Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:16021

2026-03-11 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.41207 T
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-11
Publicatiedatum
2026-06-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL24.41207 T
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gezinshereniging Nederlandse referent met echtgenote en kinderen in Eritrea. Afwijzing vanwege o.a. niet voldaan aan het middelenvereiste. Handvest en Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing. Vluchtelingenachtergrond referent onvoldoende betrokken in de beoordeling. Tussenuitspraak

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.503 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht


Zaaknummer: NL24.41207 T


V-nummers: [v-nummer 1]

[v-nummer 2]


[v-nummer 3]


[v-nummer 4]



uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen




[eiseres 1],
geboren op [geboortedag 1] 1975, eiseres


mede namens haar kinderen:





[eiser 1],
geboren op [geboortedag 2] 2005, eiser




[eiser 2],
geboren op [geboortedag 3] 2007, eiser




[eiseres 2],
geboren op [geboortedag 4] 2009, eiseres


allen van Eritrese nationaliteit,
hierna samen: eisers,
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),



en




de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. S. Beyik-Koçer).



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent]’ (referent).



1.1.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit van 24 september 2024 beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, zijn zoon, S.A. Mohammed als tolk in de taal Tigrinya, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eisers terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.



Achtergrond



3. Eisers zijn de echtgenote en kinderen van referent. Referent is in 2015 via nareis naar
Nederland gekomen, om te verblijven bij zijn zoon [naam]. Op 2 november 2016 is hij in het bezit gesteld van een zelfstandige verblijfsvergunning asiel. Inmiddels heeft referent de Nederlandse nationaliteit. Referent heeft meerdere aanvragen ingediend om zijn echtgenote en drie kinderen via nareis naar Nederland te laten overkomen. Deze zijn vanwege termijnoverschrijding afgewezen. Referent heeft op 9 maart 2023 onderhavige aanvraag ingediend.



Totstandkoming van het besluit



4. Met het besluit van 31 oktober 2023 (het primaire besluit) is de aanvraag afgewezen. Op 26 november 2023 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Met het besluit van 24 september 2024 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard, omdat referent niet voldoet aan het middelenvereiste en hiervan niet wordt vrijgesteld. Ook heeft referent de identiteit van zijn kinderen en zijn familierechtelijke relatie met hen niet aangetoond. Daarom is er volgens de minister geen sprake van gezinsleven tussen referent en zijn kinderen.



Omvang van het geschil



5. De rechtbank overweegt dat de minister op de zitting naar voren heeft gebracht dat gezinsleven tussen referent en zijn echtgenote wel wordt aangenomen. Tussen partijen is in geschil of het middelenvereiste kan worden tegengeworpen en of er sprake is van gezinsleven tussen referent en zijn kinderen. Wat betreft het middelenvereiste is tussen partijen niet in geschil dat referent niet voldoet aan het middelenvereiste en dat hij niet valt onder een van de vrijstellingsvoorwaarden. Wel is in geschil of het in het specifieke geval van referent evenredig is om vast te houden aan het middelenvereiste.



Toetsingskader



6. Als eerste voeren eisers aan dat een onjuiste toets is gehanteerd waarbij het EU-recht niet is betrokken. Ten onrechte is in het bestreden besluit gesteld dat referent geen rechten zou kunnen ontlenen aan het EU-recht en aan de Gezinsherenigingsrichtlijn (hierna: de richtlijn) in het bijzonder. Ten aanzien van genaturaliseerde asielstatushouders heeft de Afdeling in haar uitspraak van 5 november 2019 namelijk overwogen dat een genaturaliseerde asielstatushouder weliswaar geen nareisaanvraag meer kan indienen omdat dat niet strookt met de tekst van artikel 29 van de Vw, maar dat zijn aanvraag wel dient te worden beoordeeld aan de hand van het EU-recht, te weten artikel 5, vijfde lid en artikel 17 van de richtlijn, en aan artikel 8 van het EVRM. De richtlijn, het Handvest en artikel 8 van het EVRM zijn dus op de aanvraag van toepassing.

7. De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de richtlijn in onderhavige zaak niet van toepassing is, nu referent ten tijde van de onderhavige aanvraag reeds de Nederlandse nationaliteit bezat. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2025 blijkt dat in dergelijke gevallen uitsluitend dient te worden getoetst aan artikel 8 van het EVRM.

8. Eisers stellen in reactie hierop dat uit de Afdelingsuitspraak van 5 november 2019 volgt dat in hun geval geen sprake is van een onderscheid tussen een zuiver interne situatie en een door het EU-recht beheerste situatie. De Afdeling overwoog in die uitspraak namelijk dat de Nederlandse wetgever ervoor heeft gekozen om artikel 7 van de richtlijn van overeenkomstige toepassing te achten in de situatie van gezinshereniging van een derdelander met een Nederlander.

9. De rechtbank volgt dit standpunt van eisers. De richtlijn, het Handvest en artikel 8 van het EVRM zijn op de aanvraag van eisers van toepassing. De uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2025 waarnaar de minister verwijst, betreft een mvv-aanvraag voor verblijf bij een Nederlandse minderjarige. Dat is een andere situatie dan die van eisers en referent. De uitspraak van de Afdeling van 5 november 2019 waarnaar eisers verwijzen, is wel vergelijkbaar, omdat het daarin gaat om de gezinshereniging van een derdelander met een Nederlander. Uit deze uitspraak volgt dat de richtlijn, het Handvest en artikel 8 van het EVRM van toepassing zijn op een situatie zoals die van eisers. De minister heeft dit niet onderkend.


9.1.
De beroepsgrond slaagt.



Middelenvereiste




10. Eisers voeren verder aan dat met de afwijzing niet wordt voldaan aan de opdracht van de Afdeling om in reguliere zaken de vluchtelingenachtergrond en individuele context in zijn geheel mee te wegen. De Afdeling overwoog reeds op 27 december 2018 dat dit noodzakelijk is. Op 3 juli 2023 overwoog de Afdeling dat de minister aan die opdracht niet heeft voldaan. Het feit dat de referent vluchteling is betekent dat niet mag worden gestopt bij het bekijken van de formele vrijstellingsgronden. Dat is wel wat als uitgangspunt is genomen in dit besluit. Referent voldoet niet aan de formele gronden, en van bijzondere omstandigheden om af te wijken is volgens de minister geen sprake. Eisers stellen zich op het standpunt dat het feit dat referent vluchteling is, al een dergelijke bijzondere omstandigheid is. Er mogen geen aanvullende bijzondere omstandigheden worden geëist voordat sprake zou kunnen zijn van een afweging tot niet tegenwerpen van het middelenvereiste.




10.1.
Eisers verwijzen daarbij naar de uitspraak van het Hof van 7 november 2018 waarin het Hof onderschrijft dat een voorwaarde mag worden gesteld maar waarbij niet uit het oog mag worden verloren: de vluchtelingenachtergrond die gezinsleven in het eigen land belet, de belangen van kinderen en de omstandigheid dat het voor een vluchteling moeilijker kan zijn om te voldoen aan een voorwaarde zoals de inkomenseis. Het Hof vereist volgens eisers een volledige beoordeling van het individuele geval en niet een norm die altijd geldt en waar alleen in bijzondere gevallen van wordt afgeweken.



10.2.
Daarbij voeren eisers aan dat ook van belang is dat zij leden van het kerngezin zijn in de zin van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn. Dit betekent dat de belangenafweging in het kader van artikel 17 van de richtlijn niet overeenkomt met de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2023. De Afdeling overweegt dat een belangenafweging volgens artikel 17 van de richtlijn gunstiger kan zijn. De richtlijn verplicht de lidstaten namelijk om in de door de richtlijn vastgestelde gevallen aan kerngezinsleden gezinshereniging toe te staan. Een lidstaat mag een aanvraag alleen afwijzen op grond van artikel 16 van die richtlijn. Bij zo’n afwijzing moet een beslisautoriteit een belangenafweging maken volgens artikel 17 van de richtlijn. Daartegenover staat dat verdragsstaten op grond van artikel 8 van het EVRM een beoordelingsmarge hebben om gezinshereniging toe te staan en daartoe vaak pas verplicht zijn bij bijzondere omstandigheden.



10.3.
Tot slot voeren eisers aan dat de belangen van de kinderen voorop dienen te staan. De minister heeft deze belangen ten onrechte niet meegewogen. Eisers en referent zijn al lang van elkaar gescheiden. De belangen van de kinderen om met hun ouders samen te kunnen wonen, dienen zwaar te wegen en voorop te staan in de afweging. Het tegenwerpen van de inkomenseis mag niet zwaarder wegen dan die belangen. Het doel van de richtlijn is het bevorderen van hereniging, juist om integratie te verbeteren in het gastland, en juist met aandacht voor vluchtelingen. Referent heeft pech met de hulp om werk te verkrijgen. Hij wil best werken, maar heeft een aanzienlijke achterstand met taal en begeleiding. Dat kan hem niet (zwaar) worden aangerekend. Hij heeft ook een leeftijd waarbij het niet meer zo makkelijk is om werk te vinden en zeker niet met een grote taalachterstand. Daartegenover staat dat de kinderen hun vader al lang moeten missen. Eisers menen dat het niet redelijk is tegen hen te zeggen dat ze nog veel langer gescheiden zullen blijven van hun vader, tot hij er op een gegeven moment mogelijk wel in slaagt inkomen te verdienen. Dat dient hun belangen geenszins.


11. De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat alles is betrokken in de beoordeling, inclusief de vluchtelingenachtergrond. De minister verwijst naar pagina’s 5 en 7 van het bestreden besluit.




11.1.
Op pagina 5 van het bestreden besluit stelt de minister dat het tegenwerpen van het middelenvereiste niet onevenredig is. De omstandigheid dat referent als vluchteling naar Nederland is gekomen en dat hij al lang gescheiden is van zijn gezin, maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor afgeweken dient te worden van het beleid. Anders dan in de Afdelingsuitspraak van 3 juli 2023 waar eisers naar verwijzen, is referent 53 jaar en is niet gebleken dat hij van de gemeente een ontheffing heeft gekregen van de arbeidsverplichtingen krachtens de Participatiewet. Verder is niet gebleken dat referent nimmer aan het middelenvereiste zal kunnen voldoen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de overgelegde informatie blijkt dat referent vooruitgang boekt bij de taallessen, waardoor zijn kansen op de arbeidsmarkt worden vergroot. Ook kan referent zich (opnieuw) tot de gemeente wenden voor ondersteuning bij een traject naar werk.



11.2.
Op pagina 7 van het bestreden besluit stelt de minister dat de echtgenote en kinderen van referent zijn geboren en getogen in Eritrea. De zoon van referent verblijft sinds kort in Ethiopië. De banden die de echtgenote en kinderen van referent met Eritrea hebben zijn sterk. Zij hebben geen banden met Nederland, behalve hun band met referent. Zij zijn hier nog nooit geweest. Dit weegt mee in het nadeel. Ten aanzien van de kinderen weegt mee dat zij in Eritrea wonen met hun moeder. Zij zorgt voor hen en zij zorgt ervoor dat in hun levensbehoeften wordt voorzien. Dit weegt mee in het nadeel van referent.


12. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2023 waarnaar eisers verwijzen volgt dat als de minister in het bestreden besluit alleen vermeldt dat een referent niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het middelenvereiste omdat hij niet valt onder een van de formele vrijstellingsgronden, de minister bij de afwijzing van de aanvraag onvoldoende kenbaar betrekt dat referent een vluchteling is van wie de nareisaanvraag eerder is afgewezen vanwege overschrijding van de driemaandentermijn.




12.1.
De rechtbank volgt het standpunt van eisers dat de minister de vluchtelingenachtergrond van referent onvoldoende kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. De minister heeft alleen vermeld dat referent niet voldoet aan de formele vrijstellingsgronden. De minister heeft daarbij over de vluchtelingenachtergrond van referent enkel overwogen dat dit geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan afgeweken dient te worden van het beleid. De minister heeft daarmee ten onrechte geen invulling gegeven aan artikel 17 van de richtlijn en ten onrechte geen belangenafweging gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen, de aard en hechtheid van de gezinsbanden, de banden met het land van herkomst en de duur van verblijf in de lidstaat. De minister erkent in het bestreden besluit weliswaar dat referent zijn gezinsleven in Eritrea niet kan uitoefenen, maar licht daarbij niet toe welk gewicht hieraan toekomt in de belangenafweging. De minister betrekt ook ten onrechte niet in de beoordeling dat het voor referent vanwege zijn vluchtelingenachtergrond moeilijker kan zijn om over voldoende inkomsten te beschikken dan voor andere derdelanders. Referent heeft in dit verband gesteld dat hij niet altijd adequate hulp heeft gekregen en dat sprake was van stagnatie in 2021 door corona en een onvoldoende taalniveau. Stichting Vangnet heeft de bevindingen van twee taaldocenten overgelegd. Zij schetsen een beeld van een man die geen gemakkelijk leven heeft gehad en aanvankelijk een zwaar getraumatiseerde indruk maakte, maar die zich inmiddels goed ontwikkelt en een enorme progressie heeft gemaakt voor iemand die nauwelijks kon lezen en schrijven. De minister dient de specifieke situatie van referent kenbaar in de beoordeling te betrekken. Tot slot heeft de minister in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening gehouden met de voorgeschiedenis van referent: zijn asielstatus, de behandelduur van de eerdere mvv-aanvragen en de redenen waarom de minister die aanvragen niet heeft gehonoreerd.


13. Het voorgaande brengt mee dat de minister het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Er kleeft een gebrek aan het bestreden besluit. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om de minister deze gelegenheid te bieden, omdat de procedure van eisers al bijna drie jaar duurt en toepassing van de bestuurlijke lus zou kunnen bijdragen aan een snellere afronding daarvan.




13.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw of aanvullend besluit moet nemen. In dat nieuwe besluit moet de minister bij de beoordeling invulling geven aan artikel 17 van de richtlijn en in het kader daarvan een belangenafweging maken waarbij de onder 12.1 genoemde omstandigheden kenbaar bij de beoordeling worden betrokken.



Het vervolg van de procedure



14. De rechtbank draagt de minister op om zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee weken na publicatie van deze uitspraak schriftelijk kenbaar te maken of hij gebruik wil maken van de gelegenheid om een nieuw of aanvullend besluit te nemen.

15. Als de minister gebruikmaakt van de gelegenheid om een nieuw of aanvullend besluit te nemen, krijgt de minister daarvoor zes weken de tijd. De gemachtigde van eisers krijgt daarna vier weken de tijd om op het aanvullende besluit te reageren.

16. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan. Dit betekent dat zij ook over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.




Beslissing


De rechtbank:




draagt de minister op om zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee weken na publicatie van deze uitspraak schriftelijk kenbaar te maken of hij gebruikmaakt van de gelegenheid om een nieuw of aanvullend besluit te nemen;


stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw of aanvullend besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; en


houdt iedere verdere beslissing aan.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.


Europese Unie.


Richtlijn 2003/86/EG.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2019:3697, rechtsoverweging 8.5.


Vreemdelingenwet 2000.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


ECLI:NL:RVS:2025:496, rechtsoverweging 3.1-3.2.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


ECLI:NL:RVS:2018:4275.


ECLI:NL:RVS:2023:2548.


Hof van Justitie van de Europese Unie.


ECLI:EU:C:2018:877, punt 52 en 53.


ECLI:NL:RVS:2023:27, rechtsoverweging 2.1.


ECLI:NL:RVS:2023:2548, overweging 4.2.


Uit artikel 3.22, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en het beleid in paragraaf B7/2.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.


Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.