Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:13191

2026-05-20 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.55059
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-05-20
Publicatiedatum
2026-05-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.55059
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

asiel – BNT- gegrond – Iran

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.447 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.55059


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiseres], eiseres,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen),




en



de minister van Asiel en Migratie

, verweerder.




Inleiding


Eiseres heeft op 10 november 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag van 12 juni 2024. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




Beoordeling door de rechtbank

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

2. Op grond van artikel 23, tweede lid van de Dublinverordening, heeft verweerder twee maanden de tijd om een terugnameverzoek te doen aan een Dublin-lidstaat. Na deze periode wordt Nederland verantwoordelijk voor de asielprocedure, in geval van eiseres was dit op 13 augustus 2024. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. De beslistermijn zou daarom op 14 februari 2025 eindigen.

3. Eiseres stelt de Iraanse nationaliteit te hebben. Nadat eiseres beroep heeft ingesteld, is een voor Iraanse vreemdelingen geldend besluitmoratorium in werking getreden.

4. Op grond van artikel 2 van het besluitmoratorium wordt de beslistermijn, bedoeld in artikel 42 van de Vw, voor asielaanvragen van uit Iran afkomstige vreemdelingen op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw verlengd met één jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden.

5. De rechtbank stelt vast dat het besluitmoratorium nog niet van kracht was ten tijde van de door eiseres ingediende ingebrekestelling op 14 oktober 2025. Daarom kan niet worden geoordeeld dat deze prematuur is ingediend. Omdat het beroep meer dan twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling is ingediend, is voldaan aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het beroep ontvankelijk is.

6. Op de datum van het van kracht worden van het besluitmoratorium was nog niet beslist op de asielaanvraag van eiseres. Zoals volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van (het huidige) artikel 43 van de Vw is een besluitmoratorium ook van toepassing op asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Daaronder zijn ook begrepen asielaanvragen waarvoor de beslistermijn al is verstreken op het moment van inwerkingtreding van het besluitmoratorium. Het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig beslissen had, aldus deze totstandkomingsgeschiedenis, ongegrond verklaard kunnen worden omdat het besluitmoratorium inmiddels van toepassing is. De rechtbank wijst ook op de rechtspraak van de Afdeling die hierop ziet.

7. Echter is de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn overschreden op 28 februari 2026. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak. En daarbij te bepalen dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

8. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk gegrond.

9. Omdat ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling het besluitmoratorium nog niet van kracht was, en eiseres terecht beroep heeft ingediend, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.




Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;


draagt verweerder op binnen twee weken een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 15.000,-;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-




Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.




De uitspraak is bekendgemaakt op:






Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.





Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.


Tweede Kamer 1998 – 1999, 26 732, nr. 3, p. 49 en Tweede Kamer 1998 – 1999, 26 732, nr. 7.


Zie rechtsoverweging 5.3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600.


Besluit proceskosten bestuursrecht.