Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:13858

2026-04-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.3750
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-04-29
Publicatiedatum
2026-05-28
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.3750
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek proceskostenvergoeding toegekend

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.803 tekens)
uitspraak














RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3750

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen






[eiser]
, eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Maalsen),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister.



Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verzoeker heeft een beroep ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning (hierna: de aanvraag).



Op 19 februari 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag.



Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken. Hij heeft daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft op 11 maart 2026 op dit verzoek gereageerd.





Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1

2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.2

3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. De minister heeft immers alsnog een besluit op de aanvraag van verzoeker genomen.






1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).


4. De minister stelt dat het verzoek om proceskosten dient te worden afgewezen, aangezien het beroep werd ingesteld toen de termijn voor de rechterlijke dwangsom, zoals opgelegd in de uitspraak van 4 september 2025,3 nog niet was volgelopen. Dit zou als gevolg hebben dat er geen procesbelang zou zijn. Het verzoek om proceskosten zou daarom moeten worden afgewezen.

5. De rechtbank volgt de minister hierin niet. Bij een beroep tegen het niet tijdig-nemen van een besluit blijft procesbelang immers in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd.4
6. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).



Beslissing


De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 467,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.A.W. van der Heijden, griffier.























3 ECLI:NL:RBDHA:2025:18095.
4 ECLI:NL:RVS:2024:4865.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




29 april 2026



















Documentcode: [Documentcode]













Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.