Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:13484

2026-05-20 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.26450
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-20
Publicatiedatum
2026-05-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.26450
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring, vervolgberoep, artikel 59 lid 1 sub a, voortvarendheid, beroep ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.837 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.26450


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),


en


de minister van Asiel en Migratie.



Procesverloop


De minister heeft op 2 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 16 april 2026.



De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.



De rechtbank heeft het vooronderzoek op 18 mei 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.




Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 14 april 2026.



Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?


3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister is op 18 maart 2026 een traject voor een laissez-passer (lp) gestart, maar heeft pas op 1 mei 2026 gerappelleerd bij de autoriteiten van Guinee Bissau. Dat is een maand nadat eiser op 2 april 2026 in bewaring is gesteld en drieënhalve week na het vertrekgesprek op 7 april 2026. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar de uitspraak van 22 april 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).


3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage volgt namelijk dat de minister, sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure, op 23 april 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de autoriteiten van Guinee Bissau. Daarvoor had de minister al op 2 april 2026 gerappelleerd. Dat, zoals eiser betoogt, de minister pas voor het eerst op 1 mei 2026 zou hebben gerappelleerd, volgt de rechtbank dan ook niet. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling, maakt het oordeel van de rechtbank – gelet op het voorgaande – niet anders.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




ECLI:NL:RBDHA:2026:9235.


Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.


ECLI:NL:RVS:2020:1101.


Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.