Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:14772
2026-05-28
Civiel recht
11852547 \ CV EXPL 25-2784
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verstek. Achteraf betalen met Riverty. Oneerlijk bik-beding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.421 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats Gouda
MvN
Rolnr.: 11852547 \ CV EXPL 25-2784
Datum: 28 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht Rivery GmbH, handelend onder de naam Riverty, voorheen handelend onder de naam Afterpay,
gevestigd te Verl (Duitsland),
eisende partij,
gemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1Verloop van de procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 19 februari 2026 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, is verstek verleend tegen gedaagde partij en is eisende partij in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven op de (on)eerlijkheid van artikel 3.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden van eisende partij.
1.2.
Eisende partij heeft op de rol van 19 maart 2026 een akte genomen.
1.3.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2Verdere beoordeling
(on)eerlijk beding
2.1.
Eisende partij heeft zich bij akte uitgelaten over het betreffende beding en stelt dat dit beding niet oneerlijk is, omdat in artikel 3.2 van de algemene bepalingen wordt verwezen naar het toepasselijke Nederlandse recht. Eisende partij maakt gebruik van een staffel waarbij stapsgewijs de wettelijke verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten in rekening worden gebracht. De volledige buitengerechtelijke incassokosten worden pas, na minimaal zes betalingsherinneringen en zeventig dagen, in rekening gebracht als eisende partij de vorderingen overdraagt aan het incassobureau. Hiermee hanteert eisende partij een soepeler inningsbeleid dan de wet voorschrijft. Eisende partij is hierbij niet betrokken en ontvangt deze kosten ook niet. Aldus eisende partij.
2.2.
In het incassobeding is bedongen dat bij niet betaling steeds 15% van het factuurbedrag in rekening mag worden gebracht als vergoeding voor gemaakte incassokosten, met een minimum van € 40,00. Dat percentage is in sommige gevallen hoger dan de door de wetgever redelijk geachte vergoeding die volgt uit artikel 6:96 lid 5 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De bedongen vergoeding wijkt dus ten nadele van consumenten zoals gedaagde partij aanzienlijk af van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het beding is dus onredelijk bezwarend voor consumenten zoals gedaagde partij en wordt daarom vernietigd. Als gevolg daarvan moet de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Dat in het beding verwezen wordt naar het toepasselijke Nederlandse recht maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders, omdat vervolgens ook in het beding is opgenomen dat een bedrag in rekening mag worden gebracht van 15% van het openstaande bedrag, hetgeen voor bedragen boven € 2.500,00 niet juist is.
conclusie en proceskosten
2.3.
In het tussenvonnis is verder geoordeeld dat een sanctie zal worden toegepast vanwege het schenden van de (pre)contractuele informatieplichten, in die zin dat de betalingsverplichting van gedaagde partij wordt verminderd met 20%. Dat betekent dat een bedrag van (€ 78,97 x 80% =) € 63,18 aan hoofdsom zal worden toegewezen.
2.4.
De vordering komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze bij verstek wordt toegewezen, met inachtneming van het volgende. De gevorderde rente zal worden toegewezen op de hierna in de beslissing vermelde wijze.
2.5.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 120,78
- griffierecht € 135,00
- salaris gemachtigde € 43,00 (1 punt x tarief € 43,00)
- nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 320,28
3Beslissing
De kantonrechter:
- veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen € 63,18, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 320,28, onverminderd de eventueel over de verschotten verschuldigde btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Sluymer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.
Zittingsplaats Gouda
MvN
Rolnr.: 11852547 \ CV EXPL 25-2784
Datum: 28 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht Rivery GmbH, handelend onder de naam Riverty, voorheen handelend onder de naam Afterpay,
gevestigd te Verl (Duitsland),
eisende partij,
gemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1Verloop van de procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 19 februari 2026 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, is verstek verleend tegen gedaagde partij en is eisende partij in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven op de (on)eerlijkheid van artikel 3.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden van eisende partij.
1.2.
Eisende partij heeft op de rol van 19 maart 2026 een akte genomen.
1.3.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2Verdere beoordeling
(on)eerlijk beding
2.1.
Eisende partij heeft zich bij akte uitgelaten over het betreffende beding en stelt dat dit beding niet oneerlijk is, omdat in artikel 3.2 van de algemene bepalingen wordt verwezen naar het toepasselijke Nederlandse recht. Eisende partij maakt gebruik van een staffel waarbij stapsgewijs de wettelijke verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten in rekening worden gebracht. De volledige buitengerechtelijke incassokosten worden pas, na minimaal zes betalingsherinneringen en zeventig dagen, in rekening gebracht als eisende partij de vorderingen overdraagt aan het incassobureau. Hiermee hanteert eisende partij een soepeler inningsbeleid dan de wet voorschrijft. Eisende partij is hierbij niet betrokken en ontvangt deze kosten ook niet. Aldus eisende partij.
2.2.
In het incassobeding is bedongen dat bij niet betaling steeds 15% van het factuurbedrag in rekening mag worden gebracht als vergoeding voor gemaakte incassokosten, met een minimum van € 40,00. Dat percentage is in sommige gevallen hoger dan de door de wetgever redelijk geachte vergoeding die volgt uit artikel 6:96 lid 5 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De bedongen vergoeding wijkt dus ten nadele van consumenten zoals gedaagde partij aanzienlijk af van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het beding is dus onredelijk bezwarend voor consumenten zoals gedaagde partij en wordt daarom vernietigd. Als gevolg daarvan moet de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Dat in het beding verwezen wordt naar het toepasselijke Nederlandse recht maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders, omdat vervolgens ook in het beding is opgenomen dat een bedrag in rekening mag worden gebracht van 15% van het openstaande bedrag, hetgeen voor bedragen boven € 2.500,00 niet juist is.
conclusie en proceskosten
2.3.
In het tussenvonnis is verder geoordeeld dat een sanctie zal worden toegepast vanwege het schenden van de (pre)contractuele informatieplichten, in die zin dat de betalingsverplichting van gedaagde partij wordt verminderd met 20%. Dat betekent dat een bedrag van (€ 78,97 x 80% =) € 63,18 aan hoofdsom zal worden toegewezen.
2.4.
De vordering komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze bij verstek wordt toegewezen, met inachtneming van het volgende. De gevorderde rente zal worden toegewezen op de hierna in de beslissing vermelde wijze.
2.5.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 120,78
- griffierecht € 135,00
- salaris gemachtigde € 43,00 (1 punt x tarief € 43,00)
- nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 320,28
3Beslissing
De kantonrechter:
- veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen € 63,18, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 320,28, onverminderd de eventueel over de verschotten verschuldigde btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Sluymer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.