Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:14781

2026-06-02 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.28156
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-02
Publicatiedatum
2026-06-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.28156
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring - artikel 6, eerste en tweede lid, Vw - voortvarend handelen - lichter middel - medische klachten - beroepen ongegrond

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.080 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.28156


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).




Procesverloop


1. Bij besluit van (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van 7 mei 2026 (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.



1.1.
Eiser heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen



Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)



2. Verweerder heeft eiser de toegang geweigerd omdat eiser:

- niet in het bezit is van een geldig reisdocument;- niet in het bezit is van een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning;- niet over voldoende middelen van bestaan kan beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven.

3. Eiser heeft de gronden voor het weigeren van de toegang niet betwist. De rechtbank gaat uit van een rechtmatige toegangsweigering.



Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)



4. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

5. In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder overwogen dat ten aanzien van eiser het risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:


3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van reis- of identiteitsdocumenten;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag in te willen dienen, en zijn asielaanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;



en als lichte gronden vermeld dat eiser:



4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;


6. Eiser voert kort samengevat het volgende aan. Eiser heeft last van een hoge bloeddruk en vanwege zijn medische klachten had verweerder aanleiding moeten zien om eiser een lichter middel op te leggen. Eiser is immers bereid zich aan voorwaarden te houden. Daarnaast moet er lang worden gewacht op de reactie van de Tanzaniaanse autoriteiten. De nationaliteit van eiser zou inmiddels mondeling bevestigt zijn, maar er zijn geen stukken van. Eiser begrijpt niet waarom het allemaal zo lang moet duren, hij zit al in detentie sinds februari, en vindt dat er een belangenafweging moet worden gemaakt.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet betwist. Verweerder heeft daarom op goede gronden een risico op onderduiken aanwezig geacht. Ten aanzien van het lichter middel overweegt de rechtbank dat het grensbewakingsbelang steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Slechts in bijzondere gevallen wordt hiervan afgeweken.

9. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijk geval geen sprake. Niet is gebleken dat eiser niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terechtkan voor zijn medische klachten. Er zijn geen medische stukken overgelegd die het tegendeel aannemelijk maken. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt of dat zicht op uitzetting naar Tanzania ontbreekt.

10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.



Over beide beroepen



11. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.



Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.


Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.