Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:16089

2026-02-06 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht AWB 24/14465 AWB 24/19819
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-02-06
Publicatiedatum
2026-06-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB 24/14465 AWB 24/19819
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

VK regulier, ambtshalve toets vbv regulier medische behandeling, art. 3.6b Vb, gelijkheidsbeginsel, gegrond

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.706 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummers: AWB 24/14465 en 24/19819


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaken tussen



[eiser] , uit [plaats] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),



en




de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. M. Berkelmans).




Inleiding
1. Eiser heeft op 20 april 2021 een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) ingediend. In het besluit op bezwaar van 22 augustus 2024 (het bestreden besluit I) heeft de minister uitstel van vertrek verleend met ingang van 20 april 2021 tot 20 april 2022 en met drie verlengingen tot 20 april 2025.


1.1.
Eiser heeft verder op 12 december 2023 een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor medische behandeling ingediend. In het besluit op bezwaar van 11 november 2024 (het bestreden besluit II) heeft de minister deze verblijfsvergunning verleend met ingang van 12 december 2023 tot 11 november 2025.



1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I (AWB 24/14465) en tegen het bestreden besluit II (AWB 24/19819). Eiser vindt dat de minister ten onrechte niet ambtshalve heeft getoetst of hij (met ingang van een eerdere datum) in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met medische behandeling en voor voortgezet verblijf.


1.3.
De rechtbank heeft de beroepen van eiser op 7 oktober 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Over de ambtshalve toets in artikel 3.6b van het Vb


2. In beide beroepen is tussen partijen uitsluitend in geschil of de minister ambtshalve had moeten toetsen aan artikel 3.6b, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb). Hierin staat dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve kan worden verleend onder een beperking verband houdend met medische behandeling, tijdelijke humanitaire gronden of niet-tijdelijke humanitaire gronden. De reden dat eiser een beroep wil doen op de ambtshalve toets is omdat in dat kader een ingangsdatum met terugwerkende kracht kan worden vastgesteld. In het kader van een aanvraagprocedure kan de verblijfsvergunning regulier niet eerder worden verleend dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.


2.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de minister de bevoegdheid en niet de plicht heeft om op grond van artikel 3.6b van het Vb ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dat neemt niet weg dat de minister deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van die bevoegdheid. De minister moet dit motiveren, als de vreemdeling impliciet of expliciet een beroep doet op de bevoegdheid van de minister om ambtshalve te toetsen. De minister kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijk beleid als daarin is toegelicht waarom in bepaalde gevallen geen gebruik wordt gemaakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom van deze bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt. Vanzelfsprekend kan de minister er ook voor kiezen zonder een daartoe strekkende aanvraag inhoudelijk te beoordelen of er aanleiding is van deze bevoegdheid gebruik te maken.Standpunten van partijen


3. De minister stelt zich op het standpunt dat de minister in het kader van een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw de mogelijkheid heeft om door te toetsen op grond van artikel 3.6b van het Vb. Als door de vreemdeling een beroep op dit artikel wordt gedaan, dan verricht de minister de ambtshalve toets óf dan motiveert de minister in het besluit waarom er geen gebruik wordt gemaakt van de doortoetsbevoegdheid. De minister verwijst in dit verband naar Informatiebericht 2024/19. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser in de procedure over het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw geen beroep heeft gedaan op artikel 3.6b van het Vb. De brieven van eiser van 30 april 2024 en van 27 juni 2024, waarin wordt verzocht om de ambtshalve toets, zijn namelijk ingediend in de andere procedure van eiser, omtrent de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor medische behandeling. De brief van eiser van 23 augustus 2024, waarin eveneens wordt verzocht om de ambtshalve toets, is wel ingediend in de juiste procedure, maar dateert van na het bestreden besluit.




3.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat het niet van belang is welk procedurenummer er al dan niet boven de brieven van 30 april 2024, 27 juni 2024 en 23 augustus 2024 staat. Van belang is dat het V-nummer van eiser op deze brieven staat en dat het verzoek aan de minister om ambtshalve te toetsen aan artikel 3.6b van het Vb vormvrij mag worden gedaan, zolang het maar wordt ingediend tijdens de procedure om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Het is dan aan de minister om ambtshalve te toetsen en zo nodig (al dan niet in een soort ‘derde spoor’) een aanvullend besluit te nemen. Eiser beroept zich op het gelijkheidsbeginsel en noemt twee V-nummers van vreemdelingen in wiens geval de minister wel een ambtshalve toets heeft verricht. Deze gevallen zijn volgens eiser vergelijkbaar met zijn situatie. Eiser beroept zich verder op het evenredigheidsbeginsel. Het standpunt van de minister dat het juiste procedurenummer boven de brief moet staan en dat één brief maar aan één dossier kan worden toegevoegd, is volgens eiser in strijd met de menselijke maat.



Beoordeling door de rechtbank




4. De rechtbank stelt vast dat dat eiser in de brieven van 30 april 2024, 27 juni 2024 en 23 augustus 2024 een beroep heeft gedaan op de ambtshalve toets van artikel 3.6b van het Vb. Laatstgenoemde brief is ingediend in de procedure naar aanleiding van de aanvraag om uitstel van vertrek, maar is ingediend nadat het bestreden besluit I is genomen. Dit beroep op de ambtshalve toets is daarom te laat gedaan. De eerste en tweede brief zijn ingediend in de procedure naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. De brief van 30 april 2024 is namelijk ingediend in reactie op de brief van de minister omtrent vrijstelling van de leges ten aanzien van de aanvraag om de verblijfsvergunning regulier. De brief van 27 juni 2024 betreft het bezwaarschrift gericht tegen het primaire besluit waarin de aanvraag voor de verblijfsvergunning regulier niet in behandeling is genomen. In deze brieven heeft eiser dus tijdig en expliciet een beroep gedaan op de ambtshalve toets. 4.1. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat er geen beleid is waarin staat waarom in bepaalde gevallen geen gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om ambtshalve te toetsen aan artikel 3.6b, aanhef en onder a van het Vb. In het Informatiebericht 2024/19 staat wel een werkwijze, maar in het informatiebericht is uitdrukkelijk bepaald dat dit informatiebericht geen beleidsregels bevat en dat hiernaar niet kan worden verwezen voor de motivering. De rechtbank moet daarom beoordelen of de minister in het individuele geval van eiser voldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om ambtshalve te toetsen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Zij legt dat hierna uit.



4.2.

In het bestreden besluit II heeft de minister het standpunt ingenomen dat de ambtshalve toets dient te worden behandeld in de procedure naar aanleiding van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom de ambtshalve toets alleen kan worden verricht in de procedure omtrent de aanvraag om uitstel van vertrek en niet in de procedure over de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor medische behandeling. In tegenstelling tot de artikelen 3.6 en 3.6a van het Vb, op grond waarvan de ambtshalve toets kan worden verricht in geval van afwijzing van specifieke aanvragen, is in artikel 3.6b van het Vb namelijk niet vermeld dat de ambtshalve toets alleen kan worden verricht in het kader van een specifieke aanvraag. Dit staat ook in het Informatiebericht 2024/19. Verder wijst eerdere communicatie van de minister in de procedure omtrent uitstel van vertrek er niet op dat de ambtshalve toets niet kan worden verricht in de procedure omtrent de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier. In het e-mailbericht van 13 september 2024 stelt de minister zich - naar aanleiding van de brief van eiser van 23 augustus 2024 waarin een beroep wordt gedaan op de ambtshalve toets - namelijk op het standpunt dat eiser nog een bezwaarzaak open heeft staan in verband met de verblijfsvergunning regulier onder de beperking medische behandeling en dat het daarom voor eiser niet nodig is om in beroep te gaan tegen het bestreden besluit omtrent het uitstel van vertrek in verband met het beroep van eiser op de ambtshalve toets. De rechtbank zal het beroep met zaaknummer AWB 24/19819 daarom gegrond verklaren.
5. De rechtbank beoordeelt vervolgens de beroepsgrond van eiser met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft toegelicht dat verweerder in twee andere zaken aansluitend op het verleende uitstel van vertrek een verblijfsvergunning op medische gronden en voor voortgezet verblijf heeft verleend. In een van deze zaken is door de minister toegelicht dat hoewel niet is verzocht om een ambtshalve toets, de minister er in het kader van de menselijke maat toch voor kiest om deze te verrichten. De vreemdeling in de betreffende zaak heeft door het verloop van de procedure niet de mogelijkheid gehad om eerder een aanvraag in te dienen voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking medische behandeling. Eiser heeft toegelicht dat de zaken vergelijkbaar zijn omdat hij ook pas op een veel later moment (22 augustus 2024) ervan op de hoogte is gesteld dat hij met terugwerkende kracht (tot 20 april 2021) uitstel van vertrek heeft gekregen. Eiser heeft ook de V-nummers van de vreemdelingen genoemd. Eiser heeft hiermee, als toelichting op zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel, twee concrete gevallen genoemd die volgens hem op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie.




5.1.
Het is vervolgens aan de minister om aannemelijk te maken dat de gevallen niet gelijk zijn. Daarin is de minister naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat de minister in de twee door eiser genoemde zaken is afgeweken van de standaardwerkwijze om niet ambtshalve door te toetsen, vanwege de uitzonderlijke omstandigheden in de betreffende zaken. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uitgelegd waarom de omstandigheden in de betreffende zaken uitzonderlijk waren en de omstandigheden in de zaak van eiser niet. Zo heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat in een van de zaken een uitzonderlijk lange looptijd aan de orde was omdat uitstel van vertrek is verleend met 5 jaar terugwerkende kracht. Ook de zaak van eiser heeft echter een lange looptijd van ruim 3 jaar, waarin eerder twee beroepen gegrond zijn verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom dit de zaken wezenlijk anders maakt. De rechtbank zal daarom ook het beroep met zaaknummer AWB 24/14465 gegrond verklaren.



Conclusie en gevolgen


6. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten I en II motiveringsgebreken bevatten. Deze gebreken zien níet op het aan eiser verleende uitstel van vertrek en ook niet op de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor medische behandeling per tenminste de in de bestreden besluiten I en II genoemde data. De gebreken zien op de motivering van het (niet) verrichten van de ambtshalve toets. De rechtbank is daarom gehouden om de bestreden besluiten I en II te vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, omdat het aan de minister is om de motiveringsgebreken ten aanzien van het al dan niet verrichten van de ambtshalve toets te herstellen. De rechtbank bepaalt dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.



6.1.

Omdat beide beroepen gegrond zijn, moet de minister het griffierecht in beide
beroepen aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank merkt de twee beroepen aan als samenhangende zaken omdat de rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. De rechtbank stelt de vergoeding daarom vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor deelname aan de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen met zaaknummers AWB 24/14465 en 24/19819 gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten I en II;
- draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het in de beroepen betaalde griffierecht van in totaal € 374,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr.E. Kersten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.





de rechter is verhinderd om


deze uitspraak te ondertekenen











griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 26, eerste lid, van de Vw.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2022:187.