Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:14134

2026-03-05 Civiel recht; Arbeidsrecht 12026761 EJ VERZ 25-83668
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-05
Publicatiedatum
2026-05-29
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12026761 EJ VERZ 25-83668
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | VAAN-AR-Updates.nl 2026-0922 | AR-Updates.nl 2026-0922

Inhoudsindicatie

Verzoek ontbinding op de g-grond toegewezen. Tussen partijen is sprake van een zodanige verstoring dat terugkeer op de werkvloer van werknemer niet meer mogelijk is. Het handelen van de werknemer is verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar zodat hij recht heeft op de transitievergoeding.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.221 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Gouda


SM / c
Zaaknummer: 12026761 EJ VERZ 25-83668
Datum: 5 maart 2026




Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:




de besloten vennootschap [partij A],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. J.H. Ligtenberg,



tegen





[partij B]
,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigden: mrs. B.D. Hengstmengel en L.P.J. Krijgsman.





1Het procesverloop


1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift met producties, ter griffie ingekomen op 22 december 2025;
- het verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijke) zelfstandige tegen- en nevenverzoeken met producties;
- de akte wijziging verzoeken tevens overlegging producties van [partij B] .




1.2.
Op 5 februari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting op hun standpunten naar voren hebben gebracht. Door partijen zijn pleitaantekeningen overgelegd, die aan het griffiedossier zijn toegevoegd. [partij B] heeft ter zitting een deel van zijn tegenverzoeken ingetrokken.



1.3.
Tenslotte is de uitspraak bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.

[partij B] , geboren op [geboortedatum] 1986, is op [datum] 2006 in dienst getreden bij [partij A] . De laatste functie die [partij B] vervulde, is die van uitvoerder, met een salaris van € 6.208,75 bruto per maand, inclusief vakantiegeld.



2.2.
In 2012 is [partij B] begonnen met de bouw van een huis. Een deel van de werkzaamheden heeft hij in werktijd verricht en hij heeft bouwmaterialen van [partij A] gebruikt. Een aan [partij A] gelieerde vennootschap heeft [partij B] een hypothecaire lening verstrekt voor de bouw en de grond.



2.3.

[partij B] heeft zich op 7 november 2024 ziekgemeld.



2.4.

In de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van 16 september 2025 heeft de bedrijfsarts het volgende advies gegeven:

“
Advies


De ziekmelding kan worden afgesloten, momenteel zijn er geen medische beperkingen meer.


Advies is om een oplossingsrichting voor de voortdurende ervaren knelpunten (o.a. suboptimale arbeidsrelatie | verwachtingen) buiten het verzuim te zoeken (advies: doorgaan met mediation).


Let op: Zondermeer re-integreren zonder oplossingsrichting gaat m.i. ten koste van de duurzaamheid, daarom zou het zeer wenselijk zijn om eerst tot een oplossingsrichting te komen alvorens te re-integreren in eigen werk.”





2.5.

[partij B] heeft ruim 150 e-mails aan [partij A] gestuurd met vragen, verzoeken en verwijten aan [partij A] .



2.6.
Tussen partijen hebben meerdere mediationbijeenkomsten plaatsgevonden. De mediation is op 3 oktober 2025 zonder positief resultaat beëindigd.



2.7.
Sinds 10 oktober 2025 is [partij B] beter gemeld en bij [partij A] vrijgesteld van werk.



2.8.

Op 10 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [partij A] aan [partij B] onder andere het volgende bericht:

“Zoals je zelf ook hebt aangegeven, ben je momenteel aan het werk bij [bedrijfsnaam] . Vanuit [partij A] bestaat het vermoeden dat je mogelijk ook nog ergens anders werkzaamheden verricht. Ik hoor graag hoe dat zit.





Dat betekent feitelijk dat je niet beschikbaar bent voor het werk waarvoor je bij [partij A] op de loonlijst staat. Dat betekent dat je arbeidsovereenkomst bij [partij A] inhoudsloos is geworden. Jij kunt daar namelijk geen uitvoering aan geven. Je bent niet beschikbaar voor de overeengekomen arbeid.






[partij A] heeft jou nooit toestemming gegeven om bij een ander aan de slag te gaan. Het is alleen langsgekomen als optie voor re-integratie in het 2e spoor, maar dat is niet meer aan de orde, omdat je niet meer ziek bent. Juist nu je niet meer ziek bent, staat het je al helemaal niet vrij om zomaar ergens anders aan de slag te gaan. Tenzij je eigenlijk bedoelt op te zeggen. Dat kan en dat lost de situatie ook op. Maar dan moeten we dat zo afwikkelen.





Kortom, je zou nog in dienst zijn van [partij A] (en dus ook loon krijgen, een bedrijfsauto rijden, kosten maken etc.), maar je bent ergens anders aan het werk. Dat kan niet naast elkaar bestaan. [partij A] houdt het er daarom voor dat je hebt opgezegd. Als dat het geval is, ontvang ik graag je bevestiging. Dan eindigt je dienstverband gewoon deze maand en maakt [partij A] de eindrekening op.





Het kan ook zijn dat je niet bedoelt op te zeggen. Dan geldt nog steeds dat je arbeidsovereenkomst bij [partij A] inhoudsloos geworden is. Dan ben je niet beschikbaar voor werk en is dat ook reden om geen loon te betalen. Bovendien is het feit dat je elders werkt ook een oplossing voor het diepgewortelde conflict, waarvoor geen oplossing mogelijk lijkt.





Er zijn daarom drie oplossingen mogelijk:


1.Of jij bevestigt dat je hebt opgezegd en dat de overeenkomst deze maand eindigt (dan krijg je nog loon over oktober).


2.Of jij tekent bijgaande VSO ter bevestiging van de beëindiging van je dienstverband per einde van de maand (dan krijg je nog loon over oktober).


3.Of je weigert te tekenen en dan gaat [partij A] over tot een loonstop en – als je bij je standpunt blijft en bij andere blijf werken – tot ontslag op staande voet (dan krijg je geen loon meer).





De keuze is dus aan jou. Als je die niet maakt, komen we vanzelf in de hierboven omschreven optie 3. In alle gevallen houdt het dienstverband deze maand op. Langer gaan we elkaar niet bezighouden met een nutteloze discussie over jouw dienstverband bij [partij A] , terwijl dat feitelijk niet meer bestaat en daar al helemaal geen toekomst meer voor is en het conflict groter wordt. (…)”





[partij B] heeft niet op de hierin voorgelegde keuze gereageerd.






3Het verzoek


3.1.

[partij A] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [partij B] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW.



3.2.
Aan dit verzoek legt [partij A] ten grondslag dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodat van [partij A] redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft [partij A] het volgende naar voren gebracht. Tussen partijen is een arbeidsconflict ontstaan. Ondanks mediation zijn partijen er niet in geslaagd het arbeidsconflict op te lossen of tot een oplossing met betrekking tot het einde van het dienstverband te komen. [partij B] is sinds 7 november 2024 ziek en sinds 10 oktober 2025 vrijgesteld van werk. [partij A] heeft geconstateerd dat [partij B] sinds 6 oktober 2025 in dienst is bij een derde, althans hij verricht werkzaamheden voor een ander en ontvangt daarvoor salaris. Hij heeft dus dubbele inkomsten. Ook maakt hij nog gebruik van diverse bedrijfsmiddelen van [partij A] , waaronder een auto. Hij weigert bovendien om verder met [partij A] in gesprek te treden. Aangezien [partij A] een kleine onderneming is en niet beschikt over een passende functie, behoort herplaatsing van [partij B] binnen de onderneming niet tot de mogelijkheden. Nu het verzoek tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [partij B] , bestaat er geen recht op de transitievergoeding van € 41.224,87 bruto (berekend over een dienstverband van [datum] 2006 tot 1 mei 2026).



3.3.
Als voorlopige voorziening verzoekt [partij A] alle betalingsverplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst jegens [partij B] op te schorten voor de duur van dit geding. Daarnaast verzoekt [partij A] om [partij B] te gebieden de aan hem ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen, waaronder een bedrijfsauto, laptop en telefoon in te leveren bij [partij A] . [partij A] heeft voldoende belang bij de verzochte voorziening en van haar kan niet gevergd worden de beslissing op het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wachten. [partij B] wordt hierbij niet onevenredig in zijn belangen geschaad, aangezien hij inkomsten uit andere bronnen geniet.





4Het verweer en het tegenverzoek


4.1.

[partij B] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte voorlopige voorziening en ontbinding moeten worden afgewezen. Hij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.



4.2.
Tussen partijen was altijd een goede verstandshouding. De directeur van [partij A] heeft zelfs een geldlening aan [partij B] verstrekt voor het aankopen van een bouwkavel en heeft hem toegestaan om deels onder werktijd en met personeel van [partij A] zijn woning te bouwen. Op een bepaald moment is tussen partijen discussie ontstaan over de hoogte van de geldlening en de gemaakte bouwkosten. Op 7 november 2024 heeft [partij B] zich ziekgemeld wegens ernstige migraine. Al snel bleek dat [partij A] niet de intentie had om hem terug te laten keren naar werk. Tijdens zijn ziekteperiode heeft [partij A] geen serieus werk gemaakt van de re-integratie. [partij B] wilde in het kader van spoor 2 onderzoeken hoe het was om elders weer aan het werk te gaan. Dit heeft hij met toestemming van [partij A] gedaan. [partij B] heeft zich altijd beschikbaar gehouden voor werk, maar [partij A] heeft aangegeven dat hij niet meer voor [partij A] mocht werken en hem vrijgesteld van werk. Dit valt [partij A] toe te reken en hiermee heeft zij verwijtbaar jegens [partij B] gehandeld. Voor zover er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, is dit veroorzaakt door het handelen van [partij A] . Aangezien er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [partij A] en voortzetting van de arbeidsovereenkomst onmogelijk lijkt te zijn geworden door toedoen van [partij A] , maakt [partij B] aanspraak op een billijke vergoeding.



4.3.
Als tegenverzoek verzoekt [partij B] - na wijziging van zijn verzoeken - om toekenning van een billijke vergoeding in goede justitie te bepalen en een transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en veroordeling van [partij A] in beide verzoeken in de proceskosten. Aan zijn verzoeken legt [partij B] hetzelfde ten grondslag als hij ter verweer heeft aangevoerd in het verzoek.



4.4.

[partij A] heeft verweer gevoerd.





5De beoordeling


5.1.
Het geschil tussen partijen heeft mede betrekking op de lening die [partij A] aan [partij B] heeft verstrekt voor de bouw van zijn huis. De aanvankelijk door [partij B] gevoerde verweren en tegenverzoeken zijn daarop deels gebaseerd. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de geschillen over de afwikkeling van de lening en eventuele overige kosten afzonderlijk zullen worden afgehandeld en dat alleen zal worden geoordeeld over de gevraagde ontbinding



5.2.
Beoordeeld moet worden of het ontbindingsverzoek verband houdt met een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670, leden 1 tot en met 4 en 10 BW, of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is omdat uit het evaluatieverslag van de bedrijfsarts van 16 september 2025 blijkt dat [partij B] geen medische beperkingen meer heeft om zijn werk uit te voeren en dat de ziekmelding kan worden afgesloten. Daarom komt de kantonrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.



Is er een verstoorde arbeidsverhouding?





5.3.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a BW juncto artikel 669 lid 3, aanhef en onder g BW. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat het geval om de volgende reden. Vaststaat dat tussen partijen discussie is ontstaan over de hypothecaire lening die [partij B] bij een aan [partij A] gelieerde vennootschap had afgesloten voor de bouw van zijn huis. In verband met zijn echtscheiding moest de hoogte van de vordering van deze vennootschap op [partij B] worden bepaald. Daarover ontstond onenigheid. Ook is [partij B] in die periode in gebreke gebleven met de hypotheekbetalingen. Vervolgens is [partij B] ziek geworden en ontstond er onder meer onenigheid over de ondertekening van het Plan van Aanpak. Daarna is mediation opgestart. Er hebben vijf sessies plaatsgevonden. De mediation is op 3 oktober 2025 zonder positief resultaat beëindigd. Daarna heeft de bedrijfsarts [partij B] arbeidsgeschikt verklaard maar geoordeeld dat het nog steeds bestaande arbeidsconflict nog wel opgelost moest worden voor [partij B] weer bij [partij A] aan het werk kon. Aangezien mediation eerder is mislukt, heeft [partij A] ervoor gekozen om in overleg te treden om tot een gezamenlijke beëindiging van de arbeidsrelatie te komen. [partij A] heeft voorstellen gedaan voor beëindiging van het dienstverband maar daar wilde [partij B] niet op ingaan. De kantonrechter is van oordeel dat uit hetgeen tussen partijen is voorgevallen en de wijze waarop is gecorrespondeerd voldoende blijkt dat sprake is van een dusdanig verstoorde relatie dat terugkeer van [partij B] geen reële optie meer is. Een uitgebreid mediationtraject heeft partijen niet dichter bij elkaar gebracht en niet aannemelijk is dat dit in de nabije toekomst anders zal zijn. De arbeidsrelatie is gaandeweg verder verstoord geraakt door de vele uitingen van [partij B] richting [partij A] en haar medewerkers. Zo heeft [partij B] meer dan 150 e-mails gestuurd waarvan sommige dreigend van toon waren. Onder meer heeft hij gedreigd met de FIOD, met de Arbeidsinspectie en met aansprakelijkheidsstelling van een administratief medewerkster en met het hoofd HRM. Aangezien [partij A] een klein bedrijf is, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat hierdoor een situatie is ontstaan die meebrengt [partij B] niet meer terug kan keren op de werkvloer.



Is de verstoorde arbeidsverhouding veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen van een van beide partijen?





5.4.
De kantonrechter is van oordeel dat het handelen van [partij B] wel verwijtbaar maar niet ernstig verwijtbaar is. Daarbij weegt mee dat [partij B] in een moeilijke situatie terechtgekomen was (echtscheiding, ziekte en de discussie over de woning) waarin de verschillende kwesties in elkaar grepen. Dat [partij B] door zijn gevoelde onrust druk op [partij A] uitoefende om steeds snel te reageren op zijn vragen en argumenten, is op zichzelf dan ook wel begrijpelijk. Dat neemt echter niet weg dat hij daarbij verder is gegaan dan getolereerd kan worden. Van verwijtbaarheid is dan ook wel sprake maar dit leidt niet tot ernstige verwijtbaarheid. Ook het feit dat [partij B] ergens anders deels is gestart met werken is, gelet op de communicatie hierover met [partij A] , onvoldoende om als ernstig verwijtbaar aan te merken. Vaststaat dat partijen hebben gesproken over re-integratie 2e spoor bij een andere werkgever. [partij A] ging daarmee akkoord. [partij B] had, zeker na de brief van 10 oktober 2025, moeten begrijpen dat hij daar niet mocht werken maar de gang van zaken, in onderlinge samenhang bezien, brengt mee dat het niet als ernstig verwijtbaar kan worden aangemerkt.



5.5.
Ten aanzien van de stelling van [partij B] dat [partij A] ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld overweegt de kantonrechter het volgende. Aan [partij B] moet worden toegegeven dat [partij A] in sommige gevallen duidelijker had moeten communiceren maar dat is onvoldoende om het handelen ernstig verwijtbaar te maken. Dat [partij A] haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden is niet gebleken. Het feit dat [partij B] niet werd toegelaten om zijn werkzaamheden te hervatten, kan evenmin aan [partij A] verweten worden. [partij A] heeft hierin het advies van de arboarts gevolgd, namelijk dat terugkeer naar het werk niet kan plaatsvinden zolang het arbeidsconflict niet is opgelost. Omdat de oplossing daarvan niet haalbaar bleek, kan aan [partij A] niet verweten worden dat zij [partij B] heeft vrijgesteld van werk in afwachting van een ontbindingsprocedure. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is dan ook geen sprake.



Is herplaatsing mogelijk?





5.6.
Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW moet ook worden beoordeeld of het mogelijk is om [partij B] binnen een redelijke termijn te herplaatsen. Als dat namelijk het geval is kan er niet worden ontbonden. De kantonrechter is van oordeel dat herplaatsing hier niet in de rede ligt. [partij A] heeft 15 werknemers die nauw met elkaar samenwerken. Dat [partij A] een functie beschikbaar zou hebben voor [partij B] waarin de verstoorde verhouding geen probleem zou opleveren is dan ook niet aannemelijk.



Conclusie





5.7.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 9, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 mei 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.



Transitievergoeding





5.8.
Aangezien [partij B] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld heeft hij op grond van artikel 7:673 BW recht op een transitievergoeding



5.9.

[partij A] heeft de transitievergoeding berekend op € 41.224,87 bruto. [partij B] heeft de juistheid daarvan niet weersproken. De kantonrechter zal dan ook van dit bedrag uitgaan en [partij A] veroordelen tot betaling ervan. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf [datum] 2026.



Afwijzing billijke vergoeding





5.10.

[partij B] heeft verzocht hem ingeval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst een billijke vergoeding toe te kennen Een billijke vergoeding is echter alleen toewijsbaar als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Daarvan is in deze zaak echter geen sprake. Daarom wordt aan [partij B] geen billijke vergoeding toegekend.



Voorlopige voorziening





5.11.
Omdat in deze beschikking een eindbeslissing wordt gegeven op het verzoek van [partij A] hoeft over de voorlopige voorziening niet meer te worden beslist.



Proceskosten





5.12.
Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.





6De beslissing


De kantonrechter:



6.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2026;



6.2.
veroordeelt [partij A] om aan [partij B] een transitievergoeding te betalen van € 41.224,87 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf [datum] 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;



6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad



6.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;



6.5.
wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. D. Jongsma en uitgesproken ter openbare zitting van 5 maart 2026.