Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:15102
2026-03-05
Bestuursrecht
AWB - 24 _ 2021
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Intrekking Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Veroordeling wegens het deelnemen aan de terroristische organisatie IS. Eiseres heeft wel een afgeleid verblijfsrecht als familielid van een Nederlnader (Chavez-Vilchez). Het beroep is ongegrond.
Citeert (38)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:1849 Rechtbank Amsterdam 24-03-2025
- ECLI:NL:RBROT:2019:3820 Rechtbank Rotterdam 18-04-2019
- ECLI:NL:HR:2018:672 Hoge Raad 04-05-2018
- ECLI:NL:RVS:2025:1969 Raad van State 30-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:2861 Raad van State 05-10-2022
- ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316
- ECLI:NL:RVS:2021:926 Raad van State 30-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1379 Gerechtshof Den Haag 18-07-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:394 Gerechtshof Den Haag 13-03-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1335 Gerechtshof Den Haag 13-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:37 Gerechtshof Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:3993 Rechtbank Gelderland 21-05-2025
- ECLI:EU:C:2010:104
- ECLI:NL:RVS:2020:3045 Raad van State 30-12-2020
- ECLI:NL:RVS:2023:2093 Raad van State 31-05-2023
- ECLI:NL:RVS:2024:2458 Raad van State 26-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2458 Raad van State 26-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2022:1745 Raad van State 22-06-2022
- ECLI:CE:ECHR:1976:0608JUD000510071
- ECLI:EU:C:2023:667
- ECLI:NL:RVS:2023:2366 Raad van State 28-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2020:3045 Raad van State 30-12-2020
- ECLI:NL:RVS:2024:2458 Raad van State 26-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2020:3045 Raad van State 30-12-2020
- ECLI:NL:RVS:2025:1528 Raad van State 16-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:3604 Raad van State 11-09-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2458 Raad van State 26-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:2366 Raad van State 28-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:2093 Raad van State 31-05-2023
- ECLI:NL:RVS:2022:2861 Raad van State 05-10-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1745 Raad van State 22-06-2022
- ECLI:NL:RVS:2020:3045 Raad van State 30-12-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2025:1849 Rechtbank Amsterdam 24-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14976 Rechtbank Den Haag 11-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4168 Raad van State 04-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:1267 Raad van State 11-05-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12358 Rechtbank Den Haag 26-03-2024
- ECLI:CE:ECHR:2024:1205JUD002549118
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (45.725 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2021
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.V. de Kort en mr. W.J. Poot).
Inleiding
1.1.
Met het (primaire) besluit van 27 juli 2023 heeft verweerder met onmiddellijke ingang het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 januari 2024 (het bestreden besluit), waarbij verweerder haar bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond heeft verklaard.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft verweerder op
11 juni 2025 een stuk ingezonden en gevraagd om beperking van de kennisneming daarvan.
Eiseres heeft op 18 juni 2025 gereageerd op dit verzoek.
1.4.
De rechtbank heeft de beslissing als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb opgedragen aan een andere kamer van de rechtbank (de geheimhoudingsrechter).
1.5.
Eiseres heeft de rechtbank bij brief van 22 augustus 2025 verzocht om de behandeling van het onderhavige beroep aan te houden tot de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025.
De rechtbank heeft dit verzoek op 2 september 2025 afgewezen.
1.6.
Bij beslissing van 9 oktober 2025 heeft de geheimhoudingsrechter het verzoek van verweerder als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb toegewezen. Eiseres heeft de rechtbank toestemming verleend om mede op de grondslag van bedoeld stuk uitspraak te doen. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft kennis genomen van bedoeld stuk.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld van haar echtgenoot, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder, mr. W.J. Poot.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft bij geboorte de Turkse nationaliteit verkregen. Zij is op vijfjarige leeftijd met haar moeder naar Nederland gekomen. Eiseres heeft bij Koninklijk Besluit van 6 maart 2007 door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit verkregen. Sindsdien heeft zij de Nederlandse en de Turkse nationaliteit gehad. Eiseres heeft haar eerdere echtgenoot in Nederland leren kennen. Zij is hem gevolgd naar Syrië. Volgens eiseres is zij met hem op [datum 1] 2017 gehuwd naar islamitisch recht in het gebied van IS in Syrië. Volgens eiseres is haar man op
3 oktober 2017 tijdens een bombardement in Syrië om het leven gekomen. Op
[datum 2] 2017 is hun zoon geboren in Syrië. De zoon heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. Eiseres is met haar zoon op 17 juli 2018 teruggekeerd naar Nederland en zij is direct aangehouden. Zij heeft in de periode 18 juli 2018 tot 15 januari 2019 in preventieve hechtenis verbleven. Zij is op [datum 3] 2021 gehuwd met haar huidige echtgenoot.
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Eiseres is in 2019 door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met bijzondere voorwaarden, wegens het deelnemen aan de terroristische organisatie IS in Syrië, in de periode 1 augustus 2016 tot
1 februari 2018. Uit het vonnis blijkt dat alle genoemde feiten en omstandigheden maken dat van louter burgerschap van IS door eiseres geen sprake is geweest en zij kan worden beschouwd als lid van en (daarmee) deelnemer aan de terroristische organisatie IS. Deze veroordeling is op 3 mei 2019 door het verstrijken van de appèltermijn onherroepelijk geworden.
2.2.
Na het voornemen van verweerder en de zienswijze daarop van eiseres, met aanvullingen en toegelicht bij een zienswijzegesprek, heeft verweerder met het primaire besluit het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken met onmiddellijke ingang. Dit in verband met het door eiseres gepleegde misdrijf. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en is gehoord in het kader van haar bezwaar. Met het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
2.3.
Verweerder heeft op 7 oktober 2021 eveneens het voornemen kenbaar gemaakt tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en het opleggen van een inreisverbod voor de maximale duur van twintig jaar. Bij brief van 27 juli 2023 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat dit voornemen niet wordt doorgezet. Verweerder heeft ambtshalve geoordeeld dat eiseres, nu haar zoon de Nederlandse nationaliteit heeft en zij zorg– en opvoedtaken verricht, een afgeleid verblijfsrecht heeft als familielid van een Nederlander (het zogenoemde Chavez-Vilchez-verblijfsrecht). Zij krijgt een EU-verblijfsdocument.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Het onderhavige beroep gaat alleen over de met het bestreden besluit gehandhaafde intrekking van het Nederlanderschap van eiseres. De RWN geeft verweerder de bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap, onder meer in het geval een betrokkene onherroepelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf en de intrekking van het Nederlanderschap niet leidt tot staatloosheid.
Eiseres heeft uitgebreid aangevoerd waarom zij het niet eens is met de intrekking van het Nederlanderschap. De rechtbank zal de gronden hieronder bespreken.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
4. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt. Tot deze stukken behoren alle stukken die verweerder ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. Hiertoe behoren niet stukken die zich bevinden onder derden en die niet aan hem zijn verstrekt, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan.
4.1.
Eiseres voert aan dat het dossier dat verweerder heeft aangeleverd bij de rechtbank incompleet is, omdat daarin stukken van het Veiligheidshuis (VHH) ontbreken.
4.2.
Eiseres heeft op zitting aangegeven haar verzoek van 18 juni 2025 aan de rechtbank om bij alle vaste deelnemers van het VHH alle informatie over haar op te vragen niet meer te handhaven, omdat zij zelf al stukken heeft verkregen. Zij heeft bij brief van
11 juni 2025 een besluit van het Zorg- en VHH van 21 oktober 2024 overgelegd waarbij haar AVG-verzoek is ingewilligd. In dit besluit is eiseres onder meer meegedeeld wie de netwerkpartners zijn die bij de behandeling van haar casus zijn betrokken. Met dit besluit is eiseres het afsluitingsformulier van 1 december 2022 toegezonden, met de mededeling dat gegevens die naar een andere natuurlijk persoon zijn te herleiden zijn geanonimiseerd.
4.3.
De beroepsgrond (zie 4.1.) slaagt niet. Het dossier van eiseres bevat een e-mail van 4 augustus 2020 van één van de vaste deelnemers van het VHH, maar deze e-mail, inclusief de afzender, wordt niet met eiseres gedeeld op grond van artikel 7:4, zesde lid, van de Awb. De rechtbank overweegt dat verweerder deze e-mail op 11 juni 2025 heeft ingediend bij de rechtbank met een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb. Er bevinden zich volgens verweerder geen andere stukken van het VHH in het dossier. Verweerder zegt te hebben voldaan aan zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Niet in geschil is dat genoemde e-mail behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
4.4.
Op zitting heeft eiseres haar verzoek van 18 juni 2025 om bekend te maken van welke vaste deelnemer van het VHH de e-mail van 4 augustus 2020 afkomstig is, gehandhaafd. Zij stelt dat zij zonder die informatie geen context heeft en geen tegenspraak kan bieden.
De rechtbank stelt vast dat de geheimhoudingsrechter het verzoek van verweerder om beperking van de kennisneming van deze e-mail volledig heeft toegewezen, dus inclusief de gegevens van de afzender. In de beslissing van de geheimhoudingsrechter is voorts geoordeeld dat eiseres met deze beslissing niet in haar procesvoering wordt belemmerd. De tussenbeslissing van de geheimhoudingsrechter is een procesbeslissing, die kan worden aangevochten tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak. Dit is ook vermeld in deze beslissing. De rechtbank zal zich daarom onthouden van een beoordeling van deze beslissing.
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag inzake Nationaliteit (EVN)
5. Eiseres voert aan dat de intrekking van het Nederlanderschap in strijd is met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVN. Zij stelt daartoe dat verweerder aan de hand van de concrete gedragingen waarvoor eiseres is veroordeeld, moet beoordelen of eiseres daarmee de essentiële belangen van Nederland ernstig heeft geschaad. Bij die beoordeling had verweerder ook de aan eiseres opgelegde strafmaat en straf moeten betrekken. Volgens eiseres is aan haar een relatief lage gevangenisstraf opgelegd. Zij is voorts vrijgesproken van het tenlastegelegde ‘verrichten van handelingen met het oogmerk tot voorbereiding/bevordering van een misdrijf’. Er waren geen aanwijzingen dat zij naar het kalifaat is afgereisd om zelf deel te nemen aan de strijd. Daarnaast blijkt uit het reclasseringsadvies van 4 april 2019 dat, hoewel eiseres enkele salafistische principes lijkt te hanteren in het belijden van haar geloof, er geen aanwijzingen zijn dat zij geweld legitimeert, zal overgaan tot extremistisch geweld of anderen daartoe zal aanzetten. Gezien de beschermende factoren in de zin van het steunende netwerk en de coöperatieve houding van eiseres, wordt het gevaar voor herhaling als laaggemiddeld ingeschat. Verder is in het Pro Justitia rapport van 10 januari 2019 benadrukt dat er geen aanwijzingen zijn dat zij op enig moment veel bezig was met radicaal, gewelddadig gedachtegoed of dat zij zich vervreemd of afgewezen voelt binnen de Nederlandse samenleving. Verweerder heeft deze verzachtende omstandigheden ten onrechte niet betrokken bij de besluitvorming. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
5.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Uit de wetsgeschiedenis van de RWN volgt dat artikel 14, tweede lid, van de RWN een nadere concretisering is van het algemene criterium voor intrekking van nationaliteit uit artikel 7 van het EVN ('ernstig schaden van de essentiële belangen van de Staat'). Deze nadere concretisering brengt met zich dat ernstige schade aan de essentiële belangen van de Nederlandse Staat wordt voorondersteld als een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor één van de misdrijven genoemd in artikel 14, tweede lid, van de RWN.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 oktober 2022 het oordeel van de rechtbank onderschreven dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de 'Wijziging van de rijkswet op het Nederlanderschap ter verruiming van de mogelijkheden voor het ontnemen van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven' volgt dat alle misdrijven op grond waarvan het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, van de RWN kan worden ingetrokken, misdrijven zijn die de essentiële belangen van de Nederlandse Staat ernstig schaden. De rechtbank ziet, met verweerder, geen reden om daar van af te wijken.
5.2.
In het bestreden besluit is verweerder ingegaan op de ernst van de schending van de essentiële belangen van het Koninkrijk. Vaststaat dat eiseres onherroepelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf (zie 2.1.). Terroristische misdrijven worden gerekend tot de zwaarste categorie van misdrijven. Dit vindt steun in het arrest Ghoumid van het EHRM van 25 juni 2020 en in de Afdelingsuitspraak van 30 april 2021. Hiermee heeft eiseres de essentiële belangen van Nederland ernstig geschaad.
5.3.
Anders dan eiseres stelt, is verweerder niet gehouden om te treden in de strafrechtelijke beoordeling van de veroordeelde, in dit geval eiseres. De strafrechter heeft de ernst van de feiten, de strafmaat en voorts het door eiseres genoemde reclasseringsadvies en Pro Justitia rapport - ook de door eiseres genoemde passages - al beoordeeld. Verweerder mag in beginsel uitgaan van de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling en hoeft de door eiseres genoemde rapportages niet opnieuw te wegen in het kader van de vraag of de essentiële belangen van Nederland zijn geschaad. Die vraag wordt immers beantwoord door de veroordeling zelf. Alleen in het bijzondere geval dat sprake is van nadien gebleken feiten en omstandigheden die afbreuk doen aan of een nieuw licht werpen op de grondslagen of overwegingen van het strafvonnis, kan aanleiding bestaan hierover anders te oordelen.
In deze zaak is dat niet aan de orde.
5.4.
Eiseres heeft verwezen naar arresten van het Gerechtshof Den Haag, waarin volgens eiseres de rechtspraak ten aanzien van zogenoemde uitreizigers is genuanceerd, in die zin dat een aantal uitreizende vrouwen recentelijk zijn vrijgesproken van het deelnemen aan een criminele organisatie met een terroristisch oogmerk. Zij meent dat verweerder dit zou moeten meewegen. In het door haar genoemde arrest van 18 juli 2025 is geoordeeld dat het verblijf van de vrouw in Syrië en het aldaar voeren van een gemeenschappelijke huishouding met haar echtgenoot niet kan worden aangemerkt als een deelnemingshandeling van de vrouw. Eiseres stelt dat de feiten in dat arrest vergelijkbaar zijn met de feiten in haar zaak en dat het zeer de vraag is of zij op dit moment nog zou zijn veroordeeld voor het deelnemen aan een terroristische organisatie.
De rechtbank overweegt dat wat eiseres hier heeft aangevoerd niet kan afdoen aan hetgeen onder 5.1. en 5.3. is overwogen. Anders dan de andere betrokkenen heeft eiseres geen hoger beroep ingesteld tegen haar veroordeling. Haar veroordeling is wel onherroepelijk geworden.
5.5.
De rechtbank volgt voorts het standpunt van verweerder dat het feit dat eiseres een EU-verblijfsrecht heeft, hier niet aan kan afdoen. Dit verblijfsrecht houdt geen verband met de maatregel tot intrekking van het Nederlanderschap.
5.6.
Gelet op artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN is verweerder dan ook bevoegd om het Nederlanderschap van eiseres in te trekken.
Functioneel onweerlegbare rechtspresumptie
6. Eiseres voert aan dat sprake is van een functioneel onweerlegbare rechtspresumptie. In zaken als deze volgt namelijk in de praktijk automatisch een intrekking van het Nederlanderschap op de strafrechtelijke veroordeling, omdat wordt aangenomen dat een persoon die is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf, zijn band met Nederland heeft verbroken, behoudens nog nooit aangenomen en zeer uitzonderlijke omstandigheden. Dit is volgens haar in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidbeginsel en met het recht op een doeltreffende voorziening, zoals bedoeld in artikel 47 van het Handvest en artikel 13 van het EVRM. Verder is volgens eiseres intrekking van het Nederlanderschap geen geschikt en noodzakelijk middel om de doelstelling te bereiken.
6.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Verweerder wijst er terecht op dat het uitgangspunt weliswaar is dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken in het geval iemand onherroepelijk veroordeeld is voor een terroristisch misdrijf, maar dat daarvan kan worden afgezien in het geval sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden die in de weg staan aan een intrekking. Dat dit het uitgangspunt is, is begrijpelijk nu ook het EHRM aanneemt dat terroristische misdrijven het fundament van de democratie ondermijnen. Of sprake is van bijzondere omstandigheden beoordeelt verweerder in het kader van de belangenafweging die wordt voorgeschreven door artikel 68a van het BvvN. De rechtbank gaat hierna, onder rechtsoverweging 7. en verder, nader in op deze belangenafweging.
De stelling van eiseres dat verweerder in de praktijk nooit heeft afgezien van een intrekking van het Nederlanderschap nadat de bevoegdheid is geactiveerd, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft dit bovendien op zitting weersproken. Dat sprake is van een functioneel onweerlegbare rechtspresumptie, volgt de rechtbank niet.
Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en artikel 68a van het BvvN
7. Omdat de intrekking van de Nederlandse nationaliteit van eiseres tot gevolg heeft dat zij het Unieburgerschap verliest, moet verweerder beoordelen of de intrekking evenredig is. Bij deze evenredigheidsbeoordeling moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor eiseres en haar gezinsleden. In dit verband moet met name worden nagegaan of het verlies van de rechten van het Unieburgerschap gerechtvaardigd is in het licht van de ernst van de door eiseres gepleegde inbreuk, het tijdsverloop tussen de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit en de intrekking daarvan en de mogelijkheid voor de betrokkene om de vroegere nationaliteit terug te krijgen.
7.1.
De intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN is een discretionaire bevoegdheid van verweerder. De ruimte die verweerder heeft om af te zien van de intrekking is echter beperkt. Deze discretionaire ruimte is nader ingevuld door artikel 68a van het BvvN. Uit deze bepaling volgt dat verweerder bij de intrekking van het Nederlanderschap onder meer rekening houdt met (a) de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap en (b) zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van eiseres.
7.2.
De Afdeling heeft geoordeeld dat dit toetsingskader in overeenstemming is met de kaders die het Hof van Justitie heeft gegeven voor het maken van een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling. Het betoog van eiseres dat de belangenafweging die verweerder in deze zaak heeft gemaakt een te beperkt karakter heeft en niet in overeenstemming is met artikel 68a van het BvvN en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel volgt de rechtbank daarom niet.
Belangenafweging
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt en dat de intrekking van het Nederlanderschap niet wegens zeer bijzondere omstandigheden achterwege moet blijven. De Staatssecretaris heeft er een groot belang bij dat Atici zich niet als Nederlander kan manifesteren en gebruik kan maken van de rechten die aan het Nederlanderschap zijn verbonden, zoals het kiesrecht, het recht op een paspoort en identiteitskaart, en de mogelijkheid van reizen als Nederlander binnen Nederland en de Europese Unie en daarbuiten en consulaire bescherming. Niet ten onrechte stelt verweerder dat de door eiseres naar voren gebrachte belangen om het Nederlanderschap en Unieburgerschap te behouden, niet opwegen tegen het belang van verweerder bij het intrekken van het Nederlanderschap wegens de geschonden essentiële belangen. Hierbij heeft verweerder voorop mogen stellen dat eiseres is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf, dat tot de zwaarste categorie van misdrijven worden gerekend. Die veroordeling brengt in beginsel mee dat de band tussen eiseres en Nederland niet langer kan bestaan. De verlening van een van haar zoon afgeleid en tijdelijk EU-verblijfsrecht impliceert niet dat deze banden nog wel bestaan. Bovendien volgt dit verblijfsrecht niet uit de maatregel tot intrekking van uw Nederlanderschap maar uit de vreemdelingrechtelijke maatregel. Er is daarom geen verband tussen het doel van het intrekking van het Nederlanderschap en het verlenen van een verblijfsrecht. Het verblijfsrecht van eiseres zegt daarom niets over de band met Nederland zoals bedoeld bij de maatregel tot intrekking van het Nederlanderschap.
Actualiteitstoets en deradicalisering
7.4.
De rechtbank overweegt verder dat de actualiteit van het gevaar geen vereiste is voor de intrekking van het Nederlanderschap. De actualiteitstoets maakt slechts deel uit van de belangenafweging en beperkt zich tot de vraag of eiseres, gelet op de door haar aangevoerde omstandigheden, aannemelijk heeft gemaakt dat zij is gederadicaliseerd en daarmee de banden met Nederland weer heeft hersteld. De actualiteitstoets gaat niet zo ver dat verweerder uit eigen beweging stukken moet opvragen over het gedrag van de betrokkene.
7.5.
Eiseres heeft aangevoerd dat in het reclasseringsrapport van 4 april 2019 het gevaar voor herhaling als laaggemiddeld is ingeschat. Eiseres heeft meegewerkt aan het programma van Reclassering Nederland, waarbij er in het bijzonder aandacht was voor scholing, werk en huisvesting en ook de relatie van eiseres met haar zoon. Zij is inmiddels gelukkig getrouwd, woont samen met haar gezin en heeft een behandeling bij De Waag succesvol afgerond. Uit haar vele sollicitaties blijkt dat zij naarstig op zoek is naar werk. Verder zorgt zij voor haar zoon en voor haar ouders. Ook zet zij zich in als vrijwilliger met het geven van naailessen.
7.6.
Eiseres heeft hangende de beroepsprocedure op 9 augustus 2024 een brief van de burgemeester van Den Haag van 12 december 2022 overgelegd, waarin eiseres is meegedeeld dat zij - zoals eerder meegedeeld per notificatiebrief - opgenomen is geweest in de PGA CTER, omdat er concrete signalen waren die wezen op veiligheidsrisico’s vanuit ideologisch perspectief, maar zij per direct niet langer zal worden besproken binnen de PGA radicalisering. Met het besluit van ZVHH van 21 oktober 2024 (zie 4.2.) is eiseres het afsluitingsformulier van 1 december 2022 toegezonden, waaruit zou blijken dat er geen CTER-signalen meer zijn en eiseres veel vooruitgang heeft geboekt op verschillende leefgebieden. Ter zitting heeft eiseres verklaard op dit moment niet meer op zoek te zijn naar werk, omdat haar man ziek is en zij hierdoor veel thuis moet doen, waardoor zij niet kan werken.
7.7.
De rechtbank overweegt dat verweerder de gronden genoemd in overweging 7.5. al heeft meegewogen, maar niet zwaarwegend genoeg heeft geacht om van intrekking van het Nederlanderschap af te zien. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres overgelegde stukken (zie bij 7.6.) evenmin zwaarwegend genoeg kunnen worden geacht. Dat wat eiseres in dit kader heeft aangevoerd is onvoldoende om aan te nemen dat de band met Nederland moet worden geacht weer te zijn hersteld. Verweerder heeft dit voldoende gemotiveerd. De rechtbank ziet in de door eiseres aangevoerde gronden, waaronder terzake haar EU-verblijfsrecht, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De verlening van dit tijdelijke verblijfsrecht, betekent ook niet dat daarmee de band met Nederland zou zijn hersteld. Dit betreft namelijk een vreemdelingrechtelijke maatregel, die voortvloeit uit de rechten van haar Nederlandse kind om als enige opvoeder in Nederland te mogen verblijven tot dat het kind meerderjarig wordt. Dit laat onverlet dat de band van eiseres met Nederland niet langer bestaat, hetgeen tot uitdrukking wordt gebracht met de intrekking van het Nederlanderschap.
Verdere persoonlijke belangen
7.8.
Verweerder heeft de persoonlijke belangen van eiseres meegewogen. Verweerder hecht er veel belang aan dat eiseres zich niet als Nederlander kan manifesteren en gebruik kan maken van de rechten die aan het Nederlanderschap zijn verbonden, zoals het kiesrecht, het recht op een paspoort en identiteitskaart, de mogelijkheid van reizen als Nederlander en consulaire bescherming. Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat zij als gevolg van haar EU-verblijfsrecht, dat zij heeft verkregen voordat het bestreden besluit is genomen, de mogelijkheid heeft om te reizen. De rechtbank overweegt dat eiseres zelf de banden met Nederland heeft doorgesneden door een terroristisch misdrijf te plegen. De rechtbank is tenslotte van oordeel dat eiseres onvoldoende concreet heeft gemaakt hoe zij wordt beperkt in haar Unieburgerschap. Niet is gebleken dat zij gebruik maakte van haar Unierechten, dan wel dat het op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij van die rechten gebruik ging maken. Bovendien heeft zij een van het Unierecht afgeleid verblijfsrecht.
Aan het verlies van het Unieburgerschap komt daarom beperkt gewicht toe. Tenslotte overweegt de rechtbank dat de intrekking van het Nederlanderschap van eiseres niets afdoet aan het Unieburgerschap van haar zoon. Hij kan nog altijd van het Unieburgerschap genieten. Zijn belangen staan aan intrekking van het Nederlanderschap van eiseres niet in de weg omdat die intrekking geen invloed heeft op zijn eigen nationaliteit.
Ne-bis-in-idembeginsel
8. Eiseres voert aan dat sprake is van strijd met het verbod op dubbele bestraffing (ne-bis-in-idem), omdat de wijze waarop de maatregel door verweerder wordt toegepast, het doel en de zwaarte van de maatregel erop wijzen dat sprake is van een punitieve sanctie waartoe niet kan worden overgegaan naast een strafrechtelijke veroordeling. Zij kan zich niet vinden in de rechtspraak van de Afdeling waar het gaat om toetsing aan de Engel-criteria. Zij wijst in dat verband op het arrest Vinal.Uit dit arrest volgt dat de intrekking van een vergunning geen sanctie van strafrechtelijke aard is als zij plaatsvindt omdat niet langer is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning én de intrekking niet voor onbepaalde tijd geldt.Volgens eiseres is in haar geval de intrekking van het Nederlanderschap een sanctie van strafrechtelijke aard, omdat zij aan de voorwaarden voor toekenning (in dit geval) verlening van het Nederlanderschap voldeed en de intrekking voor onbepaalde tijd geldt. De cumulatie van de twee aan eiseres opgelegde sancties (de strafrechtelijke veroordeling en de intrekking van haar Nederlanderschap) is daarom niet in overeenstemming met het Unierechtelijke ne-bis-in-idembeginsel.
8.1.
De rechtbank overweegt dat uit de Afdelingsjurisprudentie waar verweerder naar heeft verwezen volgt dat de intrekking van het Nederlanderschap geen tweede punitieve sanctie betreft naast de strafrechtelijke veroordeling. De Afdeling betrekt bij haar oordeel de criteria die volgen uit het arrest Engel. Van belang zijn in dat kader de classificatie van de sanctie naar nationaal recht, de aard van de overtreding (mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie) en de zwaarte van de maatregel. De Afdeling concludeert - kort gezegd - dat de intrekking van het Nederlanderschap moet worden gezien als een bestuursrechtelijke ordemaatregel, die - hoewel ingrijpend - niet is gericht op leedtoevoeging en aldus niet in strijd is met het ne-bis-in-idem-beginsel, wanneer een vreemdeling al strafrechtelijke consequenties heeft ondervonden als gevolg van zijn of haar handelen. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling heeft gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank dat de Afdeling haar oordeel meermaals heeft herhaald en dat ook het EHRM in het arrest Ghoumid de intrekking van de nationaliteit niet als punitieve sanctie heeft aangemerkt.
8.2.
Het beroep van eiseres op het arrest Vinal leidt ook niet tot een ander oordeel. Dit arrest gaat over de toepassing van artikel 50 van het Handvest in het geval twee sancties strafrechtelijk van aard zijn. Aangezien het Handvest rechten bevat die corresponderen met de door het EVRM gewaarborgde rechten, bepaalt artikel 52, derde lid, van het Handvest, dat die dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door genoemd Verdrag aan worden toegekend. In het arrest is overwogen dat het aan de verwijzende rechter is om aan de hand van deze criteria na te gaan of de aan de orde zijnde maatregelen als strafrechtelijke sancties moeten worden aangemerkt.
8.3.
De rechtbank overweegt dat de criteria waaraan in het arrest Vinal is getoetst corresponderen met de zogenoemde Engel-criteria, waaraan is getoetst in de rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank ziet in de verwijzing naar dit arrest geen aanleiding voor een andere beoordeling van die criteria zoals in de zaak van eiseres is gemaakt.
8.4.
Dat, zoals eiseres stelt, de intrekking van het Nederlanderschap moet worden aangemerkt als strafrechtelijke sanctie, omdat deze een algemeen verbindend karakter heeft, een bestraffend en afschrikkend doel heeft en omdat het streeft naar bescherming van openbare orde en nationale veiligheid van Nederland, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Ook ziet de rechtbank niet in dat de intrekking is gericht op leedtoevoeging. De intrekking van het Nederlanderschap van eiseres brengt tot uitdrukking dat de band van eiseres met Nederland, als onderdaan van het Koninkrijk der Nederlanden, niet langer kan bestaan. Het uitgangspunt is om de verbreking van die band rechtens vast te stellen. Dat, gelet op het arrest Vinal, in het geval van eiseres de intrekking van het Nederlanderschap een sanctie van strafrechtelijke aard is, omdat zij aan de voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap voldeed en de intrekking voor onbepaalde tijd geldt, volgt de rechtbank evenmin.
8.5.
Omdat de maatregel niet als punitief wordt aangemerkt, is geen sprake van dubbele bestraffing en staat het ne-bis-in-idembeginsel niet in de weg aan intrekking van het Nederlanderschap van eiseres. De beroepsgrond treft geen doel.
Het verbod op discriminatie
9. Eiseres voert aan dat bij de intrekking van het Nederlanderschap een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen Nederlanders die alleen de Nederlandse nationaliteit hebben en Nederlanders met een dubbele nationaliteit. Zij kan zich niet vinden in de Afdelingsjurisprudentie. Deze beroepsgrond treft geen doel.
9.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder het primaire besluit heeft gehandhaafd, dus ook de daarin opgenomen uitvoerige overwegingen over het verbod op discriminatie onder verwijzing naar de door eiseres aangehaalde Afdelingsjurisprudentie. Verweerder heeft in zijn verweerschrift terecht gewezen op de Afdelingsjurisprudentie op dit punt.
De Afdeling heeft daarin herhaaldelijk geoordeeld dat intrekking van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN, niet in strijd is met het verbod op discriminatie. Dat eiseres zich niet kan vinden in Afdelingsjurisprudentie, schept geen verplichting voor verweerder om uitvoeriger te motiveren.
9.2.
Eiseres wijst op de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025, waarin is geoordeeld dat verweerder bij intrekking van het Nederlanderschap een verboden onderscheid maakt op grond van afkomst of nationale of etnische afstamming tussen Nederlanders met alleen de Nederlandse nationaliteit en Nederlanders met meerdere nationaliteiten. Die rechtbank heeft in haar uitspraak artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN onverbindend verklaard. Eiseres vraagt om de motivering van de rechtbank Amsterdam te betrekken in de beoordeling van het onderhavige beroep. Ook heeft zij gewezen op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 augustus 2025 en gesteld dat daarin een onjuist definitie wordt gehanteerd waar het gaat om nationale afstamming.
9.3.
De rechtbank overweegt dat in genoemde uitspraak van 11 augustus 2025 is geoordeeld dat artikel 14, tweede lid, van de RWN geen direct onderscheid maakt op grond van afkomst of nationale of etnische afstamming. Het onderscheidende criterium is het al dan niet hebben van meerdere nationaliteiten. Deze bepaling is van toepassing op iedere Nederlander met een dubbele nationaliteit, ongeacht afkomst. Zo kan de bepaling ook van toepassing zijn op een persoon met Nederlandse afkomst die door geboorte in een land met het ius soli-beginsel (zoals de Verenigde Staten) een tweede nationaliteit heeft verkregen. Het maken van onderscheid tussen personen met enkel de Nederlandse nationaliteit en personen met meerdere nationaliteiten is gerechtvaardigd. Dit geldt eveneens voor het indirecte onderscheid op basis van ras, etnische afkomst en religie.
De rechtbank volgt de uitspraak van deze rechtbank van 11 augustus 2025 en de daarin opgenomen overwegingen. De rechtbank ziet, evenals in die uitspraak, in het beroep dat eiseres hier doet op genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam geen reden om anders te oordelen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de intrekking van het Nederlanderschap van eiseres niet in strijd is met het verbod op discriminatie. Verder wordt opgemerkt dat de voorzieningenrechter van de Afdeling met de uitspraak van 13 juni 2025 genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam heeft geschorst. Daarom herleeft de situatie in rechte van voor de uitspraak van die rechtbank.
Prejudiciële vragen
10. Eiseres heeft verzocht om, mocht de rechtbank in deze zaak de uitspraak van de rechtbank Amsterdam niet volgen, prejudiciële vragen te stellen aan Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank ziet echter geen (redelijke) twijfel over de uitleg van Unierecht die prejudiciële vragen rechtvaardigt. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam geeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de vaste jurisprudentie in zaken zoals deze.
Artikel 8 van het EVRM
11. In rechtspraak van de Afdeling is uiteengezet hoe moet worden beoordeeld of artikel 8 van het EVRM zich verzet tegen de intrekking van het Nederlanderschap. De eerste stap in die beoordeling is of de intrekking een inmenging in het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven is. Daarbij is bepalend of de intrekking negatieve gevolgen heeft voor het privéleven van de betrokkene. Als de intrekking een inmenging is, moet worden beoordeeld of deze gerechtvaardigd is. Het gaat daarbij om de vraag of de intrekking is voorzien bij wet, of de betrokkene de intrekking bij de rechter heeft kunnen aanvechten, of de intrekkingsprocedure met voldoende waarborgen is omkleed, of verweerder zorgvuldig heeft gehandeld en snel genoeg tot intrekking is overgegaan en ten slotte of verweerder de intrekkingsbevoegdheid willekeurig heeft toegepast.
11.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit aan de hand van de hiervoor omschreven jurisprudentie van de Afdeling beoordeeld of de intrekking van het Nederlanderschap in de situatie van eiseres in strijd is met artikel 8 van het EVRM en heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat dit niet het geval is.
11.2.
Niet in geschil is dat sprake is van inmenging in het recht op privéleven. Deze intrekking is gebaseerd op een bij wet voorziene regeling en eiseres kan deze bij de rechter aanvechten. De intrekking van het Nederlanderschap is ook met de nodige waarborgen en rechtsbescherming omkleed. Verder is verweerder snel genoeg tot intrekking overgegaan; het vonnis is op 3 mei 2019 onherroepelijk geworden en het voornemen is op
7 oktober 2021 uitgebracht. Daarna heeft eiseres verschillende zienswijzen ingediend, laatstelijk op 11 juli 2022. Uit wat hiervoor is overwogen in het kader van artikel 68a van het BvvN volgt dat verweerder de intrekking van het Nederlanderschap niet willekeurig heeft toegepast. Ook heeft verweerder de gevolgen van de intrekking van het Nederlanderschap voor eiseres en haar belangen voldoende afgewogen tegen de aard en ernst van het door haar gepleegde terroristische misdrijf en deze niet zo bijzonder zwaarwegend hoeven vinden dat zij opwegen tegen het belang van verweerder bij de intrekking van het Nederlanderschap. Verweerder kon gewicht toekennen aan het feit dat eiseres zelf de banden met Nederland heeft doorgesneden door een terroristisch misdrijf te plegen, dat zich in de kern ook richt tegen de waarden en normen van de Nederlandse
samenleving. Daaruit kan worden afgeleid dat geen sprake is van een als zwaarwegend aan te merken persoonlijke verbondenheid met of afhankelijkheid van Nederland.
Voor zover eiseres heeft gewezen op het arrest El Aroud en B.S.c. België heeft verweerder zich ter zitting niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het gaat om een vrij terughoudende toets en dat sprake moet zijn van een motivering die duidelijk niet als oppervlakkig moet worden beschouwd. Daaraan is in dit geval voldaan. Verweerder heeft na afweging van alle belangen niet ten onrechte geoordeeld dat de intrekking noodzakelijk was in een democratische samenleving.
11.3.
Daarnaast heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat het familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM niet wordt geraakt door de intrekking van het Nederlanderschap. Eiseres dient namelijk niet als gevolg van het bestreden besluit Nederland (en dus haar gezin) te verlaten. Verweerder heeft in het bestreden besluit voorts terecht gesteld dat eiseres als gevolg van het EU-verblijfsrecht als familielid van een Nederlander, haar familie-, gezins- en privéleven in Nederland kan blijven uitoefenen.
11.4.
Gelet op het voorgaande staat artikel 8 van het EVRM niet in de weg aan de intrekking van het Nederlanderschap van eiseres.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzitter, en mr. M.M. Meijers en
mr. C. Hofman, leden, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBAMS:2025:1849.
Als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
Islamitische Staat (IS).
Vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:3820.
Op grond van artikel 140a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met een geldigheidsduur van 5 jaar, arbeid vrij toegestaan.
Als bedoeld in de artikelen 83, 134a of 205 Sr, in samenhang met artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN. In artikel 83, onder ten 3o, Sr is het misdrijf omschreven in artikel 140a Sr genoemd.
Dit staat in artikel 14, achtste lid, van de RWN.
Zie het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2. tot en met r.o. 3.5.2., en de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1969, r.o. 9.2.
Het VHH is een regionaal overlegorgaan, waaraan verschillende ketenpartners deelnemen. Min of meer vaste deelnemers zijn verweerder, het Openbaar Ministerie (OM) en de politie. In deze zaak zijn de organisaties Zorg- en Veiligheidshuis Rotterdam Rijnmond (ZVHRR) en Zorg- en Veiligheidshuis Haaglanden (ZVHH) betrokken.
Haar verzoek van 8 augustus 2024 op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Kamerstukken II 2008-09, 31 813 (R1873), nr. 3, p. 7-8.
Uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2861, r.o. 7.1.
Kamerstukken II 2013-2014, 34 016 (R2036), nr. 3 Memorie van Toelichting,
Het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 25 juni 2020 inzake Ghoumid e.a. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316, punt 72.
Uitspraak van de Afdeling van 30 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:926, r.o. 9.1.
Arresten van 18 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1379, van 13 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:394, en van 13 februari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1335, die door eiseres ook zijn vergeleken met het arrest van 16 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:37.
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap.
Zie ook de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3993, r.o. 8.1.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 2 maart 2010, inzake Rottmann, ECLI:EU:C:2010:104.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045, van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2093, r.o. 5.2. en van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, r.o. 5.2.
ECLI:NL:RVS:2024:2458, r.o. 5.5.
Persoonsgerichte Aanpak radicalisering.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1745, r.o. 5.2.
Arrest van het EHRM van 8 juni 1976, inzake Engel en anderen tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:1976:0608JUD000510071.
Het arrest van het HvJEU van 14 september 2023, ECLI:EU:C:2023:667.
Zie noot van Widdershoven bij het arrest Vinal. AB 2024/127: Niet in tijd beperkte intrekking vergunning voor belastingentrepot kan sanctie van strafrechtelijke aard zijn; beginsel van ne bis in idem; evenredigheidsbeginsel.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2366 en van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045, r.o. 4.1. e.v.
Uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, r.o. 3.1.
Zie de toelichting bij de artikelen 50 en 52 van het Handvest, PbEG 2007, C303/31.
De uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1528, van 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3604, van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2366, van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2093, van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2861, van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1745 en ook van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045.
ECLI:NL:RBAMS:2025:1849.
Uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, ECLI:NL:RBDHA:2025:14976.
Dit is vermeld in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 4 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4168.
Uitspraak van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267 r.o. 12.2.
Zie uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12358, r.o. 7.4.
Arrest van het EHRM van 5 december 2024, nos 25491/18 en 27629/18, ECLI:CE:ECHR:2024:1205JUD002549118.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2021
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.V. de Kort en mr. W.J. Poot).
Inleiding
1.1.
Met het (primaire) besluit van 27 juli 2023 heeft verweerder met onmiddellijke ingang het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 januari 2024 (het bestreden besluit), waarbij verweerder haar bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond heeft verklaard.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft verweerder op
11 juni 2025 een stuk ingezonden en gevraagd om beperking van de kennisneming daarvan.
Eiseres heeft op 18 juni 2025 gereageerd op dit verzoek.
1.4.
De rechtbank heeft de beslissing als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb opgedragen aan een andere kamer van de rechtbank (de geheimhoudingsrechter).
1.5.
Eiseres heeft de rechtbank bij brief van 22 augustus 2025 verzocht om de behandeling van het onderhavige beroep aan te houden tot de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025.
De rechtbank heeft dit verzoek op 2 september 2025 afgewezen.
1.6.
Bij beslissing van 9 oktober 2025 heeft de geheimhoudingsrechter het verzoek van verweerder als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb toegewezen. Eiseres heeft de rechtbank toestemming verleend om mede op de grondslag van bedoeld stuk uitspraak te doen. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft kennis genomen van bedoeld stuk.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld van haar echtgenoot, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder, mr. W.J. Poot.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft bij geboorte de Turkse nationaliteit verkregen. Zij is op vijfjarige leeftijd met haar moeder naar Nederland gekomen. Eiseres heeft bij Koninklijk Besluit van 6 maart 2007 door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit verkregen. Sindsdien heeft zij de Nederlandse en de Turkse nationaliteit gehad. Eiseres heeft haar eerdere echtgenoot in Nederland leren kennen. Zij is hem gevolgd naar Syrië. Volgens eiseres is zij met hem op [datum 1] 2017 gehuwd naar islamitisch recht in het gebied van IS in Syrië. Volgens eiseres is haar man op
3 oktober 2017 tijdens een bombardement in Syrië om het leven gekomen. Op
[datum 2] 2017 is hun zoon geboren in Syrië. De zoon heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. Eiseres is met haar zoon op 17 juli 2018 teruggekeerd naar Nederland en zij is direct aangehouden. Zij heeft in de periode 18 juli 2018 tot 15 januari 2019 in preventieve hechtenis verbleven. Zij is op [datum 3] 2021 gehuwd met haar huidige echtgenoot.
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Eiseres is in 2019 door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met bijzondere voorwaarden, wegens het deelnemen aan de terroristische organisatie IS in Syrië, in de periode 1 augustus 2016 tot
1 februari 2018. Uit het vonnis blijkt dat alle genoemde feiten en omstandigheden maken dat van louter burgerschap van IS door eiseres geen sprake is geweest en zij kan worden beschouwd als lid van en (daarmee) deelnemer aan de terroristische organisatie IS. Deze veroordeling is op 3 mei 2019 door het verstrijken van de appèltermijn onherroepelijk geworden.
2.2.
Na het voornemen van verweerder en de zienswijze daarop van eiseres, met aanvullingen en toegelicht bij een zienswijzegesprek, heeft verweerder met het primaire besluit het Nederlanderschap van eiseres ingetrokken met onmiddellijke ingang. Dit in verband met het door eiseres gepleegde misdrijf. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en is gehoord in het kader van haar bezwaar. Met het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
2.3.
Verweerder heeft op 7 oktober 2021 eveneens het voornemen kenbaar gemaakt tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en het opleggen van een inreisverbod voor de maximale duur van twintig jaar. Bij brief van 27 juli 2023 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat dit voornemen niet wordt doorgezet. Verweerder heeft ambtshalve geoordeeld dat eiseres, nu haar zoon de Nederlandse nationaliteit heeft en zij zorg– en opvoedtaken verricht, een afgeleid verblijfsrecht heeft als familielid van een Nederlander (het zogenoemde Chavez-Vilchez-verblijfsrecht). Zij krijgt een EU-verblijfsdocument.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Het onderhavige beroep gaat alleen over de met het bestreden besluit gehandhaafde intrekking van het Nederlanderschap van eiseres. De RWN geeft verweerder de bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap, onder meer in het geval een betrokkene onherroepelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf en de intrekking van het Nederlanderschap niet leidt tot staatloosheid.
Eiseres heeft uitgebreid aangevoerd waarom zij het niet eens is met de intrekking van het Nederlanderschap. De rechtbank zal de gronden hieronder bespreken.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
4. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt. Tot deze stukken behoren alle stukken die verweerder ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. Hiertoe behoren niet stukken die zich bevinden onder derden en die niet aan hem zijn verstrekt, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan.
4.1.
Eiseres voert aan dat het dossier dat verweerder heeft aangeleverd bij de rechtbank incompleet is, omdat daarin stukken van het Veiligheidshuis (VHH) ontbreken.
4.2.
Eiseres heeft op zitting aangegeven haar verzoek van 18 juni 2025 aan de rechtbank om bij alle vaste deelnemers van het VHH alle informatie over haar op te vragen niet meer te handhaven, omdat zij zelf al stukken heeft verkregen. Zij heeft bij brief van
11 juni 2025 een besluit van het Zorg- en VHH van 21 oktober 2024 overgelegd waarbij haar AVG-verzoek is ingewilligd. In dit besluit is eiseres onder meer meegedeeld wie de netwerkpartners zijn die bij de behandeling van haar casus zijn betrokken. Met dit besluit is eiseres het afsluitingsformulier van 1 december 2022 toegezonden, met de mededeling dat gegevens die naar een andere natuurlijk persoon zijn te herleiden zijn geanonimiseerd.
4.3.
De beroepsgrond (zie 4.1.) slaagt niet. Het dossier van eiseres bevat een e-mail van 4 augustus 2020 van één van de vaste deelnemers van het VHH, maar deze e-mail, inclusief de afzender, wordt niet met eiseres gedeeld op grond van artikel 7:4, zesde lid, van de Awb. De rechtbank overweegt dat verweerder deze e-mail op 11 juni 2025 heeft ingediend bij de rechtbank met een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb. Er bevinden zich volgens verweerder geen andere stukken van het VHH in het dossier. Verweerder zegt te hebben voldaan aan zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Niet in geschil is dat genoemde e-mail behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
4.4.
Op zitting heeft eiseres haar verzoek van 18 juni 2025 om bekend te maken van welke vaste deelnemer van het VHH de e-mail van 4 augustus 2020 afkomstig is, gehandhaafd. Zij stelt dat zij zonder die informatie geen context heeft en geen tegenspraak kan bieden.
De rechtbank stelt vast dat de geheimhoudingsrechter het verzoek van verweerder om beperking van de kennisneming van deze e-mail volledig heeft toegewezen, dus inclusief de gegevens van de afzender. In de beslissing van de geheimhoudingsrechter is voorts geoordeeld dat eiseres met deze beslissing niet in haar procesvoering wordt belemmerd. De tussenbeslissing van de geheimhoudingsrechter is een procesbeslissing, die kan worden aangevochten tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak. Dit is ook vermeld in deze beslissing. De rechtbank zal zich daarom onthouden van een beoordeling van deze beslissing.
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag inzake Nationaliteit (EVN)
5. Eiseres voert aan dat de intrekking van het Nederlanderschap in strijd is met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVN. Zij stelt daartoe dat verweerder aan de hand van de concrete gedragingen waarvoor eiseres is veroordeeld, moet beoordelen of eiseres daarmee de essentiële belangen van Nederland ernstig heeft geschaad. Bij die beoordeling had verweerder ook de aan eiseres opgelegde strafmaat en straf moeten betrekken. Volgens eiseres is aan haar een relatief lage gevangenisstraf opgelegd. Zij is voorts vrijgesproken van het tenlastegelegde ‘verrichten van handelingen met het oogmerk tot voorbereiding/bevordering van een misdrijf’. Er waren geen aanwijzingen dat zij naar het kalifaat is afgereisd om zelf deel te nemen aan de strijd. Daarnaast blijkt uit het reclasseringsadvies van 4 april 2019 dat, hoewel eiseres enkele salafistische principes lijkt te hanteren in het belijden van haar geloof, er geen aanwijzingen zijn dat zij geweld legitimeert, zal overgaan tot extremistisch geweld of anderen daartoe zal aanzetten. Gezien de beschermende factoren in de zin van het steunende netwerk en de coöperatieve houding van eiseres, wordt het gevaar voor herhaling als laaggemiddeld ingeschat. Verder is in het Pro Justitia rapport van 10 januari 2019 benadrukt dat er geen aanwijzingen zijn dat zij op enig moment veel bezig was met radicaal, gewelddadig gedachtegoed of dat zij zich vervreemd of afgewezen voelt binnen de Nederlandse samenleving. Verweerder heeft deze verzachtende omstandigheden ten onrechte niet betrokken bij de besluitvorming. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
5.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Uit de wetsgeschiedenis van de RWN volgt dat artikel 14, tweede lid, van de RWN een nadere concretisering is van het algemene criterium voor intrekking van nationaliteit uit artikel 7 van het EVN ('ernstig schaden van de essentiële belangen van de Staat'). Deze nadere concretisering brengt met zich dat ernstige schade aan de essentiële belangen van de Nederlandse Staat wordt voorondersteld als een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor één van de misdrijven genoemd in artikel 14, tweede lid, van de RWN.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 oktober 2022 het oordeel van de rechtbank onderschreven dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de 'Wijziging van de rijkswet op het Nederlanderschap ter verruiming van de mogelijkheden voor het ontnemen van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven' volgt dat alle misdrijven op grond waarvan het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, van de RWN kan worden ingetrokken, misdrijven zijn die de essentiële belangen van de Nederlandse Staat ernstig schaden. De rechtbank ziet, met verweerder, geen reden om daar van af te wijken.
5.2.
In het bestreden besluit is verweerder ingegaan op de ernst van de schending van de essentiële belangen van het Koninkrijk. Vaststaat dat eiseres onherroepelijk is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf (zie 2.1.). Terroristische misdrijven worden gerekend tot de zwaarste categorie van misdrijven. Dit vindt steun in het arrest Ghoumid van het EHRM van 25 juni 2020 en in de Afdelingsuitspraak van 30 april 2021. Hiermee heeft eiseres de essentiële belangen van Nederland ernstig geschaad.
5.3.
Anders dan eiseres stelt, is verweerder niet gehouden om te treden in de strafrechtelijke beoordeling van de veroordeelde, in dit geval eiseres. De strafrechter heeft de ernst van de feiten, de strafmaat en voorts het door eiseres genoemde reclasseringsadvies en Pro Justitia rapport - ook de door eiseres genoemde passages - al beoordeeld. Verweerder mag in beginsel uitgaan van de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling en hoeft de door eiseres genoemde rapportages niet opnieuw te wegen in het kader van de vraag of de essentiële belangen van Nederland zijn geschaad. Die vraag wordt immers beantwoord door de veroordeling zelf. Alleen in het bijzondere geval dat sprake is van nadien gebleken feiten en omstandigheden die afbreuk doen aan of een nieuw licht werpen op de grondslagen of overwegingen van het strafvonnis, kan aanleiding bestaan hierover anders te oordelen.
In deze zaak is dat niet aan de orde.
5.4.
Eiseres heeft verwezen naar arresten van het Gerechtshof Den Haag, waarin volgens eiseres de rechtspraak ten aanzien van zogenoemde uitreizigers is genuanceerd, in die zin dat een aantal uitreizende vrouwen recentelijk zijn vrijgesproken van het deelnemen aan een criminele organisatie met een terroristisch oogmerk. Zij meent dat verweerder dit zou moeten meewegen. In het door haar genoemde arrest van 18 juli 2025 is geoordeeld dat het verblijf van de vrouw in Syrië en het aldaar voeren van een gemeenschappelijke huishouding met haar echtgenoot niet kan worden aangemerkt als een deelnemingshandeling van de vrouw. Eiseres stelt dat de feiten in dat arrest vergelijkbaar zijn met de feiten in haar zaak en dat het zeer de vraag is of zij op dit moment nog zou zijn veroordeeld voor het deelnemen aan een terroristische organisatie.
De rechtbank overweegt dat wat eiseres hier heeft aangevoerd niet kan afdoen aan hetgeen onder 5.1. en 5.3. is overwogen. Anders dan de andere betrokkenen heeft eiseres geen hoger beroep ingesteld tegen haar veroordeling. Haar veroordeling is wel onherroepelijk geworden.
5.5.
De rechtbank volgt voorts het standpunt van verweerder dat het feit dat eiseres een EU-verblijfsrecht heeft, hier niet aan kan afdoen. Dit verblijfsrecht houdt geen verband met de maatregel tot intrekking van het Nederlanderschap.
5.6.
Gelet op artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN is verweerder dan ook bevoegd om het Nederlanderschap van eiseres in te trekken.
Functioneel onweerlegbare rechtspresumptie
6. Eiseres voert aan dat sprake is van een functioneel onweerlegbare rechtspresumptie. In zaken als deze volgt namelijk in de praktijk automatisch een intrekking van het Nederlanderschap op de strafrechtelijke veroordeling, omdat wordt aangenomen dat een persoon die is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf, zijn band met Nederland heeft verbroken, behoudens nog nooit aangenomen en zeer uitzonderlijke omstandigheden. Dit is volgens haar in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidbeginsel en met het recht op een doeltreffende voorziening, zoals bedoeld in artikel 47 van het Handvest en artikel 13 van het EVRM. Verder is volgens eiseres intrekking van het Nederlanderschap geen geschikt en noodzakelijk middel om de doelstelling te bereiken.
6.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Verweerder wijst er terecht op dat het uitgangspunt weliswaar is dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken in het geval iemand onherroepelijk veroordeeld is voor een terroristisch misdrijf, maar dat daarvan kan worden afgezien in het geval sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden die in de weg staan aan een intrekking. Dat dit het uitgangspunt is, is begrijpelijk nu ook het EHRM aanneemt dat terroristische misdrijven het fundament van de democratie ondermijnen. Of sprake is van bijzondere omstandigheden beoordeelt verweerder in het kader van de belangenafweging die wordt voorgeschreven door artikel 68a van het BvvN. De rechtbank gaat hierna, onder rechtsoverweging 7. en verder, nader in op deze belangenafweging.
De stelling van eiseres dat verweerder in de praktijk nooit heeft afgezien van een intrekking van het Nederlanderschap nadat de bevoegdheid is geactiveerd, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft dit bovendien op zitting weersproken. Dat sprake is van een functioneel onweerlegbare rechtspresumptie, volgt de rechtbank niet.
Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en artikel 68a van het BvvN
7. Omdat de intrekking van de Nederlandse nationaliteit van eiseres tot gevolg heeft dat zij het Unieburgerschap verliest, moet verweerder beoordelen of de intrekking evenredig is. Bij deze evenredigheidsbeoordeling moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor eiseres en haar gezinsleden. In dit verband moet met name worden nagegaan of het verlies van de rechten van het Unieburgerschap gerechtvaardigd is in het licht van de ernst van de door eiseres gepleegde inbreuk, het tijdsverloop tussen de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit en de intrekking daarvan en de mogelijkheid voor de betrokkene om de vroegere nationaliteit terug te krijgen.
7.1.
De intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN is een discretionaire bevoegdheid van verweerder. De ruimte die verweerder heeft om af te zien van de intrekking is echter beperkt. Deze discretionaire ruimte is nader ingevuld door artikel 68a van het BvvN. Uit deze bepaling volgt dat verweerder bij de intrekking van het Nederlanderschap onder meer rekening houdt met (a) de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap en (b) zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van eiseres.
7.2.
De Afdeling heeft geoordeeld dat dit toetsingskader in overeenstemming is met de kaders die het Hof van Justitie heeft gegeven voor het maken van een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling. Het betoog van eiseres dat de belangenafweging die verweerder in deze zaak heeft gemaakt een te beperkt karakter heeft en niet in overeenstemming is met artikel 68a van het BvvN en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel volgt de rechtbank daarom niet.
Belangenafweging
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt en dat de intrekking van het Nederlanderschap niet wegens zeer bijzondere omstandigheden achterwege moet blijven. De Staatssecretaris heeft er een groot belang bij dat Atici zich niet als Nederlander kan manifesteren en gebruik kan maken van de rechten die aan het Nederlanderschap zijn verbonden, zoals het kiesrecht, het recht op een paspoort en identiteitskaart, en de mogelijkheid van reizen als Nederlander binnen Nederland en de Europese Unie en daarbuiten en consulaire bescherming. Niet ten onrechte stelt verweerder dat de door eiseres naar voren gebrachte belangen om het Nederlanderschap en Unieburgerschap te behouden, niet opwegen tegen het belang van verweerder bij het intrekken van het Nederlanderschap wegens de geschonden essentiële belangen. Hierbij heeft verweerder voorop mogen stellen dat eiseres is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf, dat tot de zwaarste categorie van misdrijven worden gerekend. Die veroordeling brengt in beginsel mee dat de band tussen eiseres en Nederland niet langer kan bestaan. De verlening van een van haar zoon afgeleid en tijdelijk EU-verblijfsrecht impliceert niet dat deze banden nog wel bestaan. Bovendien volgt dit verblijfsrecht niet uit de maatregel tot intrekking van uw Nederlanderschap maar uit de vreemdelingrechtelijke maatregel. Er is daarom geen verband tussen het doel van het intrekking van het Nederlanderschap en het verlenen van een verblijfsrecht. Het verblijfsrecht van eiseres zegt daarom niets over de band met Nederland zoals bedoeld bij de maatregel tot intrekking van het Nederlanderschap.
Actualiteitstoets en deradicalisering
7.4.
De rechtbank overweegt verder dat de actualiteit van het gevaar geen vereiste is voor de intrekking van het Nederlanderschap. De actualiteitstoets maakt slechts deel uit van de belangenafweging en beperkt zich tot de vraag of eiseres, gelet op de door haar aangevoerde omstandigheden, aannemelijk heeft gemaakt dat zij is gederadicaliseerd en daarmee de banden met Nederland weer heeft hersteld. De actualiteitstoets gaat niet zo ver dat verweerder uit eigen beweging stukken moet opvragen over het gedrag van de betrokkene.
7.5.
Eiseres heeft aangevoerd dat in het reclasseringsrapport van 4 april 2019 het gevaar voor herhaling als laaggemiddeld is ingeschat. Eiseres heeft meegewerkt aan het programma van Reclassering Nederland, waarbij er in het bijzonder aandacht was voor scholing, werk en huisvesting en ook de relatie van eiseres met haar zoon. Zij is inmiddels gelukkig getrouwd, woont samen met haar gezin en heeft een behandeling bij De Waag succesvol afgerond. Uit haar vele sollicitaties blijkt dat zij naarstig op zoek is naar werk. Verder zorgt zij voor haar zoon en voor haar ouders. Ook zet zij zich in als vrijwilliger met het geven van naailessen.
7.6.
Eiseres heeft hangende de beroepsprocedure op 9 augustus 2024 een brief van de burgemeester van Den Haag van 12 december 2022 overgelegd, waarin eiseres is meegedeeld dat zij - zoals eerder meegedeeld per notificatiebrief - opgenomen is geweest in de PGA CTER, omdat er concrete signalen waren die wezen op veiligheidsrisico’s vanuit ideologisch perspectief, maar zij per direct niet langer zal worden besproken binnen de PGA radicalisering. Met het besluit van ZVHH van 21 oktober 2024 (zie 4.2.) is eiseres het afsluitingsformulier van 1 december 2022 toegezonden, waaruit zou blijken dat er geen CTER-signalen meer zijn en eiseres veel vooruitgang heeft geboekt op verschillende leefgebieden. Ter zitting heeft eiseres verklaard op dit moment niet meer op zoek te zijn naar werk, omdat haar man ziek is en zij hierdoor veel thuis moet doen, waardoor zij niet kan werken.
7.7.
De rechtbank overweegt dat verweerder de gronden genoemd in overweging 7.5. al heeft meegewogen, maar niet zwaarwegend genoeg heeft geacht om van intrekking van het Nederlanderschap af te zien. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres overgelegde stukken (zie bij 7.6.) evenmin zwaarwegend genoeg kunnen worden geacht. Dat wat eiseres in dit kader heeft aangevoerd is onvoldoende om aan te nemen dat de band met Nederland moet worden geacht weer te zijn hersteld. Verweerder heeft dit voldoende gemotiveerd. De rechtbank ziet in de door eiseres aangevoerde gronden, waaronder terzake haar EU-verblijfsrecht, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De verlening van dit tijdelijke verblijfsrecht, betekent ook niet dat daarmee de band met Nederland zou zijn hersteld. Dit betreft namelijk een vreemdelingrechtelijke maatregel, die voortvloeit uit de rechten van haar Nederlandse kind om als enige opvoeder in Nederland te mogen verblijven tot dat het kind meerderjarig wordt. Dit laat onverlet dat de band van eiseres met Nederland niet langer bestaat, hetgeen tot uitdrukking wordt gebracht met de intrekking van het Nederlanderschap.
Verdere persoonlijke belangen
7.8.
Verweerder heeft de persoonlijke belangen van eiseres meegewogen. Verweerder hecht er veel belang aan dat eiseres zich niet als Nederlander kan manifesteren en gebruik kan maken van de rechten die aan het Nederlanderschap zijn verbonden, zoals het kiesrecht, het recht op een paspoort en identiteitskaart, de mogelijkheid van reizen als Nederlander en consulaire bescherming. Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat zij als gevolg van haar EU-verblijfsrecht, dat zij heeft verkregen voordat het bestreden besluit is genomen, de mogelijkheid heeft om te reizen. De rechtbank overweegt dat eiseres zelf de banden met Nederland heeft doorgesneden door een terroristisch misdrijf te plegen. De rechtbank is tenslotte van oordeel dat eiseres onvoldoende concreet heeft gemaakt hoe zij wordt beperkt in haar Unieburgerschap. Niet is gebleken dat zij gebruik maakte van haar Unierechten, dan wel dat het op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij van die rechten gebruik ging maken. Bovendien heeft zij een van het Unierecht afgeleid verblijfsrecht.
Aan het verlies van het Unieburgerschap komt daarom beperkt gewicht toe. Tenslotte overweegt de rechtbank dat de intrekking van het Nederlanderschap van eiseres niets afdoet aan het Unieburgerschap van haar zoon. Hij kan nog altijd van het Unieburgerschap genieten. Zijn belangen staan aan intrekking van het Nederlanderschap van eiseres niet in de weg omdat die intrekking geen invloed heeft op zijn eigen nationaliteit.
Ne-bis-in-idembeginsel
8. Eiseres voert aan dat sprake is van strijd met het verbod op dubbele bestraffing (ne-bis-in-idem), omdat de wijze waarop de maatregel door verweerder wordt toegepast, het doel en de zwaarte van de maatregel erop wijzen dat sprake is van een punitieve sanctie waartoe niet kan worden overgegaan naast een strafrechtelijke veroordeling. Zij kan zich niet vinden in de rechtspraak van de Afdeling waar het gaat om toetsing aan de Engel-criteria. Zij wijst in dat verband op het arrest Vinal.Uit dit arrest volgt dat de intrekking van een vergunning geen sanctie van strafrechtelijke aard is als zij plaatsvindt omdat niet langer is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning én de intrekking niet voor onbepaalde tijd geldt.Volgens eiseres is in haar geval de intrekking van het Nederlanderschap een sanctie van strafrechtelijke aard, omdat zij aan de voorwaarden voor toekenning (in dit geval) verlening van het Nederlanderschap voldeed en de intrekking voor onbepaalde tijd geldt. De cumulatie van de twee aan eiseres opgelegde sancties (de strafrechtelijke veroordeling en de intrekking van haar Nederlanderschap) is daarom niet in overeenstemming met het Unierechtelijke ne-bis-in-idembeginsel.
8.1.
De rechtbank overweegt dat uit de Afdelingsjurisprudentie waar verweerder naar heeft verwezen volgt dat de intrekking van het Nederlanderschap geen tweede punitieve sanctie betreft naast de strafrechtelijke veroordeling. De Afdeling betrekt bij haar oordeel de criteria die volgen uit het arrest Engel. Van belang zijn in dat kader de classificatie van de sanctie naar nationaal recht, de aard van de overtreding (mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie) en de zwaarte van de maatregel. De Afdeling concludeert - kort gezegd - dat de intrekking van het Nederlanderschap moet worden gezien als een bestuursrechtelijke ordemaatregel, die - hoewel ingrijpend - niet is gericht op leedtoevoeging en aldus niet in strijd is met het ne-bis-in-idem-beginsel, wanneer een vreemdeling al strafrechtelijke consequenties heeft ondervonden als gevolg van zijn of haar handelen. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling heeft gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank dat de Afdeling haar oordeel meermaals heeft herhaald en dat ook het EHRM in het arrest Ghoumid de intrekking van de nationaliteit niet als punitieve sanctie heeft aangemerkt.
8.2.
Het beroep van eiseres op het arrest Vinal leidt ook niet tot een ander oordeel. Dit arrest gaat over de toepassing van artikel 50 van het Handvest in het geval twee sancties strafrechtelijk van aard zijn. Aangezien het Handvest rechten bevat die corresponderen met de door het EVRM gewaarborgde rechten, bepaalt artikel 52, derde lid, van het Handvest, dat die dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door genoemd Verdrag aan worden toegekend. In het arrest is overwogen dat het aan de verwijzende rechter is om aan de hand van deze criteria na te gaan of de aan de orde zijnde maatregelen als strafrechtelijke sancties moeten worden aangemerkt.
8.3.
De rechtbank overweegt dat de criteria waaraan in het arrest Vinal is getoetst corresponderen met de zogenoemde Engel-criteria, waaraan is getoetst in de rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank ziet in de verwijzing naar dit arrest geen aanleiding voor een andere beoordeling van die criteria zoals in de zaak van eiseres is gemaakt.
8.4.
Dat, zoals eiseres stelt, de intrekking van het Nederlanderschap moet worden aangemerkt als strafrechtelijke sanctie, omdat deze een algemeen verbindend karakter heeft, een bestraffend en afschrikkend doel heeft en omdat het streeft naar bescherming van openbare orde en nationale veiligheid van Nederland, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Ook ziet de rechtbank niet in dat de intrekking is gericht op leedtoevoeging. De intrekking van het Nederlanderschap van eiseres brengt tot uitdrukking dat de band van eiseres met Nederland, als onderdaan van het Koninkrijk der Nederlanden, niet langer kan bestaan. Het uitgangspunt is om de verbreking van die band rechtens vast te stellen. Dat, gelet op het arrest Vinal, in het geval van eiseres de intrekking van het Nederlanderschap een sanctie van strafrechtelijke aard is, omdat zij aan de voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap voldeed en de intrekking voor onbepaalde tijd geldt, volgt de rechtbank evenmin.
8.5.
Omdat de maatregel niet als punitief wordt aangemerkt, is geen sprake van dubbele bestraffing en staat het ne-bis-in-idembeginsel niet in de weg aan intrekking van het Nederlanderschap van eiseres. De beroepsgrond treft geen doel.
Het verbod op discriminatie
9. Eiseres voert aan dat bij de intrekking van het Nederlanderschap een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen Nederlanders die alleen de Nederlandse nationaliteit hebben en Nederlanders met een dubbele nationaliteit. Zij kan zich niet vinden in de Afdelingsjurisprudentie. Deze beroepsgrond treft geen doel.
9.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder het primaire besluit heeft gehandhaafd, dus ook de daarin opgenomen uitvoerige overwegingen over het verbod op discriminatie onder verwijzing naar de door eiseres aangehaalde Afdelingsjurisprudentie. Verweerder heeft in zijn verweerschrift terecht gewezen op de Afdelingsjurisprudentie op dit punt.
De Afdeling heeft daarin herhaaldelijk geoordeeld dat intrekking van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN, niet in strijd is met het verbod op discriminatie. Dat eiseres zich niet kan vinden in Afdelingsjurisprudentie, schept geen verplichting voor verweerder om uitvoeriger te motiveren.
9.2.
Eiseres wijst op de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025, waarin is geoordeeld dat verweerder bij intrekking van het Nederlanderschap een verboden onderscheid maakt op grond van afkomst of nationale of etnische afstamming tussen Nederlanders met alleen de Nederlandse nationaliteit en Nederlanders met meerdere nationaliteiten. Die rechtbank heeft in haar uitspraak artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN onverbindend verklaard. Eiseres vraagt om de motivering van de rechtbank Amsterdam te betrekken in de beoordeling van het onderhavige beroep. Ook heeft zij gewezen op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 augustus 2025 en gesteld dat daarin een onjuist definitie wordt gehanteerd waar het gaat om nationale afstamming.
9.3.
De rechtbank overweegt dat in genoemde uitspraak van 11 augustus 2025 is geoordeeld dat artikel 14, tweede lid, van de RWN geen direct onderscheid maakt op grond van afkomst of nationale of etnische afstamming. Het onderscheidende criterium is het al dan niet hebben van meerdere nationaliteiten. Deze bepaling is van toepassing op iedere Nederlander met een dubbele nationaliteit, ongeacht afkomst. Zo kan de bepaling ook van toepassing zijn op een persoon met Nederlandse afkomst die door geboorte in een land met het ius soli-beginsel (zoals de Verenigde Staten) een tweede nationaliteit heeft verkregen. Het maken van onderscheid tussen personen met enkel de Nederlandse nationaliteit en personen met meerdere nationaliteiten is gerechtvaardigd. Dit geldt eveneens voor het indirecte onderscheid op basis van ras, etnische afkomst en religie.
De rechtbank volgt de uitspraak van deze rechtbank van 11 augustus 2025 en de daarin opgenomen overwegingen. De rechtbank ziet, evenals in die uitspraak, in het beroep dat eiseres hier doet op genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam geen reden om anders te oordelen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de intrekking van het Nederlanderschap van eiseres niet in strijd is met het verbod op discriminatie. Verder wordt opgemerkt dat de voorzieningenrechter van de Afdeling met de uitspraak van 13 juni 2025 genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam heeft geschorst. Daarom herleeft de situatie in rechte van voor de uitspraak van die rechtbank.
Prejudiciële vragen
10. Eiseres heeft verzocht om, mocht de rechtbank in deze zaak de uitspraak van de rechtbank Amsterdam niet volgen, prejudiciële vragen te stellen aan Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank ziet echter geen (redelijke) twijfel over de uitleg van Unierecht die prejudiciële vragen rechtvaardigt. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam geeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de vaste jurisprudentie in zaken zoals deze.
Artikel 8 van het EVRM
11. In rechtspraak van de Afdeling is uiteengezet hoe moet worden beoordeeld of artikel 8 van het EVRM zich verzet tegen de intrekking van het Nederlanderschap. De eerste stap in die beoordeling is of de intrekking een inmenging in het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven is. Daarbij is bepalend of de intrekking negatieve gevolgen heeft voor het privéleven van de betrokkene. Als de intrekking een inmenging is, moet worden beoordeeld of deze gerechtvaardigd is. Het gaat daarbij om de vraag of de intrekking is voorzien bij wet, of de betrokkene de intrekking bij de rechter heeft kunnen aanvechten, of de intrekkingsprocedure met voldoende waarborgen is omkleed, of verweerder zorgvuldig heeft gehandeld en snel genoeg tot intrekking is overgegaan en ten slotte of verweerder de intrekkingsbevoegdheid willekeurig heeft toegepast.
11.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit aan de hand van de hiervoor omschreven jurisprudentie van de Afdeling beoordeeld of de intrekking van het Nederlanderschap in de situatie van eiseres in strijd is met artikel 8 van het EVRM en heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat dit niet het geval is.
11.2.
Niet in geschil is dat sprake is van inmenging in het recht op privéleven. Deze intrekking is gebaseerd op een bij wet voorziene regeling en eiseres kan deze bij de rechter aanvechten. De intrekking van het Nederlanderschap is ook met de nodige waarborgen en rechtsbescherming omkleed. Verder is verweerder snel genoeg tot intrekking overgegaan; het vonnis is op 3 mei 2019 onherroepelijk geworden en het voornemen is op
7 oktober 2021 uitgebracht. Daarna heeft eiseres verschillende zienswijzen ingediend, laatstelijk op 11 juli 2022. Uit wat hiervoor is overwogen in het kader van artikel 68a van het BvvN volgt dat verweerder de intrekking van het Nederlanderschap niet willekeurig heeft toegepast. Ook heeft verweerder de gevolgen van de intrekking van het Nederlanderschap voor eiseres en haar belangen voldoende afgewogen tegen de aard en ernst van het door haar gepleegde terroristische misdrijf en deze niet zo bijzonder zwaarwegend hoeven vinden dat zij opwegen tegen het belang van verweerder bij de intrekking van het Nederlanderschap. Verweerder kon gewicht toekennen aan het feit dat eiseres zelf de banden met Nederland heeft doorgesneden door een terroristisch misdrijf te plegen, dat zich in de kern ook richt tegen de waarden en normen van de Nederlandse
samenleving. Daaruit kan worden afgeleid dat geen sprake is van een als zwaarwegend aan te merken persoonlijke verbondenheid met of afhankelijkheid van Nederland.
Voor zover eiseres heeft gewezen op het arrest El Aroud en B.S.c. België heeft verweerder zich ter zitting niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het gaat om een vrij terughoudende toets en dat sprake moet zijn van een motivering die duidelijk niet als oppervlakkig moet worden beschouwd. Daaraan is in dit geval voldaan. Verweerder heeft na afweging van alle belangen niet ten onrechte geoordeeld dat de intrekking noodzakelijk was in een democratische samenleving.
11.3.
Daarnaast heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat het familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM niet wordt geraakt door de intrekking van het Nederlanderschap. Eiseres dient namelijk niet als gevolg van het bestreden besluit Nederland (en dus haar gezin) te verlaten. Verweerder heeft in het bestreden besluit voorts terecht gesteld dat eiseres als gevolg van het EU-verblijfsrecht als familielid van een Nederlander, haar familie-, gezins- en privéleven in Nederland kan blijven uitoefenen.
11.4.
Gelet op het voorgaande staat artikel 8 van het EVRM niet in de weg aan de intrekking van het Nederlanderschap van eiseres.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzitter, en mr. M.M. Meijers en
mr. C. Hofman, leden, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBAMS:2025:1849.
Als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
Islamitische Staat (IS).
Vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:3820.
Op grond van artikel 140a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met een geldigheidsduur van 5 jaar, arbeid vrij toegestaan.
Als bedoeld in de artikelen 83, 134a of 205 Sr, in samenhang met artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN. In artikel 83, onder ten 3o, Sr is het misdrijf omschreven in artikel 140a Sr genoemd.
Dit staat in artikel 14, achtste lid, van de RWN.
Zie het arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2. tot en met r.o. 3.5.2., en de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1969, r.o. 9.2.
Het VHH is een regionaal overlegorgaan, waaraan verschillende ketenpartners deelnemen. Min of meer vaste deelnemers zijn verweerder, het Openbaar Ministerie (OM) en de politie. In deze zaak zijn de organisaties Zorg- en Veiligheidshuis Rotterdam Rijnmond (ZVHRR) en Zorg- en Veiligheidshuis Haaglanden (ZVHH) betrokken.
Haar verzoek van 8 augustus 2024 op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Kamerstukken II 2008-09, 31 813 (R1873), nr. 3, p. 7-8.
Uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2861, r.o. 7.1.
Kamerstukken II 2013-2014, 34 016 (R2036), nr. 3 Memorie van Toelichting,
Het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 25 juni 2020 inzake Ghoumid e.a. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316, punt 72.
Uitspraak van de Afdeling van 30 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:926, r.o. 9.1.
Arresten van 18 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1379, van 13 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:394, en van 13 februari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1335, die door eiseres ook zijn vergeleken met het arrest van 16 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:37.
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap.
Zie ook de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3993, r.o. 8.1.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 2 maart 2010, inzake Rottmann, ECLI:EU:C:2010:104.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045, van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2093, r.o. 5.2. en van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, r.o. 5.2.
ECLI:NL:RVS:2024:2458, r.o. 5.5.
Persoonsgerichte Aanpak radicalisering.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1745, r.o. 5.2.
Arrest van het EHRM van 8 juni 1976, inzake Engel en anderen tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:1976:0608JUD000510071.
Het arrest van het HvJEU van 14 september 2023, ECLI:EU:C:2023:667.
Zie noot van Widdershoven bij het arrest Vinal. AB 2024/127: Niet in tijd beperkte intrekking vergunning voor belastingentrepot kan sanctie van strafrechtelijke aard zijn; beginsel van ne bis in idem; evenredigheidsbeginsel.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2366 en van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045, r.o. 4.1. e.v.
Uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, r.o. 3.1.
Zie de toelichting bij de artikelen 50 en 52 van het Handvest, PbEG 2007, C303/31.
De uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1528, van 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3604, van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2366, van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2093, van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2861, van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1745 en ook van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045.
ECLI:NL:RBAMS:2025:1849.
Uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, ECLI:NL:RBDHA:2025:14976.
Dit is vermeld in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 4 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4168.
Uitspraak van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267 r.o. 12.2.
Zie uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12358, r.o. 7.4.
Arrest van het EHRM van 5 december 2024, nos 25491/18 en 27629/18, ECLI:CE:ECHR:2024:1205JUD002549118.