Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:13713

2026-05-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.8967 en NL26.8968
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-26
Publicatiedatum
2026-05-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.8967 en NL26.8968
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin, vreemdeling MOB, geen contact meer met gemachtigde.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.314 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.8967 en NL26.8968


V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiser]
, geboren op [geboortedag] 2004, van Algerijnse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna:eiser),
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.



Inleiding


In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.



Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.



De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54 en 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.




Beoordeling door de rechtbank



Heeft eiser procesbelang?



1. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Verweerder heeft op 15 april 2026 meegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op
8 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 21 april 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft.

2. Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.

3. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem eerder gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.



Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep (NL26.8967) niet-ontvankelijk.


De voorzieningenrechter:


- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.8968) af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.



Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.