Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:14683
2026-05-21
Bestuursrecht
26/2495
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vovo afgewezen. Geen medewerking verleend aan huisbezoek. Na afloop van gesprek is verzoekster zonder tegenbericht niet bij het huisbezoek verschenen. Er bestond een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek,.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2018:3082 Centrale Raad van Beroep 09-10-2018
- ECLI:NL:CRVB:2018:1376 Centrale Raad van Beroep 08-05-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.125 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2495
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: J.A. Bogaards).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van de bijstandsuitkering van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter wat betekent dat de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet is gebonden aan dat oordeel
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 maart 2026 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken met ingang van 9 maart 2026 vanwege het niet verlenen van medewerking aan een huisbezoek. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoekster ontving sinds 12 juli 2020 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm van een alleenstaande. Verzoekster heeft als adres [adres] (het uitkeringsadres) opgegeven. Op 8 april 2025 is er een anonieme melding bij het college binnengekomen, inhoudende dat verzoekster haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres zou hebben. Naar aanleiding hiervan is het college een onderzoek gestart naar het recht op bijstand van verzoekster. In dit kader is het waterverbruik op het uitkeringsadres opgevraagd. Verzoekster is bij brief 10 februari 2026 uitgenodigd voor een gesprek op 18 februari 2026. Verzoekster is zonder tegenbericht niet verschenen. Het college heeft met ingang van 1 februari 2026 de bijstandsuitkering tijdelijk stopgezet. Omdat verzoekster niet voor 5 maart 2026 contact heeft opgenomen met het college, is bij besluit van 5 maart 2026 de bijstandsuitkering opgeschort per 1 februari 2026. Verzoekster heeft op 5 maart 2026 telefonisch contact opgenomen en op 9 maart 2026 heeft er een hoor- en wederhoorgesprek plaatsgevonden.
3.1.
Na afloop van het hoor- en wederhoorgesprek is aangekondigd dat er een huisbezoek zal plaatsvinden op het uitkeringsadres om de woonsituatie te controleren. Verzoekster heeft hiermee ingestemd. Het gesprek is geëindigd om 10.42 uur. Afgesproken is dat de rapporteur (de consulent Handhaving en Fraude, toezichthouder van de deinst SZW) omstreeks 11.15 uur bij verzoekster aanwezig zal zijn en tot 11.30 uur op verzoekster zal wachten. De rapporteur heeft tot 12.00 uur gewacht bij de woning van verzoekster, maar verzoekster is niet verschenen.
3.2.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op 9 maart 2026 een hoor- en wederhoorgesprek heeft plaatsgevonden waar is afgesproken dat aansluitend een huisbezoek zou plaatsvinden. Verzoekster is mondeling en schriftelijk geïnformeerd over de gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek. Verzoekster heeft hiermee ingestemd. Desondanks was zij niet op het afgesproken tijdstip aanwezig. Er is 45 minuten gewacht en er zijn herhaaldelijk pogingen gedaan om verzoekster te bereiken. Hierdoor heeft verzoekster de medewerkingsverplichting geschonden en is het recht op bijstand niet vast te stellen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het ingediende bezwaar- of beroepschrift.
4.1.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie, nu verzoekster op dit moment geen bijstand ontvangt. Het college heeft de aanwezigheid van spoedeisend belang niet betwist. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat er aanleiding bestaat om uit te gaan van een spoedeisend belang.
Rechtmatigheid van het huisbezoek
4.2.
Verzoekster voert aan dat er geen redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek. Er bestond onvoldoende objectieve en redelijke twijfel over de opgegeven woon- en leefsituatie op het uitkeringsadres. Daarnaast zijn andere, minder ingrijpende onderzoeksmiddelen niet benut. Het (voorgenomen) huisbezoek voldoet dan ook niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook bestaan er serieuze twijfels over de juistheid van de meterstand op 26 juni 2023. Als het verbruik over de periode van 26 juni 2023 tot 9 juli 2024 al juist zou zijn, dan is dit allesbehalve actueel. Het waterverbruik kan daarom geen bijdrage leveren aan de vereiste objectieve redelijke twijfel dat de opgegeven woon- en leefsituatie mogelijk niet juist zou zijn. Ook een anonieme melding over de woon- en leefsituatie is een onvoldoende redelijke grond voor het kunnen afleggen voor een huisbezoek, evenals de door verzoekster afgelegde verklaringen.
4.3.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw verleent de belanghebbende het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien hij de medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Pw, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.
4.4.
Vaststaat dat verzoekster niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek dat de handhavingsspecialisten van het college op 9 maart 2026 in de woning van verzoekster wilden afleggen. Beoordeeld moet worden of het college om die reden de bijstand van verzoekster mocht intrekken.
4.5.
Volgens vaste rechtspraak kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bestuursorgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren. Aldus dient bij de beantwoording van de vraag of een inbreuk op het huisrecht is gemaakt in de zin van artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), tevens te worden onderzocht of het noodzakelijk is om een huisbezoek als controlemiddel in te zetten en of dat controlemiddel proportioneel is. Bij dat laatste is vooral van belang de vraag of is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, in die zin dat aan het bestuursorgaan geen andere passende, minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om de rechtmatigheid van de uitkering te onderzoeken. Beide elementen vormen onderdeel van de beantwoording van de vraag of een redelijke grond bestond voor het huisbezoek en het bestuursorgaan zal zich dan ook van beide elementen rekenschap moeten geven voorafgaand aan het inzetten van dit verstrekkende controlemiddel.
4.6.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter had het college voldoende aanknopingspunten om redelijkerwijs aan de juistheid van de opgegeven woonsituatie van verzoekster te twijfelen. In onderlinge samenhang bezien zijn de anonieme melding over verzoeksters hoofdverblijf, het waterverbruik op het uitkeringsadres over de periode van 26 juni 2023 tot en met 11 juli 2025 dat overeenkomt met het verbruik van een huishouden van 2 á 3 personen terwijl verzoekster alleen ingeschreven staat op het uitkeringsadres, de wisselende verklaringen van verzoekster over de frequentie en duur van haar verblijven in Suriname en de omstandigheid dat verzoekster sinds haar terugkomst uit Suriname op 6 maart 2026 nog niet in haar eigen woning was geweest, voldoende grond voor het afleggen van een huisbezoek.
4.7.
De inzet van het onaangekondigde huisbezoek als controlemiddel is om de opgegeven woonsituatie ter plaatste te controleren. Omdat een huisbezoek de enige mogelijkheid is om duidelijkheid te verkrijgen over de feitelijke woon- en leefsituatie van verzoekster, is hiervoor gekozen. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college met een ander, lichter middel had kunnen volstaan. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden voor het oordeel dat de inzet van het huisbezoek als onderzoeksmiddel in strijd was met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat daarmee de potentiële inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van verzoekster gerechtvaardigd was.
4.8.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestond er gelet op het voorgaande op 9 maart 2026 een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Om die reden kan aan de weigering van verzoekster om hier niet aan mee te werken het gevolg worden verbonden dat de bijstand wordt ingetrokken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn er dan ook op dit moment onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het bezwaar kans van slagen heeft.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Dat betekent dat het bestreden besluit niet bij wijze van voorlopige voorziening zal worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2018:3082
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1376.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2495
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: J.A. Bogaards).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van de bijstandsuitkering van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter wat betekent dat de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet is gebonden aan dat oordeel
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 maart 2026 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken met ingang van 9 maart 2026 vanwege het niet verlenen van medewerking aan een huisbezoek. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoekster ontving sinds 12 juli 2020 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm van een alleenstaande. Verzoekster heeft als adres [adres] (het uitkeringsadres) opgegeven. Op 8 april 2025 is er een anonieme melding bij het college binnengekomen, inhoudende dat verzoekster haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres zou hebben. Naar aanleiding hiervan is het college een onderzoek gestart naar het recht op bijstand van verzoekster. In dit kader is het waterverbruik op het uitkeringsadres opgevraagd. Verzoekster is bij brief 10 februari 2026 uitgenodigd voor een gesprek op 18 februari 2026. Verzoekster is zonder tegenbericht niet verschenen. Het college heeft met ingang van 1 februari 2026 de bijstandsuitkering tijdelijk stopgezet. Omdat verzoekster niet voor 5 maart 2026 contact heeft opgenomen met het college, is bij besluit van 5 maart 2026 de bijstandsuitkering opgeschort per 1 februari 2026. Verzoekster heeft op 5 maart 2026 telefonisch contact opgenomen en op 9 maart 2026 heeft er een hoor- en wederhoorgesprek plaatsgevonden.
3.1.
Na afloop van het hoor- en wederhoorgesprek is aangekondigd dat er een huisbezoek zal plaatsvinden op het uitkeringsadres om de woonsituatie te controleren. Verzoekster heeft hiermee ingestemd. Het gesprek is geëindigd om 10.42 uur. Afgesproken is dat de rapporteur (de consulent Handhaving en Fraude, toezichthouder van de deinst SZW) omstreeks 11.15 uur bij verzoekster aanwezig zal zijn en tot 11.30 uur op verzoekster zal wachten. De rapporteur heeft tot 12.00 uur gewacht bij de woning van verzoekster, maar verzoekster is niet verschenen.
3.2.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op 9 maart 2026 een hoor- en wederhoorgesprek heeft plaatsgevonden waar is afgesproken dat aansluitend een huisbezoek zou plaatsvinden. Verzoekster is mondeling en schriftelijk geïnformeerd over de gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek. Verzoekster heeft hiermee ingestemd. Desondanks was zij niet op het afgesproken tijdstip aanwezig. Er is 45 minuten gewacht en er zijn herhaaldelijk pogingen gedaan om verzoekster te bereiken. Hierdoor heeft verzoekster de medewerkingsverplichting geschonden en is het recht op bijstand niet vast te stellen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het ingediende bezwaar- of beroepschrift.
4.1.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie, nu verzoekster op dit moment geen bijstand ontvangt. Het college heeft de aanwezigheid van spoedeisend belang niet betwist. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat er aanleiding bestaat om uit te gaan van een spoedeisend belang.
Rechtmatigheid van het huisbezoek
4.2.
Verzoekster voert aan dat er geen redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek. Er bestond onvoldoende objectieve en redelijke twijfel over de opgegeven woon- en leefsituatie op het uitkeringsadres. Daarnaast zijn andere, minder ingrijpende onderzoeksmiddelen niet benut. Het (voorgenomen) huisbezoek voldoet dan ook niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook bestaan er serieuze twijfels over de juistheid van de meterstand op 26 juni 2023. Als het verbruik over de periode van 26 juni 2023 tot 9 juli 2024 al juist zou zijn, dan is dit allesbehalve actueel. Het waterverbruik kan daarom geen bijdrage leveren aan de vereiste objectieve redelijke twijfel dat de opgegeven woon- en leefsituatie mogelijk niet juist zou zijn. Ook een anonieme melding over de woon- en leefsituatie is een onvoldoende redelijke grond voor het kunnen afleggen voor een huisbezoek, evenals de door verzoekster afgelegde verklaringen.
4.3.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw verleent de belanghebbende het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien hij de medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Pw, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.
4.4.
Vaststaat dat verzoekster niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek dat de handhavingsspecialisten van het college op 9 maart 2026 in de woning van verzoekster wilden afleggen. Beoordeeld moet worden of het college om die reden de bijstand van verzoekster mocht intrekken.
4.5.
Volgens vaste rechtspraak kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bestuursorgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren. Aldus dient bij de beantwoording van de vraag of een inbreuk op het huisrecht is gemaakt in de zin van artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), tevens te worden onderzocht of het noodzakelijk is om een huisbezoek als controlemiddel in te zetten en of dat controlemiddel proportioneel is. Bij dat laatste is vooral van belang de vraag of is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, in die zin dat aan het bestuursorgaan geen andere passende, minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om de rechtmatigheid van de uitkering te onderzoeken. Beide elementen vormen onderdeel van de beantwoording van de vraag of een redelijke grond bestond voor het huisbezoek en het bestuursorgaan zal zich dan ook van beide elementen rekenschap moeten geven voorafgaand aan het inzetten van dit verstrekkende controlemiddel.
4.6.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter had het college voldoende aanknopingspunten om redelijkerwijs aan de juistheid van de opgegeven woonsituatie van verzoekster te twijfelen. In onderlinge samenhang bezien zijn de anonieme melding over verzoeksters hoofdverblijf, het waterverbruik op het uitkeringsadres over de periode van 26 juni 2023 tot en met 11 juli 2025 dat overeenkomt met het verbruik van een huishouden van 2 á 3 personen terwijl verzoekster alleen ingeschreven staat op het uitkeringsadres, de wisselende verklaringen van verzoekster over de frequentie en duur van haar verblijven in Suriname en de omstandigheid dat verzoekster sinds haar terugkomst uit Suriname op 6 maart 2026 nog niet in haar eigen woning was geweest, voldoende grond voor het afleggen van een huisbezoek.
4.7.
De inzet van het onaangekondigde huisbezoek als controlemiddel is om de opgegeven woonsituatie ter plaatste te controleren. Omdat een huisbezoek de enige mogelijkheid is om duidelijkheid te verkrijgen over de feitelijke woon- en leefsituatie van verzoekster, is hiervoor gekozen. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college met een ander, lichter middel had kunnen volstaan. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden voor het oordeel dat de inzet van het huisbezoek als onderzoeksmiddel in strijd was met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat daarmee de potentiële inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van verzoekster gerechtvaardigd was.
4.8.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestond er gelet op het voorgaande op 9 maart 2026 een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Om die reden kan aan de weigering van verzoekster om hier niet aan mee te werken het gevolg worden verbonden dat de bijstand wordt ingetrokken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn er dan ook op dit moment onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het bezwaar kans van slagen heeft.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Dat betekent dat het bestreden besluit niet bij wijze van voorlopige voorziening zal worden geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2018:3082
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1376.