raad van State 27-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2014:188 Raad van State 29-01-2014
- ECLI:NL:RVS:2025:5294 Raad van State 05-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.847 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18004
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 4]
, (hierna: eiser), en [naam 2], (hierna: eiseres), hierna tezamen: eisers,
[V-nummer 1] en [V-nummer 2]
gemachtigde: mr. M.C. de Jong,
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de ten behoeve van eisers gedane aanvragen tot het verlenen van machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv’s) met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid bij [naam 3] (referent) op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’ afgewezen.
Eisers hebben op 14 juli 2023 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Bij brief van 31 januari 2024 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld.
Eisers hebben op 24 april 2024 beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaar.
Bij besluit van 13 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog op het bezwaar van eisers beslist en vastgesteld dat zij recht hebben op de volledige bestuurlijke dwangsom van € 1.442,-.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft op grond van artikel 6:19, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het alsnog genomen besluit.
Eisers hebben op 27 november 2024 beroepsgronden ingediend.
Eisers hebben op 14 januari 2026 verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben
deelgenomen: de gemachtigden van partijen, referent en de tolk Z. Hanina.
Overwegingen
Inleiding
1. Eisers zijn de ouders van referent en hebben de Syrische nationaliteit. Zij beogen verblijf bij referent in Nederland. Referent is geboren op [geboortedatum 1] , heeft eveneens de Syrische nationaliteit en heeft een asielvergunning voor bepaalde tijd. De in deze zaak voorliggende mvv-aanvragen heeft referent ten behoeve van eisers op 22 maart 2022 ingediend.
Het bestreden besluit
2. Het bestreden besluit, waarbij de afwijzing is gehandhaafd, houdt – samengevat – het volgende in. Eisers voldoen niet aan de voorwaarden voor de gevraagde mvv’s. Het niet toestaan van verblijf aan eisers in Nederland is namelijk niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat tussen eisers en referent geen beschermingswaardig familie- of gezinsleven bestaat omdat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Nu geen sprake is van beschermingswaardig familie- of gezinsleven komt verweerder niet meer toe aan een belangenafweging.
Beroep tegen het beroep niet tijdig beslissen
3. Verweerder heeft na het instellen van het beroep niet tijdig beslissen door eisers alsnog op het bezwaarschrift beslist. Dit betekent dat het procesbelang van eisers bij het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is komen te ontvallen. Dit beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het bestreden besluit
4. Eisers hebben aangevoerd dat tijdens de hoorzitting alle vragen waren gericht op factoren die bij de belangenafweging een rol zouden kunnen spelen, terwijl de afwijzing juist is gebaseerd op het oordeel dat beschermenswaardig gezinsleven ontbreekt
4.1.
Dit betoog mist feitelijke grondslag. De rechtbank verwijst naar het verslag van de hoorzitting nareis van 13 november 2024. Hieruit blijkt dat verweerder vragen heeft gesteld die van belang zijn voor de beoordeling van de gezinsband, zoals of de ouders nog steeds wonen in de [woonplaats] , of zij alleen of met anderen wonen, of de medische klachten van de ouders zijn verergerd, of zij toegang hebben tot medische zorg, of zij medicatie gebruiken, wie de huishoudelijke taken in het huishouden van de ouders doet, of referent zijn ouders op afstand financieel ondersteunt, of referent in Nederland medische behandeling ontvangt en of referent (betaald) werk verricht en/of een studie volgt (zie pagina’s 3 tot en met 7). Voor zover het betoog van eisers ook zo moet worden opgevat dat verweerder had moeten doorvragen over het gestelde verband tussen de psychische problemen van referent en het gemis van eisers, volgt de rechtbank eisers hierin niet. Het is aan eisers om concrete aanknopingspunten aan te dragen die erop duiden dat dit verband bestaat. Dergelijke informatie ontbreekt. In de in bezwaar overgelegde brief van PsyQ staat slechts vermeld dat de klachten van referent passen bij een paniekstoornis en posttraumatische stressstoornis en dat de in te zetten trauma behandeling met EMDR is gericht op de nare ervaringen van referent in Syrië en Soedan. Ook in beroep hebben eisers geen concrete aanknopingspunten aangedragen. Verweerder hoefde in zoverre dus niet verder door te vragen op de psychische klachten van referent. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
5. Eisers voeren verder aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
5.1.
Familieleven tussen meerderjarige kinderen (niet zijnde jongvolwassenen) en hun ouders, en tussen meerderjarige broers en zussen, is beschermenswaardig in de zin van artikel 8 van het EVRM als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188).
5.2.
Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen familieleden zijn factoren als samenwoning, financiële afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van (een van) de betrokkenen en de banden met het land van herkomst van belang. Deze factoren moeten in onderling verband en samenhang worden bezien. Verweerder mag bij deze beoordeling zwaarwegend, maar niet doorslaggevend gewicht toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Afdelingsuitspraak van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003. Geen van deze factoren is op zichzelf, of in combinatie, per definitie voldoende om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aan te nemen.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
5.3.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat uit de omstandigheid dat eisers en referent lange tijd hebben samengewoond niet volgt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eisers en referent in de vier jaar en vijf maanden voordat referent naar Nederland kwam niet hebben samengewoond. Hoewel het vertrek van referent uit Syrië verband hield met de militaire dienstplicht en de scheiding van zijn familie dus onvrijwillig was, heeft hij zich nadien jarenlang, eerst in Soedan en later in Turkije, staande kunnen houden. Referent woonde daar zelfstandig en voorzag in eigen levensonderhoud (zie reactie HV-brief van
4 mei 2023). Dit maakt dat aan de omstandigheid dat eisers en referent in Syrië altijd hebben samengewoond minder gewicht toekomt.
5.3.2.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat uit de medische problemen van eisers niet volgt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Bij de mvv-aanvragen hebben eisers meerdere medische verklaringen overgelegd. Hieruit blijkt dat de vader hartproblemen en klachten aan de onderrug in verband met een lumbale hernia nuclei pulposi heeft en aanvallen van vestibulaire duizeligheid ondervindt. Ook blijkt hieruit dat de moeder last heeft van gewrichtspijn door reuma met radiculaire pijn aan het linker lidmaat in verband met hernia nuclei pulposi en spataderen en kampt met een obsessieve-compulsieve stoornis. Uit deze stukken blijkt echter niet in hoeverre eisers hierdoor worden beperkt in hun dagelijks functioneren. Ook blijkt daaruit niet of, en zo ja in hoeverre, eisers voor hun dagelijks functioneren zorg behoeven. In de bijlage ‘Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid’ heeft referent verklaard dat eisers in principe voor zichzelf kunnen zorgen, maar in de toekomst afhankelijk van hem zullen zijn. Verweerder heeft er daarom terecht op gewezen dat op het moment van de scheiding tussen eisers en referent geen sprake was van een mate van afhankelijkheid in medische zin en dat een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie zich minder snel voordoet in een situatie dat een ouder na een scheiding op enig moment hulpbehoevend wordt. In bezwaar hebben eisers een verklaring van januari 2016 van een internist in Syrië overgelegd waarin staat dat de vader een pacemaker heeft en een verklaring van 18 februari 2023 van een cardioloog in Syrië waarin staat dat de vader in 2023 een bypassoperatie heeft ondergaan door de vernauwing van zijn kransslagaders. Uit deze stukken kan evenmin worden afgeleid in hoeverre de vader wordt beperkt in zijn dagelijks functioneren en (mantel)zorg behoeft. Tijdens de hoorzitting nareis van 13 november 2024 heeft referent, desgevraagd, verklaard dat het na de hartoperatie in 2023 iets beter ging met zijn vader, zijn vader toegang heeft tot medische noodzakelijke zorg en medicijnen via een apotheek ontvangt (zie p. 3 en 5), dat de buren hem helpen bij het doen van boodschappen (zie p. 4), dat zijn moeder lichte maaltijden kan voorbereiden en dat iemand anders het huishouden op zich neemt (zie p. 4-5). Aangaande de hulpbehoevendheid van zijn moeder heeft referent verklaard dat dit hetzelfde is als bij zijn vader (zie p. 5). De gestelde achteruitgang van haar klachten, en de daarmee toegenomen zorgbehoefte, is echter niet met stukken onderbouwd en/of geconcretiseerd. Uit al het voorgaande volgt dat eisers ten tijde van het bestreden besluit zonder de fysieke aanwezigheid van referent, en eventueel met de hulp van derden, zich hebben kunnen redden. Aldus hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat er tussen hen en referent een exclusieve zorgrelatie bestaat.
5.3.3.
Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt kunnen stellen dat uit de emotionele band tussen eisers en referent niet volgt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Referent heeft verklaard dat hij tijdens zijn verblijf in Soedan en ook in Nederland dagelijks telefonisch contact heeft onderhouden met zijn ouders. Ondanks de hechte band tussen referent en zijn ouders, is echter niet aannemelijk gemaakt dat hun emotionele band zo sterk is dat die de gebruikelijke emotionele banden tussen ouders en een volwassen zoon te boven gaat. Het is gebruikelijk dat familieleden die op afstand van elkaar leven elkaar missen. Niet is gebleken dat referent zijn ouders zodanig mist dat hij daardoor psychische klachten ondervindt waardoor hij niet of nauwelijks meer kan functioneren in het dagelijks leven. Uit het overgelegde intakerapport van PsyQ blijkt enkel dat de nare ervaringen in Syrië en Soedan ten grondslag liggen aan de mentale klachten van referent. In beroep hebben eisers geen recente medische documenten overgelegd. Er zijn verder geen andere aanwijzingen dat de psychische klachten van referent ook verband houden met het gemis van zijn ouders dan wel dat deze klachten daardoor worden verergerd. Uit het in bezwaar overgelegde verslag van de hoorzitting nareis blijkt, anders dan eisers stellen, niet dat referent het effect van de situatie van zijn ouders in Syrië op zijn mentale welzijn heeft toegelicht. Tot slot is van belang dat referent heeft verklaard dat hij, ondanks zijn gezondheidsklachten, klaar is met zijn studie en wil gaan werken (zie hoorzitting nareis, p. 7).
5.3.4.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat eisers financieel afhankelijk zijn van referent. De stelling van eisers dat referent hen financieel ondersteunt op afstand is niet onderbouwd. Uit de overgelegde financiële transacties kan niet worden afgeleid dat referent vanuit Nederland geld naar eisers heeft overgemaakt. Maar zelfs als dit wel zou worden aangenomen, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat dit niet zou kunnen worden voortgezet. Verder is evenmin gebleken dat eisers voor financiële ondersteuning enkel afhankelijk zijn van referent. Uit de verklaringen van referent volgt immers dat ook de broer en zus van referent in Denemarken financiële ondersteuning bieden en dat eisers deels in hun eigen onderhoud hebben kunnen voorzien door waardevolle bezittingen te verkopen (zie hoorzitting nareis, p.5).
5.3.5.
Verweerder heeft zich tot slot op het standpunt kunnen stellen dat de banden van eisers met Syrië sterker zijn dan met Nederland. Zij zijn in Syrië geboren en opgegroeid. Ook zijn eisers daar bekend met de taal en cultuur. De band met Nederland reikt niet verder dan dat referent hier woont en een asielvergunning heeft.
5.4.
Gelet op wat is overwogen onder 5.3.1 tot en met 5.3.5, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, hoewel er enige afhankelijkheid bestaat tussen eisers en referent, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat er tussen eisers enerzijds en referent anderzijds een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Daarom wordt tussen hen geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen. Verweerder hoefde in het bestreden besluit dus geen belangenafweging te verrichten (zie uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188). De beroepsgrond slaagt niet
6. Het beroep tegen het bestreden besluit dient dan ook ongegrond te worden verklaard en het bestreden besluit kan in stand worden gelaten.
Redelijke termijn
7. Eisers hebben verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
7.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) volgt dat de redelijke termijn over binnenkomst, verblijf en uitzetting van vreemdelingen in twee instanties in beginsel twee jaar bedraagt. Die termijn bestaat uit de samengenomen termijnen van een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar, of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
7.2.
In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 14 juli 2023, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen. Twee jaar daarna, op 14 juli 2025 is de redelijke termijn verstreken. Inmiddels is de redelijke termijn dus afgerond met acht maanden overschreden. Niet is gebleken van factoren die aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten. Eisers hebben recht op een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.
7.3.
De termijnoverschrijding is volledig aan verweerder te wijten. In de bezwaarprocedure is de termijn van zes maanden met bijna tien maanden overschreden
(14 juli 2023 tot 13 november 2024). In de beroepsprocedure is de termijn van achttien maanden niet overschreden (13 november 2024 tot 12 februari 2026). Het totale bedrag van
€ 1.000,- wordt volledig toegekend aan verweerder.
Proceskosten en griffierecht
8. Eisers krijgen een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt in verband met het beroep niet tijdig beslissen. Zij stellen namelijk terecht dat verweerder niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. Eisers hebben een geldige ingebrekestelling verstuurd en verweerder heeft pas na het instellen van het beroep een besluit genomen. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 934,- bij een wegingsfactor 0,5). Ook krijgen eisers een vergoeding voor de door hen gemaakte proceskosten voor het verzoek om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5) (zie Afdelingsuitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294). Het totaal door verweerder aan eisers te vergoeden bedrag aan proceskosten bedraagt € 934,-.
9. Ook moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar niet-ontvankelijk;
bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 187,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 934,-; en
veroordeelt verweerder tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,- aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18004
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 4]
, (hierna: eiser), en [naam 2], (hierna: eiseres), hierna tezamen: eisers,
[V-nummer 1] en [V-nummer 2]
gemachtigde: mr. M.C. de Jong,
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de ten behoeve van eisers gedane aanvragen tot het verlenen van machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv’s) met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid bij [naam 3] (referent) op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’ afgewezen.
Eisers hebben op 14 juli 2023 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Bij brief van 31 januari 2024 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld.
Eisers hebben op 24 april 2024 beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaar.
Bij besluit van 13 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog op het bezwaar van eisers beslist en vastgesteld dat zij recht hebben op de volledige bestuurlijke dwangsom van € 1.442,-.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft op grond van artikel 6:19, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het alsnog genomen besluit.
Eisers hebben op 27 november 2024 beroepsgronden ingediend.
Eisers hebben op 14 januari 2026 verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben
deelgenomen: de gemachtigden van partijen, referent en de tolk Z. Hanina.
Overwegingen
Inleiding
1. Eisers zijn de ouders van referent en hebben de Syrische nationaliteit. Zij beogen verblijf bij referent in Nederland. Referent is geboren op [geboortedatum 1] , heeft eveneens de Syrische nationaliteit en heeft een asielvergunning voor bepaalde tijd. De in deze zaak voorliggende mvv-aanvragen heeft referent ten behoeve van eisers op 22 maart 2022 ingediend.
Het bestreden besluit
2. Het bestreden besluit, waarbij de afwijzing is gehandhaafd, houdt – samengevat – het volgende in. Eisers voldoen niet aan de voorwaarden voor de gevraagde mvv’s. Het niet toestaan van verblijf aan eisers in Nederland is namelijk niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat tussen eisers en referent geen beschermingswaardig familie- of gezinsleven bestaat omdat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Nu geen sprake is van beschermingswaardig familie- of gezinsleven komt verweerder niet meer toe aan een belangenafweging.
Beroep tegen het beroep niet tijdig beslissen
3. Verweerder heeft na het instellen van het beroep niet tijdig beslissen door eisers alsnog op het bezwaarschrift beslist. Dit betekent dat het procesbelang van eisers bij het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is komen te ontvallen. Dit beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het bestreden besluit
4. Eisers hebben aangevoerd dat tijdens de hoorzitting alle vragen waren gericht op factoren die bij de belangenafweging een rol zouden kunnen spelen, terwijl de afwijzing juist is gebaseerd op het oordeel dat beschermenswaardig gezinsleven ontbreekt
4.1.
Dit betoog mist feitelijke grondslag. De rechtbank verwijst naar het verslag van de hoorzitting nareis van 13 november 2024. Hieruit blijkt dat verweerder vragen heeft gesteld die van belang zijn voor de beoordeling van de gezinsband, zoals of de ouders nog steeds wonen in de [woonplaats] , of zij alleen of met anderen wonen, of de medische klachten van de ouders zijn verergerd, of zij toegang hebben tot medische zorg, of zij medicatie gebruiken, wie de huishoudelijke taken in het huishouden van de ouders doet, of referent zijn ouders op afstand financieel ondersteunt, of referent in Nederland medische behandeling ontvangt en of referent (betaald) werk verricht en/of een studie volgt (zie pagina’s 3 tot en met 7). Voor zover het betoog van eisers ook zo moet worden opgevat dat verweerder had moeten doorvragen over het gestelde verband tussen de psychische problemen van referent en het gemis van eisers, volgt de rechtbank eisers hierin niet. Het is aan eisers om concrete aanknopingspunten aan te dragen die erop duiden dat dit verband bestaat. Dergelijke informatie ontbreekt. In de in bezwaar overgelegde brief van PsyQ staat slechts vermeld dat de klachten van referent passen bij een paniekstoornis en posttraumatische stressstoornis en dat de in te zetten trauma behandeling met EMDR is gericht op de nare ervaringen van referent in Syrië en Soedan. Ook in beroep hebben eisers geen concrete aanknopingspunten aangedragen. Verweerder hoefde in zoverre dus niet verder door te vragen op de psychische klachten van referent. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
5. Eisers voeren verder aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
5.1.
Familieleven tussen meerderjarige kinderen (niet zijnde jongvolwassenen) en hun ouders, en tussen meerderjarige broers en zussen, is beschermenswaardig in de zin van artikel 8 van het EVRM als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188).
5.2.
Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen familieleden zijn factoren als samenwoning, financiële afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van (een van) de betrokkenen en de banden met het land van herkomst van belang. Deze factoren moeten in onderling verband en samenhang worden bezien. Verweerder mag bij deze beoordeling zwaarwegend, maar niet doorslaggevend gewicht toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg geven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Afdelingsuitspraak van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003. Geen van deze factoren is op zichzelf, of in combinatie, per definitie voldoende om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aan te nemen.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
5.3.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat uit de omstandigheid dat eisers en referent lange tijd hebben samengewoond niet volgt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eisers en referent in de vier jaar en vijf maanden voordat referent naar Nederland kwam niet hebben samengewoond. Hoewel het vertrek van referent uit Syrië verband hield met de militaire dienstplicht en de scheiding van zijn familie dus onvrijwillig was, heeft hij zich nadien jarenlang, eerst in Soedan en later in Turkije, staande kunnen houden. Referent woonde daar zelfstandig en voorzag in eigen levensonderhoud (zie reactie HV-brief van
4 mei 2023). Dit maakt dat aan de omstandigheid dat eisers en referent in Syrië altijd hebben samengewoond minder gewicht toekomt.
5.3.2.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat uit de medische problemen van eisers niet volgt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Bij de mvv-aanvragen hebben eisers meerdere medische verklaringen overgelegd. Hieruit blijkt dat de vader hartproblemen en klachten aan de onderrug in verband met een lumbale hernia nuclei pulposi heeft en aanvallen van vestibulaire duizeligheid ondervindt. Ook blijkt hieruit dat de moeder last heeft van gewrichtspijn door reuma met radiculaire pijn aan het linker lidmaat in verband met hernia nuclei pulposi en spataderen en kampt met een obsessieve-compulsieve stoornis. Uit deze stukken blijkt echter niet in hoeverre eisers hierdoor worden beperkt in hun dagelijks functioneren. Ook blijkt daaruit niet of, en zo ja in hoeverre, eisers voor hun dagelijks functioneren zorg behoeven. In de bijlage ‘Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid’ heeft referent verklaard dat eisers in principe voor zichzelf kunnen zorgen, maar in de toekomst afhankelijk van hem zullen zijn. Verweerder heeft er daarom terecht op gewezen dat op het moment van de scheiding tussen eisers en referent geen sprake was van een mate van afhankelijkheid in medische zin en dat een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie zich minder snel voordoet in een situatie dat een ouder na een scheiding op enig moment hulpbehoevend wordt. In bezwaar hebben eisers een verklaring van januari 2016 van een internist in Syrië overgelegd waarin staat dat de vader een pacemaker heeft en een verklaring van 18 februari 2023 van een cardioloog in Syrië waarin staat dat de vader in 2023 een bypassoperatie heeft ondergaan door de vernauwing van zijn kransslagaders. Uit deze stukken kan evenmin worden afgeleid in hoeverre de vader wordt beperkt in zijn dagelijks functioneren en (mantel)zorg behoeft. Tijdens de hoorzitting nareis van 13 november 2024 heeft referent, desgevraagd, verklaard dat het na de hartoperatie in 2023 iets beter ging met zijn vader, zijn vader toegang heeft tot medische noodzakelijke zorg en medicijnen via een apotheek ontvangt (zie p. 3 en 5), dat de buren hem helpen bij het doen van boodschappen (zie p. 4), dat zijn moeder lichte maaltijden kan voorbereiden en dat iemand anders het huishouden op zich neemt (zie p. 4-5). Aangaande de hulpbehoevendheid van zijn moeder heeft referent verklaard dat dit hetzelfde is als bij zijn vader (zie p. 5). De gestelde achteruitgang van haar klachten, en de daarmee toegenomen zorgbehoefte, is echter niet met stukken onderbouwd en/of geconcretiseerd. Uit al het voorgaande volgt dat eisers ten tijde van het bestreden besluit zonder de fysieke aanwezigheid van referent, en eventueel met de hulp van derden, zich hebben kunnen redden. Aldus hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat er tussen hen en referent een exclusieve zorgrelatie bestaat.
5.3.3.
Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt kunnen stellen dat uit de emotionele band tussen eisers en referent niet volgt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Referent heeft verklaard dat hij tijdens zijn verblijf in Soedan en ook in Nederland dagelijks telefonisch contact heeft onderhouden met zijn ouders. Ondanks de hechte band tussen referent en zijn ouders, is echter niet aannemelijk gemaakt dat hun emotionele band zo sterk is dat die de gebruikelijke emotionele banden tussen ouders en een volwassen zoon te boven gaat. Het is gebruikelijk dat familieleden die op afstand van elkaar leven elkaar missen. Niet is gebleken dat referent zijn ouders zodanig mist dat hij daardoor psychische klachten ondervindt waardoor hij niet of nauwelijks meer kan functioneren in het dagelijks leven. Uit het overgelegde intakerapport van PsyQ blijkt enkel dat de nare ervaringen in Syrië en Soedan ten grondslag liggen aan de mentale klachten van referent. In beroep hebben eisers geen recente medische documenten overgelegd. Er zijn verder geen andere aanwijzingen dat de psychische klachten van referent ook verband houden met het gemis van zijn ouders dan wel dat deze klachten daardoor worden verergerd. Uit het in bezwaar overgelegde verslag van de hoorzitting nareis blijkt, anders dan eisers stellen, niet dat referent het effect van de situatie van zijn ouders in Syrië op zijn mentale welzijn heeft toegelicht. Tot slot is van belang dat referent heeft verklaard dat hij, ondanks zijn gezondheidsklachten, klaar is met zijn studie en wil gaan werken (zie hoorzitting nareis, p. 7).
5.3.4.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat eisers financieel afhankelijk zijn van referent. De stelling van eisers dat referent hen financieel ondersteunt op afstand is niet onderbouwd. Uit de overgelegde financiële transacties kan niet worden afgeleid dat referent vanuit Nederland geld naar eisers heeft overgemaakt. Maar zelfs als dit wel zou worden aangenomen, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat dit niet zou kunnen worden voortgezet. Verder is evenmin gebleken dat eisers voor financiële ondersteuning enkel afhankelijk zijn van referent. Uit de verklaringen van referent volgt immers dat ook de broer en zus van referent in Denemarken financiële ondersteuning bieden en dat eisers deels in hun eigen onderhoud hebben kunnen voorzien door waardevolle bezittingen te verkopen (zie hoorzitting nareis, p.5).
5.3.5.
Verweerder heeft zich tot slot op het standpunt kunnen stellen dat de banden van eisers met Syrië sterker zijn dan met Nederland. Zij zijn in Syrië geboren en opgegroeid. Ook zijn eisers daar bekend met de taal en cultuur. De band met Nederland reikt niet verder dan dat referent hier woont en een asielvergunning heeft.
5.4.
Gelet op wat is overwogen onder 5.3.1 tot en met 5.3.5, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, hoewel er enige afhankelijkheid bestaat tussen eisers en referent, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat er tussen eisers enerzijds en referent anderzijds een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Daarom wordt tussen hen geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen. Verweerder hoefde in het bestreden besluit dus geen belangenafweging te verrichten (zie uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188). De beroepsgrond slaagt niet
6. Het beroep tegen het bestreden besluit dient dan ook ongegrond te worden verklaard en het bestreden besluit kan in stand worden gelaten.
Redelijke termijn
7. Eisers hebben verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
7.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) volgt dat de redelijke termijn over binnenkomst, verblijf en uitzetting van vreemdelingen in twee instanties in beginsel twee jaar bedraagt. Die termijn bestaat uit de samengenomen termijnen van een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar, of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
7.2.
In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 14 juli 2023, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen. Twee jaar daarna, op 14 juli 2025 is de redelijke termijn verstreken. Inmiddels is de redelijke termijn dus afgerond met acht maanden overschreden. Niet is gebleken van factoren die aanleiding kunnen geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten. Eisers hebben recht op een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.
7.3.
De termijnoverschrijding is volledig aan verweerder te wijten. In de bezwaarprocedure is de termijn van zes maanden met bijna tien maanden overschreden
(14 juli 2023 tot 13 november 2024). In de beroepsprocedure is de termijn van achttien maanden niet overschreden (13 november 2024 tot 12 februari 2026). Het totale bedrag van
€ 1.000,- wordt volledig toegekend aan verweerder.
Proceskosten en griffierecht
8. Eisers krijgen een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt in verband met het beroep niet tijdig beslissen. Zij stellen namelijk terecht dat verweerder niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. Eisers hebben een geldige ingebrekestelling verstuurd en verweerder heeft pas na het instellen van het beroep een besluit genomen. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 934,- bij een wegingsfactor 0,5). Ook krijgen eisers een vergoeding voor de door hen gemaakte proceskosten voor het verzoek om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5) (zie Afdelingsuitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294). Het totaal door verweerder aan eisers te vergoeden bedrag aan proceskosten bedraagt € 934,-.
9. Ook moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar niet-ontvankelijk;
bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 187,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 934,-; en
veroordeelt verweerder tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,- aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.