Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:15885
2026-05-13
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.24165
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bewaring, zware en lichte gronden, voortvarend handelen, ambtshalve toetsing, ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2023:2829 Raad van State 26-07-2023
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.857 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24165
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 5 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Zware en lichte gronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zicht op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn verwijdering. Eiser is op 24 april 2026 in bewaring gesteld en eiser is pas op 5 mei 2026 naar Colombia gevlogen met behulp van de Internationale Organisatie van Migratie (IOM). Op dat moment was er vanuit de kant van verweerder nog niet eens een vluchtdatum bekend. Er vinden dagelijks vluchten plaats van Schiphol naar Colombia en daarnaast heeft eiser een geldig paspoort. Er was daarom slechts een ticket nodig om eisers vertrek te bewerkstelligen, en hij had veel eerder kunnen worden uitgezet. Als gevolg hiervan is de maatregel onrechtmatig en moet er schadeloosstelling plaatsvinden conform artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat er in het algemeen praktische redenen in de weg kunnen staan aan een vertrek. Zo is verweerder afhankelijk van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) voor het controleren van de beschikbaarheid van vluchten. Bovendien moeten er mensen beschikbaar zijn bij de Koninklijke Marechaussee in het geval iemand onder begeleiding terug zal keren. Volgens verweerder kan er daarom enige tijd overheen gaan voordat iemand wordt uitgezet, maar heeft verweerder wel voldoende voortvarend gehandeld.
6. Hoewel de rechtbank begrijpt dat bij eiser de indruk leeft dat zijn vlucht sneller had kunnen worden geregeld door verweerder, ziet zij in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaande aan de opheffing van de bewaring onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering uit Nederland. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2829), volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. Eiser is op 24 april 2026 in bewaring gesteld. Er is met hem op 28 april 2026 een vertrekgesprek gevoerd en op 29 april 2026 is er een vlucht aangevraagd. Verder is op 29 april 2026 bekend geworden dat eiser met behulp van de IOM een vlucht terug naar Colombia heeft geregeld op 5 mei 2026. Er is dus na minder dan vier dagen (en dus binnen zeven dagen) een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Dit is een uitzettingshandeling. Ook de vlucht is binnen zeven dagen aangevraagd. Ook voor zover de vlucht eerder had kunnen worden aangevraagd, geeft het tijdspad dat verweerder in dit geval heeft gevolgd de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
7. Aangezien deze beroepsgrond niet slaagt, ziet de rechtbank ook geen reden om in te gaan op eisers standpunt over schadeloosstelling op grond van artikel 5, vijfde lid, van het EVRM.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24165
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 5 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Zware en lichte gronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zicht op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn verwijdering. Eiser is op 24 april 2026 in bewaring gesteld en eiser is pas op 5 mei 2026 naar Colombia gevlogen met behulp van de Internationale Organisatie van Migratie (IOM). Op dat moment was er vanuit de kant van verweerder nog niet eens een vluchtdatum bekend. Er vinden dagelijks vluchten plaats van Schiphol naar Colombia en daarnaast heeft eiser een geldig paspoort. Er was daarom slechts een ticket nodig om eisers vertrek te bewerkstelligen, en hij had veel eerder kunnen worden uitgezet. Als gevolg hiervan is de maatregel onrechtmatig en moet er schadeloosstelling plaatsvinden conform artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat er in het algemeen praktische redenen in de weg kunnen staan aan een vertrek. Zo is verweerder afhankelijk van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) voor het controleren van de beschikbaarheid van vluchten. Bovendien moeten er mensen beschikbaar zijn bij de Koninklijke Marechaussee in het geval iemand onder begeleiding terug zal keren. Volgens verweerder kan er daarom enige tijd overheen gaan voordat iemand wordt uitgezet, maar heeft verweerder wel voldoende voortvarend gehandeld.
6. Hoewel de rechtbank begrijpt dat bij eiser de indruk leeft dat zijn vlucht sneller had kunnen worden geregeld door verweerder, ziet zij in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaande aan de opheffing van de bewaring onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering uit Nederland. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2829), volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. Eiser is op 24 april 2026 in bewaring gesteld. Er is met hem op 28 april 2026 een vertrekgesprek gevoerd en op 29 april 2026 is er een vlucht aangevraagd. Verder is op 29 april 2026 bekend geworden dat eiser met behulp van de IOM een vlucht terug naar Colombia heeft geregeld op 5 mei 2026. Er is dus na minder dan vier dagen (en dus binnen zeven dagen) een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Dit is een uitzettingshandeling. Ook de vlucht is binnen zeven dagen aangevraagd. Ook voor zover de vlucht eerder had kunnen worden aangevraagd, geeft het tijdspad dat verweerder in dit geval heeft gevolgd de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
7. Aangezien deze beroepsgrond niet slaagt, ziet de rechtbank ook geen reden om in te gaan op eisers standpunt over schadeloosstelling op grond van artikel 5, vijfde lid, van het EVRM.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.