Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:14713

2026-06-02 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.3903
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-02
Publicatiedatum
2026-06-02
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Vereenvoudigde behandeling
Zaaknummer
NL26.3903
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin, Oostenrijk, 8:54 Awb, kennelijk ongegrond

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.106 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.3903


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Rasul),



en




de minister van Asiel en Migratie, de minister.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.



1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.



1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Totstandkoming van het besluit



4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening aanvaard.



Is het besluit onzorgvuldig voorbereid?



5. Eiser voert aan dat het voornemen niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het een standaardvoornemen betreft waarbij onvoldoende is ingegaan op de door eiser tijdens het Dublin-gehoor naar voren gebrachte bezwaren tegen een overdracht aan Oostenrijk. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juni 2024.


5.1.
De rechtbank constateert dat het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten voldoet, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Oostenrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. In het voornemen is daarnaast aangegeven dat de verklaringen van eiser over wat hij in Oostenrijk heeft meegemaakt, niet leiden tot de conclusie dat Oostenrijk zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser heeft ook niet toegelicht welke door hem aangedragen omstandigheden niet of onvoldoende in de beoordeling zijn meegenomen en waarom. Overigens kan het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser uit het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij een voornemen, op zichzelf niet leiden tot vernietiging van een bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van Afdeling van 11 april 2025.



Kan ten aanzien van Oostenrijk worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?



6. Eiser voert verder aan dat hij voldoende concreet heeft onderbouwd dat in zijn geval ten aanzien van Oostenrijk het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer opgaat. Er dreigt voor eiser na overdracht dan ook een situatie die strijdig met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser wijst daarbij (nogmaals) op het AIDA rapport over Oostenrijk uit juli 2025 en op het rapport van Amnesty International 2022/2023 betreffende Oostenrijk. In het rapport wordt gewezen op een uitspraak van de rechtbank Stiermarken over pushbacks wat volgens eiser maakt dat deze fundamentele systeemfout in de asielprocedure een schending van artikel 3, tweede lid, van het EVRM oplevert. Eiser vreest na terugkeer in een detentiecentrum te belanden, een herhaalde asielaanvraag te moeten indienen waardoor hij rechtsbijstand ontbeert, en zich niet bij het EHRM te kunnen beklagen. Dit levert een schending op van de internationale verplichtingen van Oostenrijk waarbij eiser geen mogelijkheid tot klagen heeft.

7. De rechtbank overweegt als volgt. De minister kan ten aanzien van Oostenrijk in het algemeen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn situatie anders is. Dat is het geval als eiser aannemelijk maakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om onder het bereik van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest te vallen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. De Afdeling heeft in verschillende uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De verwijzing naar het Amnesty-rapport dat enkele jaren vóór die uitspraken is uitgebracht, kan eiser reeds daarom niet baten. Dat geldt ook voor de verwijzing naar het AIDA-rapport nu daaruit niet blijkt van de gestelde systematische fouten die zouden leiden tot de door eiser gevreesde gevolgen. De minister is op deze al in de zienswijze aangevoerde gronden ook voldoende gemotiveerd ingegaan in de bestreden beschikking en eiser heeft niet geconcretiseerd op welke onderdelen de overwegingen van de minister tekortschieten. De rechtbank overweegt dat het dan ook op eisers weg ligt om zich in voorkomende gevallen te beklagen bij de (hogere of rechterlijke) autoriteiten in Oostenrijk. Met de enkele stelling heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dat voor hem niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De rechtbank overweegt verder dat Oostenrijk met het expliciete claimakkoord heeft gegarandeerd om eisers asielaanvraag in overeenstemming met de geldende internationale verplichtingen in behandeling te nemen. Omdat het interstatelijk vertrouwensbeginsel opgaat ten aanzien van Oostenrijk, bestaat er geen aanleiding om nadere garanties te vragen aan de Oostenrijkse autoriteiten.



Heeft de minister aanleiding moeten zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen?



9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank is onder verwijzing naar wat hiervoor is overwogen van oordeel dat de minister daarvoor geen aanleiding heeft hoeven zien, omdat ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft in zijn beroepschrift ook geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd waarin de minister aanleiding heeft hoeven zien om de behandeling van eisers asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken.




Conclusie en gevolgen


10. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van J.H. Folkers, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
.



De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:





Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.



Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.


Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer NL26.3904.


Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.


ECLI:NL:RBDHA:2024:8597.


ECLI:NL:RVS:2025:1642.


Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie


Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie de uitspraken van 13 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2017), 24 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4303) en 8 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:31).