Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:14769

2026-05-28 Civiel recht 11847447 \ CV EXPL 25-2731
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-28
Publicatiedatum
2026-06-03
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11847447 \ CV EXPL 25-2731
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verstek. Achteraf betalen met Riverty. Oneerlijk bik-beding.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.172 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Zittingsplaats Gouda



MvN
Rolnr.: 11847447 \ CV EXPL 25-2731
Datum: 28 mei 2026




Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:





de rechtspersoon naar buitenlands recht Rivery GmbH, handelend onder de naam Riverty, voorheen handelend onder de naam Afterpay,

gevestigd te Verl (Duitsland),
eisende partij,
gemachtigde: Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders,



tegen





[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.





1Verloop van de procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 19 februari 2026 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, is verstek verleend tegen gedaagde partij en is eisende partij in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven op de (on)eerlijkheid van artikel 3.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden van eisende partij.



1.2.
Eisende partij heeft op de rol van 19 maart 2026 een akte genomen.



1.3.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.





2Verdere beoordeling
(on)eerlijk beding

2.1.
Eisende partij heeft zich bij akte uitgelaten over het betreffende beding en stelt dat dit beding niet oneerlijk is. Daartoe voert zij het volgende aan. Het is juist dat in de voorwaarden van eisende partij enkel het percentage van 15% wordt benoemd, dit omdat bestedingen van méér dan € 2.500,00 in de praktijk niet voorkomen (dit is eenvoudigweg niet toegestaan). Eisende partij hecht er aan om in duidelijke (en bevattelijke) bewoordingen haar klanten te informeren. Een enkel percentage is duidelijker dan een weergave van de volledige gestaffelde tabel die bij artikel 6:96 BW hoort. Overigens wordt er óók verwezen naar de vigerende (Nederlandse) wettelijke regeling. De twee zinsdelen moeten in samenhang worden gelezen en indien er vervolgens teleologisch wordt geïnterpreteerd is duidelijk genoeg dat er maximaal 15% incassokosten kan worden gerekend, maar dat vanzelfsprekend altijd aansluiting zal worden gezocht bij de toepasselijke wetgeving, wat bij bedragen boven de € 2.500,00 (mochten die al voorkomen) automatisch een lagere staffel betekent. Aldus eisende partij.




2.2.
In het incassobeding is bedongen dat bij niet betaling steeds 15% van het factuurbedrag in rekening mag worden gebracht als vergoeding voor gemaakte incassokosten, met een minimum van € 40,00. Dat percentage is in sommige gevallen hoger dan de door de wetgever redelijk geachte vergoeding die volgt uit artikel 6:96 lid 5 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De bedongen vergoeding wijkt dus ten nadele van consumenten zoals gedaagde partij aanzienlijk af van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het beding is dus onredelijk bezwarend voor consumenten zoals gedaagde partij en wordt daarom vernietigd. Als gevolg daarvan moet de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Dat het factuurbedrag in dit soort zaken nooit meer dan € 2.500,00 bedraagt en daarvoor het percentage van 15% wordt benoemd maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders, omdat dit niet blijkt uit de tekst van het incassobeding.



conclusie en proceskosten




2.3.
In het tussenvonnis is verder geoordeeld dat een sanctie zal worden toegepast vanwege het schenden van de (pre)contractuele informatieplichten, in die zin dat de betalingsverplichting van gedaagde partij wordt verminderd met 20%. Dat betekent dat een bedrag van (€ 49,98 x 80% =) € 39,99 aan hoofdsom zal worden toegewezen.



2.4.
De vordering komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze bij verstek wordt toegewezen, met inachtneming van het volgende. De gevorderde rente zal worden toegewezen op de hierna in de beslissing vermelde wijze.



2.5.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De gevorderde informatiekosten zullen worden toegewezen conform de door de Koninklijke Beroepsvereniging van Gerechtsdeurwaarders (jaarlijks) vastgestelde gemiddelde interne kostprijzen bevragingen te vinden op www.kbvg.nl, nu geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat in dit geval van een ander bedrag is uit te gaan. Dit leidt ertoe dat een totaalbedrag van € 1,38 aan informatiekosten bij de dagvaardingskosten zal worden toegewezen en niet de gevorderde € 2,19. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 120,78
- griffierecht € 135,00
- salaris gemachtigde € 43,00 (1 punt x tarief € 43,00)
- nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening

zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 320,28






3Beslissing


De kantonrechter:


- veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen € 39,99, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;


- veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 320,28, onverminderd de eventueel over de verschotten verschuldigde btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Sluymer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.