Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:14469
2026-05-11
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.31047 en NL25.19733
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid in loondienst’. Langdurig ingezetene. Niet is gebleken dat eiser tenminste een jaar legaal verblijf in Nederland heeft gehad. Eiser heeft ook geen tewerkstellingsvergunning overgelegd. Beroep ongegrond. Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2013:548 Raad van State 22-07-2013
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.008 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.31047 (beroep)
NL25.19733 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1985, van de Nigeriaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Inleiding
1. Eiser heeft op 17 november 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid in loondienst’. Hij beoogt namelijk verblijf voor het verrichten van arbeid bij [bedrijf] B.V. (referent) in Amsterdam.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 1 april 2025 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tegelijkertijd een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.
1.2.
Met het bestreden besluit van 23 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.4.
De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Abdullah (tolk Engels) en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden die gelden voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst. Uit de overlegde stukken is gebleken dat eiser over een Italiaans verblijfsdocument beschikt als langdurig ingezetene. Echter, niet is gebleken dat eiser tenminste een jaar legaal verblijf in Nederland heeft gehad. Eiser heeft ook geen tewerkstellingsvergunning (twv) overgelegd.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd. Eisers stelling dat het onredelijk en onbillijk is om de aanvraag af te wijzen, wordt door verweerder niet gevolgd. Ook de stelling dat er een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend en dat eiser als langdurig ingezetene recht heeft om in Nederland te verblijven wordt niet gevolgd. Verder is niet gebleken dat eiser een vaste baan heeft als chef, nu uit de loonstroken blijkt dat eiser een tijdelijk contract heeft (op oproepbasis) als medewerker spoelkeuken. Tot slot overweegt verweerder dat artikel 8 van de Wav dwingendrechtelijk van aard is, en daarmee ook artikel 3.31, eerste lid, van het Vb. Daarom is er geen ruimte voor een belangenafweging.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling griffierecht
4. Eiser heeft een verzoek gedaan om van de betaling van het griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
Beoordeling van het beroep
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De tewerkstellingsvergunning
6. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte een twv verlangt als voorwaarde voor de verblijfsvergunning. Hij heeft een Italiaans verblijfsdocument als langdurig ingezetene en daarom heeft hij het recht zich in een andere lidstaat te vestigen om arbeid te verrichten. Het eisen van een twv vormt een belemmering van dit recht en dit mag alleen als dat proportioneel is. Een proportionaliteitstoets ontbreekt volgens eiser in het besluit. Het besluit is volgens eiser in strijd met het beginsel van gelijke behandeling. Ook had verweerder, op grond van het evenredigheidsbeginsel, moeten toetsen of het eisen van een twv in dit specifieke geval niet onevenredig zwaar uitpakt voor eiser. Eiser stelt dat hij in een vicieuze cirkel zit: hij dient een vergunning te hebben om een andere vergunning te verkrijgen, terwijl de ene vergunning wordt geweigerd bij gebrek aan de andere. Verder is referent niet in de gelegenheid gesteld om alsnog een twv aan te vragen.
7. Op grond van artikel 3.31, eerste lid, van het Vb kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid in loondienst worden verleend indien geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 16 van de Vw en de artikelen 8 en 9 van de Wav, tenzij het seizoenarbeid betreft. Het is vaste rechtspraak dat verweerder een twv mag verlangen als voorwaarde voor een verblijfsvergunning met dit doel. Uit deze uitspraak volgt dat het vereiste van een twv gedurende één jaar en de voorwaarden voor de verkrijging daarvan niet in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.
8. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser geen twv heeft aangevraagd. Daarom voldoet eiser niet aan de voorwaarde voor het verstrekken van de vergunning. Verweerder heeft daarom terecht de aanvraag van eiser afgewezen. De rechtbank ziet niet in dat eiser in een vicieuze cirkel zou zitten. Er is geen verklaring of uitleg gegeven van het achterwege blijven van de aanvraag van een twv door referent. Verweerder heeft eiser er meerdere keren op gewezen dat de twv aangevraagd moest worden.
8.1.
Op de zitting heeft (de gemachtigde van) eiser desgevraagd ook niet gemotiveerd waarom in zijn geval zou moeten worden afgeweken van het wettelijk kader en de vaste rechtspraak op dit punt. Eiser heeft niet aangevoerd waarom het verlangen van een twv in zijn geval onevenredig zwaar zou uitpakken. De rechtbank is ook niet gebleken dat met het verlangen van een twv in het geval van eiser sprake zou zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
Privéleven
9. Eiser stelt – voor het eerst in beroep – dat geen sprake is van een kenbare belangenafweging. Verweerder heeft namelijk niet getoetst aan het privéleven van eiser en de sociale binding die eiser met Nederland heeft.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht niet toekomt aan een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft op geen enkele manier onderbouwd dat de afwijzing van de aanvraag in strijd zou zijn met zijn recht op privéleven. Daarom is niet gebleken dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
Hoorplicht
10. Eiser voert aan dat de hoorplicht is geschonden. Om de situatie van eiser objectief te beoordelen, had verweerder hem in bezwaar dienen te horen.
10.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. Zoals de Afdeling heeft overwogen is het uitgangspunt dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat verweerder terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen. Eiser heeft in bezwaar namelijk geen twv overgelegd, terwijl verweerder hem daartoe wel in de gelegenheid heeft gesteld. Eiser voldoet dus niet aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat er geen reden was voor twijfel dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou kunnen leiden.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat verweerder de aanvraag heeft mogen afwijzen.
11.1.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
11.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.31047:
- verklaart het beroep ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.19733:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Algemene wet bestuursrecht.
Deze voorwaarden staan in artikel 3.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Wet arbeid vreemdelingen.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van
22 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:548.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 t/m 5.3.
Zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 4.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.31047 (beroep)
NL25.19733 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1985, van de Nigeriaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).
Inleiding
1. Eiser heeft op 17 november 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid in loondienst’. Hij beoogt namelijk verblijf voor het verrichten van arbeid bij [bedrijf] B.V. (referent) in Amsterdam.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 1 april 2025 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tegelijkertijd een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.
1.2.
Met het bestreden besluit van 23 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.4.
De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Abdullah (tolk Engels) en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden die gelden voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst. Uit de overlegde stukken is gebleken dat eiser over een Italiaans verblijfsdocument beschikt als langdurig ingezetene. Echter, niet is gebleken dat eiser tenminste een jaar legaal verblijf in Nederland heeft gehad. Eiser heeft ook geen tewerkstellingsvergunning (twv) overgelegd.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd. Eisers stelling dat het onredelijk en onbillijk is om de aanvraag af te wijzen, wordt door verweerder niet gevolgd. Ook de stelling dat er een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend en dat eiser als langdurig ingezetene recht heeft om in Nederland te verblijven wordt niet gevolgd. Verder is niet gebleken dat eiser een vaste baan heeft als chef, nu uit de loonstroken blijkt dat eiser een tijdelijk contract heeft (op oproepbasis) als medewerker spoelkeuken. Tot slot overweegt verweerder dat artikel 8 van de Wav dwingendrechtelijk van aard is, en daarmee ook artikel 3.31, eerste lid, van het Vb. Daarom is er geen ruimte voor een belangenafweging.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling griffierecht
4. Eiser heeft een verzoek gedaan om van de betaling van het griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
Beoordeling van het beroep
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De tewerkstellingsvergunning
6. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte een twv verlangt als voorwaarde voor de verblijfsvergunning. Hij heeft een Italiaans verblijfsdocument als langdurig ingezetene en daarom heeft hij het recht zich in een andere lidstaat te vestigen om arbeid te verrichten. Het eisen van een twv vormt een belemmering van dit recht en dit mag alleen als dat proportioneel is. Een proportionaliteitstoets ontbreekt volgens eiser in het besluit. Het besluit is volgens eiser in strijd met het beginsel van gelijke behandeling. Ook had verweerder, op grond van het evenredigheidsbeginsel, moeten toetsen of het eisen van een twv in dit specifieke geval niet onevenredig zwaar uitpakt voor eiser. Eiser stelt dat hij in een vicieuze cirkel zit: hij dient een vergunning te hebben om een andere vergunning te verkrijgen, terwijl de ene vergunning wordt geweigerd bij gebrek aan de andere. Verder is referent niet in de gelegenheid gesteld om alsnog een twv aan te vragen.
7. Op grond van artikel 3.31, eerste lid, van het Vb kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid in loondienst worden verleend indien geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 16 van de Vw en de artikelen 8 en 9 van de Wav, tenzij het seizoenarbeid betreft. Het is vaste rechtspraak dat verweerder een twv mag verlangen als voorwaarde voor een verblijfsvergunning met dit doel. Uit deze uitspraak volgt dat het vereiste van een twv gedurende één jaar en de voorwaarden voor de verkrijging daarvan niet in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.
8. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser geen twv heeft aangevraagd. Daarom voldoet eiser niet aan de voorwaarde voor het verstrekken van de vergunning. Verweerder heeft daarom terecht de aanvraag van eiser afgewezen. De rechtbank ziet niet in dat eiser in een vicieuze cirkel zou zitten. Er is geen verklaring of uitleg gegeven van het achterwege blijven van de aanvraag van een twv door referent. Verweerder heeft eiser er meerdere keren op gewezen dat de twv aangevraagd moest worden.
8.1.
Op de zitting heeft (de gemachtigde van) eiser desgevraagd ook niet gemotiveerd waarom in zijn geval zou moeten worden afgeweken van het wettelijk kader en de vaste rechtspraak op dit punt. Eiser heeft niet aangevoerd waarom het verlangen van een twv in zijn geval onevenredig zwaar zou uitpakken. De rechtbank is ook niet gebleken dat met het verlangen van een twv in het geval van eiser sprake zou zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
Privéleven
9. Eiser stelt – voor het eerst in beroep – dat geen sprake is van een kenbare belangenafweging. Verweerder heeft namelijk niet getoetst aan het privéleven van eiser en de sociale binding die eiser met Nederland heeft.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht niet toekomt aan een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft op geen enkele manier onderbouwd dat de afwijzing van de aanvraag in strijd zou zijn met zijn recht op privéleven. Daarom is niet gebleken dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
Hoorplicht
10. Eiser voert aan dat de hoorplicht is geschonden. Om de situatie van eiser objectief te beoordelen, had verweerder hem in bezwaar dienen te horen.
10.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. Zoals de Afdeling heeft overwogen is het uitgangspunt dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat verweerder terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen. Eiser heeft in bezwaar namelijk geen twv overgelegd, terwijl verweerder hem daartoe wel in de gelegenheid heeft gesteld. Eiser voldoet dus niet aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat er geen reden was voor twijfel dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou kunnen leiden.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat verweerder de aanvraag heeft mogen afwijzen.
11.1.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
11.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.31047:
- verklaart het beroep ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.19733:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Algemene wet bestuursrecht.
Deze voorwaarden staan in artikel 3.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Wet arbeid vreemdelingen.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van
22 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:548.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 t/m 5.3.
Zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 4.