Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:12577
2026-05-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26. 24776
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring. 59a. Binnentreden niet onrechtmatig. Machtiging. Eerst kloppen hoefde niet. Geen 59 lid 3. Gronden. Ongegrond.
Citeert (9)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18255 Rechtbank Den Haag 22-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2019:4357 Raad van State 19-12-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2023:8281 Rechtbank Den Haag 08-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:4479 Raad van State 04-12-2023
- ECLI:NL:RVS:2019:3663 Raad van State 29-10-2019
- ECLI:NL:RVS:2025:4496 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2020:829 Raad van State 25-03-2020
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:EU:C:2022:858
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.508 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24776
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 1 mei 2026, waarin de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als verzoek om het toekennen van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister eiser in bewaring had mogen stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. De minister heeft terecht de maatregel van bewaring opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Was de wijze van het binnentreden in de woning onrechtmatig?
4. Eiser voert aan dat er onrechtmatig is binnengetreden in zijn woning omdat de verbalisant niet eerst heeft geklopt en heeft afgewacht of eiser zelf de deur zou openen. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 22 november 2023. Volgens eiser dient de belangenafweging in zijn voordeel uit te vallen, ook gelet op de hierna volgende weerspreking van de gronden.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, zijn de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd een woning zonder toestemming van de bewoner te betreden, teneinde de vreemdeling over te dragen. Dit omvat ook de bevoegdheid tot staande houden en de inbewaringstelling. Deze grondslag staat ook vermeld in de, geldige, machtiging tot binnentreden die aan eiser is getoond. Daarmee bestond een wettelijke grondslag voor het binnentreden zonder toestemming in de woning van eiser en is gebruik gemaakt van een machtiging. De verbalisanten waren daarom niet gehouden om te kloppen en te wachten tot eiser zelf de deur zou openen. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 8 juni 2023, welke uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan te sluiten bij de door eiser genoemde uitspraak.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 59, derde lid, van de Vw 2000?
5. Eiser voert aan dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 59, derde lid, van de Vw 2000, omdat eiser heeft aangegeven dat hij vrijwillig wil vertrekken. Eiser heeft dit verzocht aan de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) maar de regievoerder heeft dat verzoek afgewezen. De motivering hiervoor is onvoldoende ook omdat eiser consistent heeft verklaard in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling dat hij wil vertrekken en heeft aangeboden om zelf een vliegticket te kopen. Eiser had hiertoe wel in de gelegenheid gesteld moeten worden. DTenV verwart eisers verzoek ten onrechte met het verzoek om een lichter middel.
5.1.
Ook dit beroep slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor de toepassing van artikel 59, derde lid, van de Vw 2000 is vereist dat iemand daadwerkelijk zelfstandig kan vertrekken. Verder is bij beantwoording van de vraag of de verklaring van een vreemdeling dat hij Nederland wil verlaten voor waar kan worden aanvaard, van belang of deze verklaring is geconcretiseerd en of de minister feiten of omstandigheden heeft gesteld die daar afbreuk aan doen. Daarvan is hier sprake. Voor eiser is een laissez-passer afgegeven, maar zowel door de regievoerder als in de maatregel is er terecht op gewezen dat eiser nooit eerder zijn bereidheid heeft getoond om mee te werken aan overdracht naar Zwitserland. In het aanmeldgehoor van 27 maart 2026 heeft eiser verklaard dat hij zelf bepaalt waar hij naartoe gaat als hij een negatief besluit krijgt. Hij is ook meerdere keren niet verschenen op gesprekken bij het COa, heeft zich niet gehouden aan zijn meldplicht en haalt zijn post niet op. Ook is hij niet verschenen op het vertrekgesprek van 28 april 2026. Weliswaar heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling gezegd dat hij (zelf) wil terugkeren naar Zwitserland maar in datzelfde gehoor heeft hij ook gezegd dat hij niet terug wil omdat zijn procedure daar is afgelopen. De minister heeft daarom de latere verklaringen van eiser dat hij vrijwillig wil vertrekken ongeloofwaardig mogen achten.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser
(3a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
(3e) in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
(3k) een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de
overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn
asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
(4a) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
(4c) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
(4d) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6.1.
De minister heeft op de zitting de lichte grond 4d laten vallen. Deze grond ligt dus niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag.
6.2.
Eiser heeft alle gronden betwist. Voor de zware gronden is voldoende als deze feitelijk juist zijn. Eiser heeft de feitelijke juistheid van zware grond 3a niet betwist. Ten aanzien van zware grond 3k heeft eiser niet langer betwist dat hij een overdrachtsbesluit heeft ontvangen. Eiser geeft aan dat hij in het gehoor heeft verklaard te zullen meewerken aan vertrek naar Zwitserland. Uit wat de rechtbank onder 5.1 heeft overwogen, hetgeen ook in de maatregel is opgenomen onder deze grond 3k, volgt dat de minister deze verklaring ongeloofwaardig heeft kunnen achten en dat daarmee deze grond feitelijk juist is. Omdat de zware gronden 3a en 3k feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende als grondslag voor de maatregel van bewaring. De rechtbank beoordeelt daarom de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet. Uit de gronden volgt dat er een significant risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ligt de genoemde omstandigheid dat eiser bekend staat als overlastgevende vreemdeling ten grondslag aan de maatregel?
7. Eiser heeft naar voren gebracht dat niet duidelijk is in welk verband de opmerking van de minister in de maatregel dat eiser een overlastgevende vreemdeling is, is betrokken in de maatregel. Volgens eiser kan dit niet in de toets worden betrokken.
7.1.
De minister heeft ter zitting toegelicht dat daar waar in de maatregel wordt weergegeven dat eiser bekend staat als een overlastgevende vreemdeling dit ter informatie is opgenomen. Ook de rechtbank hecht hier verder geen betekenis aan. Dit behoeft daarom verder geen bespreking.
Ambtshalve toets
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RBDHA:2023:18255, ro. 3, laatste alinea.
Zie de uitspraak van ABRvS van 19 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4357.
ECLI:NL:RBDHA:2023:8281, ro 2.1.
Uitspraak van 4 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4479.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3663, ro. 3.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van ABRvS van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4496, ro. 2.1.
In het bijzonder artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
Zie ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24776
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 1 mei 2026, waarin de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als verzoek om het toekennen van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister eiser in bewaring had mogen stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. De minister heeft terecht de maatregel van bewaring opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Was de wijze van het binnentreden in de woning onrechtmatig?
4. Eiser voert aan dat er onrechtmatig is binnengetreden in zijn woning omdat de verbalisant niet eerst heeft geklopt en heeft afgewacht of eiser zelf de deur zou openen. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 22 november 2023. Volgens eiser dient de belangenafweging in zijn voordeel uit te vallen, ook gelet op de hierna volgende weerspreking van de gronden.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, zijn de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd een woning zonder toestemming van de bewoner te betreden, teneinde de vreemdeling over te dragen. Dit omvat ook de bevoegdheid tot staande houden en de inbewaringstelling. Deze grondslag staat ook vermeld in de, geldige, machtiging tot binnentreden die aan eiser is getoond. Daarmee bestond een wettelijke grondslag voor het binnentreden zonder toestemming in de woning van eiser en is gebruik gemaakt van een machtiging. De verbalisanten waren daarom niet gehouden om te kloppen en te wachten tot eiser zelf de deur zou openen. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 8 juni 2023, welke uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan te sluiten bij de door eiser genoemde uitspraak.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 59, derde lid, van de Vw 2000?
5. Eiser voert aan dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 59, derde lid, van de Vw 2000, omdat eiser heeft aangegeven dat hij vrijwillig wil vertrekken. Eiser heeft dit verzocht aan de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) maar de regievoerder heeft dat verzoek afgewezen. De motivering hiervoor is onvoldoende ook omdat eiser consistent heeft verklaard in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling dat hij wil vertrekken en heeft aangeboden om zelf een vliegticket te kopen. Eiser had hiertoe wel in de gelegenheid gesteld moeten worden. DTenV verwart eisers verzoek ten onrechte met het verzoek om een lichter middel.
5.1.
Ook dit beroep slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor de toepassing van artikel 59, derde lid, van de Vw 2000 is vereist dat iemand daadwerkelijk zelfstandig kan vertrekken. Verder is bij beantwoording van de vraag of de verklaring van een vreemdeling dat hij Nederland wil verlaten voor waar kan worden aanvaard, van belang of deze verklaring is geconcretiseerd en of de minister feiten of omstandigheden heeft gesteld die daar afbreuk aan doen. Daarvan is hier sprake. Voor eiser is een laissez-passer afgegeven, maar zowel door de regievoerder als in de maatregel is er terecht op gewezen dat eiser nooit eerder zijn bereidheid heeft getoond om mee te werken aan overdracht naar Zwitserland. In het aanmeldgehoor van 27 maart 2026 heeft eiser verklaard dat hij zelf bepaalt waar hij naartoe gaat als hij een negatief besluit krijgt. Hij is ook meerdere keren niet verschenen op gesprekken bij het COa, heeft zich niet gehouden aan zijn meldplicht en haalt zijn post niet op. Ook is hij niet verschenen op het vertrekgesprek van 28 april 2026. Weliswaar heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling gezegd dat hij (zelf) wil terugkeren naar Zwitserland maar in datzelfde gehoor heeft hij ook gezegd dat hij niet terug wil omdat zijn procedure daar is afgelopen. De minister heeft daarom de latere verklaringen van eiser dat hij vrijwillig wil vertrekken ongeloofwaardig mogen achten.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser
(3a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
(3e) in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
(3k) een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de
overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn
asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
(4a) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
(4c) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
(4d) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6.1.
De minister heeft op de zitting de lichte grond 4d laten vallen. Deze grond ligt dus niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag.
6.2.
Eiser heeft alle gronden betwist. Voor de zware gronden is voldoende als deze feitelijk juist zijn. Eiser heeft de feitelijke juistheid van zware grond 3a niet betwist. Ten aanzien van zware grond 3k heeft eiser niet langer betwist dat hij een overdrachtsbesluit heeft ontvangen. Eiser geeft aan dat hij in het gehoor heeft verklaard te zullen meewerken aan vertrek naar Zwitserland. Uit wat de rechtbank onder 5.1 heeft overwogen, hetgeen ook in de maatregel is opgenomen onder deze grond 3k, volgt dat de minister deze verklaring ongeloofwaardig heeft kunnen achten en dat daarmee deze grond feitelijk juist is. Omdat de zware gronden 3a en 3k feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende als grondslag voor de maatregel van bewaring. De rechtbank beoordeelt daarom de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet. Uit de gronden volgt dat er een significant risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ligt de genoemde omstandigheid dat eiser bekend staat als overlastgevende vreemdeling ten grondslag aan de maatregel?
7. Eiser heeft naar voren gebracht dat niet duidelijk is in welk verband de opmerking van de minister in de maatregel dat eiser een overlastgevende vreemdeling is, is betrokken in de maatregel. Volgens eiser kan dit niet in de toets worden betrokken.
7.1.
De minister heeft ter zitting toegelicht dat daar waar in de maatregel wordt weergegeven dat eiser bekend staat als een overlastgevende vreemdeling dit ter informatie is opgenomen. Ook de rechtbank hecht hier verder geen betekenis aan. Dit behoeft daarom verder geen bespreking.
Ambtshalve toets
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RBDHA:2023:18255, ro. 3, laatste alinea.
Zie de uitspraak van ABRvS van 19 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4357.
ECLI:NL:RBDHA:2023:8281, ro 2.1.
Uitspraak van 4 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4479.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3663, ro. 3.2.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van ABRvS van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4496, ro. 2.1.
In het bijzonder artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
Zie ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).