Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:16178

2026-05-22 Bestuursrecht SGR 26/2844
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-22
Publicatiedatum
2026-06-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 26/2844
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker heeft verweerder verzocht om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) ten behoeve van een chauffeurskaart. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft de voorzieningenrechter verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in deze zaak voldoende spoedeisend belang heeft nu hem een concreet aanbod is gedaan voor een baan, dit aanbod slechts geldt tot en met 1 juni 2026, en verzoeker op dit moment naar eigen zeggen leeft van een bijstandsuitkering. Naar verwachting zal het bestreden besluit in bezwaar in stand blijven, er is daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoek afgewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.560 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 26/2844


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2026 in de zaak tussen



[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),


en




de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N. El Amiri-Essabane).




Inleiding


1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.



1.1.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een VOG. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 maart 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de voorzieningenrechter



Waar gaat deze zaak over?



2. Verzoeker heeft op 9 oktober 2025 verzocht om afgifte van een VOG ten behoeve van een chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. in Rijswijk. Op het aanvraagformulier is het screeningsprofiel ‘chauffeurskaart’ aangekruist. Verweerder heeft onderzoek gedaan en heeft de VOG geweigerd omdat verzoeker binnen de terugkijktermijn van vijf jaar in aanraking is geweest met justitie. Verzoeker is veroordeeld wegens het weigeren van een bloedonderzoek, wegens het rijden gedurende een rijontzegging, wegens het overschrijden van de maximumsnelheid, en hem is bij strafbeschikking een geldboete opgelegd van € 850,- wegens rijden onder invloed. Verder heeft verweerder bij de beoordeling betrokken dat verzoeker buiten de terugkijktermijn is veroordeeld voor verschillende Opiumdelicten. Gelet hierop bestaat er volgens verweerder een risico voor de samenleving indien verzoeker de strafbare feiten herhaalt en weegt het belang van de samenleving groter dan de persoonlijke belangen van verzoeker. Deze uitspraak gaat over de vraag of het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening moet worden toegewezen.



Wat vindt verzoeker?



3. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag voor een VOG. Ten aanzien van het objectieve criterium voert hij aan dat verweerder de achtergrond en het “gewicht” van de strafbare feiten niet juist heeft gewaardeerd. Deze beoordeling heeft volgens verzoeker onvoldoende plaatsgevonden. Het valt niet in te zien hoe de veroordelingen een indicatie vormen dat verzoeker op de werkvloer de veiligheid en gezondheid van personen in gevaar brengt, en dat hij een risico voor de samenleving vormt. Er bestaat geen relatie tussen de strafbare feiten en de functie die verzoeker gaat vervullen. Tegen de veroordeling in hoger beroep voor het rijden gedurende een rijontzegging gaat hij bovendien in cassatie. Ten aanzien van het subjectieve criterium voert verzoeker aan dat de afwijzing onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen voor hem heeft. Deze baan is voor hem een kans om niet langer een beroep te hoeven doen op de bijstand en zijn leven een positieve wending te geven. Het bestreden besluit is volgens verzoeker niet deugdelijk gemotiveerd en in strijd met het evenredigheidsbeginsel.



Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?





Spoedeisend belang



4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat, gelet op de betrokken belangen, vereist. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom eerst of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in deze zaak voldoende spoedeisend belang heeft nu hem een concreet aanbod is gedaan voor een baan, dit aanbod slechts tot en met 1 juni 2026 geldt, en verzoeker op dit moment naar eigen zeggen leeft van een bijstandsuitkering.



Voorlopig rechtmatigheidsoordeel



5. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Is voldaan aan het objectieve criterium?



6. De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij het objectieve criterium wordt niet gekeken naar de persoon van de verzoeker zelf. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.


6.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat is voldaan aan het objectieve criterium. Zoals blijkt uit het specifieke screeningsprofiel ‘taxibranche; chauffeurspas’ is een taxichauffeur belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van personen en geldt het in gevaar brengen van de veiligheid van personen als een van de risico’s in de taxibranche. Rijden onder invloed, overschrijding van de maximumsnelheid, en overtredingen van de Opiumwet worden uitdrukkelijk in dit screeningsprofiel genoemd. Alle feiten waarvoor verzoeker is veroordeeld zien op verkeersdelicten. Wanneer deze feiten zouden worden herhaald wordt hiermee niet alleen de veiligheid van de inzittenden in gevaar gebracht, maar ook de veiligheid van de overige verkeersdeelnemers. Of sprake is van een reëel recidivegevaar is bij de beoordeling van het objectieve criterium niet relevant. Daarbij merkt verweerder op zitting terecht op dat ook niet relevant is of het strafbare feit plaatsvond in de privésfeer. De enkele stelling dat de werkgever waarborgen inbouwt om de eigen werknemers te controleren neemt het (objectieve) risico dat verweerder heeft vastgesteld niet weg. Dit geldt eveneens voor de proeftijd waar verzoeker nog in zit. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder genoegzaam gemotiveerd waarom de in het JDS geregistreerde feiten, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, niet te verenigen zijn met een behoorlijke uitoefening van taken als taxichauffeur.



Is voldaan aan het subjectieve criterium?




7. Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat, vanwege de omstandigheden van het geval, het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Als ‘omstandigheden van het geval’ kunnen (onder meer) worden genoemd: de afdoening van de strafzaak (waarbij ook de kans op recidive van belang is), het tijdsverloop, de hoeveelheid antecedenten en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Verweerder heeft bij voormelde belangenafweging een zekere beoordelingsruimte.




7.1.
Verzoeker wijst erop dat hij al jaren in de bijstand zit. Hij wil graag aan het werk, maar ook zijn eerdere aanvragen voor een VOG zijn afgewezen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker graag aan de slag wil als taxichauffeur. Verzoeker krijgt een bijstandsuitkering en er ligt nu een heel concreet aanbod om aan de slag te kunnen voor een werkgever. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker echter ook inkomen kan genereren door te solliciteren op een baan waarvoor geen VOG is vereist. Zij ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van verzoeker heeft laten uitvallen.





Conclusie en gevolgen


8. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven. Er is daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. Het dictum is per e-mail aan de gemachtigden meegedeeld op 22 mei 2026 omstreeks 14.40 uur.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 163, zesde lid, van de Wvw 1994.


Artikel 9, vijfde lid, van de Wvw 1994.


Artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.


Artikel 8, vijfde lid, van de Wvw 1994.


Paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium, van de Beleidsregels.


Paragraaf 3.1.3.2. Indien herhaald, van de Beleidsregels.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2677.


Paragraaf 3.1.4. Het subjectieve criterium, van de Beleidsregels.