Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:12389
2026-02-09
Civiel recht; Arbeidsrecht
11947491 \ RP VERZ 25-50893
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
berusting in onregelatige opzegging van een arbeidsovereenkomst, discussie over einddatum overeenkomst, deels (on)terechte loonstop, toekenning vergoedingen
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:1187 Hoge Raad 30-06-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.928 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
ES/DN/C
Zaaknummer: 11947491 \ RP VERZ 25-50893
Beschikking van
9
februari 2026
in de zaak van
[partij A]
,
te Den Haag,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. C.J.M. Waasdorp,
tegen
[partij B] , HANDELEND ONDER DE NAAM [handelsnaam],
te Den Haag,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. A. Noort en mr. R.T. Groen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 29 oktober 2025,
- het verweerschrift, met een tegenverzoek,
- de door partijen ingediende producties,
- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[partij A] , geboren [geboortedatum] 1991, is sinds 6 maart 2023 voor bepaalde tijd in dienst bij [partij B] . In eerste instantie in de functie van groepshulp met een bruto maandloon van € 2201,14 op basis van 36 uur per week. De CAO Kinderopvang is van toepassing.
Partijen hebben tevens een praktijkovereenkomst gesloten voor de BBL-opleiding Pedagogisch Medewerker Kinderopvang MBO-3 niveau. Daarnaast hebben partijen een studieovereenkomst gesloten.
2.2.
Op 10 en 23 december 2024 heeft [partij A] aan [partij B] een overzicht van heer overuren in 2024 verstrekt met het verzoek deze te controleren. [partij B] heeft op 24 december 2024 aangegeven dat zij de overuren zal nakijken als december voorbij is.
2.3.
Op 30 december 2024 heeft [partij A] zich ziek gemeld.
2.4.
Op 17 januari 2025 heeft de bedrijfsarts het volgende geadviseerd:
“Gezien het werkgerelateerde onderdeel van verzuim dient alvorens kan worden overgegaan tot een gerichte arbeidsre-integratie ook nog een gesprek plaats te vinden met als doel het maken van afspraken ten einde de duurzame inzetbaarheid te waarborgen.
Hier is het echter, gezien de huidige medische situatie, eveneens nog te vroeg voor.
Ik adviseer daarnaast om een contactmoment in te plannen met de werkgever.”
2.5.
[partij B] heeft [partij A] uitgenodigd om op 20 januari 2025 een kop koffie te komen drinken bij haar op kantoor. [partij A] komt niet opdagen omdat ze aangeeft rust nodig te hebben. Per email van 20 januari 2025 heeft [partij B] [partij A] weer uitgenodigd voor een gesprek op 23 januari 2025, maar [partij A] is daar niet verschenen.
2.6.
Op 3 februari 2025 heeft de bedrijfsarts geadviseerd dat [partij A] arbeidsongeschikt is. Verder schrijft de bedrijfsarts:
“Gezien het werk-gerelateerde onderdeel van verzuim, raad ik werknemer en werkgever wel aan om hierover met elkaar in gesprek te gaan en tot afspraken te komen op basis waarvan weer kan worden overgegaan tot structureel en duurzame werkhervatting.”
2.7.
Op 10 februari 2025 heeft [partij B] uitgenodigd voor een gesprek op 12 februari 2025. [partij A] is niet verschenen.
2.8.
Op 12 februari 2025 heeft [partij B] [partij A] uitgenodigd voor een gesprek op 20 februari 2025 om een plan van aanpak op te stellen, met de aankondiging dat als [partij A] zonder gegronde reden niet verschijnt, haar loon zal worden stopgezet.
[partij A] is niet op het gesprek verschenen.
2.9.
Op 19 februari 2025 schrijft [partij A] aan [partij B] :
“Ik wil je laten weten dat ik nog steeds ziek ben en aan het herstellen ben. Op dit moment is rust nog steeds het belangrijkste voor mijn herstel.
Ik begrijp dat persoonlijk contact nodig zal zijn om de werkrelatie te herstellen, maar ik ben daar nu nog niet aan toe. Als er dringende vragen zijn die niet kunnen wachten, kun je deze per e-mail sturen, dan zal ik kijken of ik ze kan beantwoorden.”
2.10.
Op 21 februari 2025 heeft [partij B] aan [partij A] een loonstop opgelegd. Per email van gelijke datum heeft [partij A] bezwaar gemaakt tegen deze loonstop.
2.11.
Op 28 februari 2025 heeft [partij B] [partij A] uitgenodigd voor een gesprek op 3 maart 2025 en aan haar medegedeeld de loonstop te handhaven. Diezelfde dag nog heeft [partij A] bezwaar gemaakt tegen een gesprek omdat zij zich niet veilig voelt bij contact met [partij B] .
2.12.
Op 10 april 2025 heeft de bedrijfsarts onder meer het volgende geadviseerd:
“Gezien het werk-gerelateerde onderdeel van verzuim, raad ik aan werknemer en werkgever aan om hierover met elkaar in gesprek te gaan en tot afspraken te komen op basis waarvan weer kan worden overgegaan tot structurele en duurzame werkhervatting. Daarnaast kan het ook nuttig zijn om de reintegratiedoel te bespreken. Bij deze gesprekken adviseer ik om een onafhankelijke derde, mediërende partij in te zetten.“
2.13.
Op 23 april 2025 heeft [partij A] aan [partij B] medegedeeld open te staan voor mediation. (De gemachtigde van) [partij A] heeft op 24 april 2024 bevestigd dat [partij A] aan mediation wil meewerken.
2.14.
Op 16 mei 2025 heeft [partij B] aan [partij A] bericht dat zij een mediator heeft gevonden en aan [partij A] gevraagd of zij bereid is het mediationtraject te volgen.
2.15. (
De gemachtigde van) [partij A] heeft op 22 mei 2025 nogmaals aan [partij B] bevestigd dat [partij A] bereid is tot mediation en heeft verzocht om door te geven wat de naam van de mediator is omdat beide partijen hiermee moeten instemmen.
2.16.
Op 25 mei 2025 heeft [partij B] aan [partij A] bericht dat zij niets meer heeft vernomen op haar email van 16 mei 2025 en dat zij daaruit afleidt dat [partij A] niet achter mediation staat. [partij B] heeft [partij A] vervolgens opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 28 mei 2025 om de details van het plan van aanpak te bespreken.
2.17.
In reactie hierop bericht (de gemachtigde van) [partij A] op 26 mei 2025 aan [partij B] dat zij geen antwoord heeft ontvangen op haar e-mail van 22 mei 2025 en het niet juist is dat [partij A] geen belangstelling voor mediation heeft.
2.18.
Bij brief van 4 juni 2025 heeft [partij B] aan [partij A] bericht dat de loonstop van kracht blijft omdat zij niet is verschenen voor het gesprek op 28 mei 2025.
2.19.
Bij e-mail van 31 juli 2025 heeft [partij B] aan [partij A] de afrekening uren 2024 en een omtrent het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst gestuurd. In de bijgevoegde brief van 31 juli 2025 heeft [partij B] de arbeidsovereenkomst met [partij A] opgezegd met ingang van 1 september 2025. In die brief staat onder meer het volgende over de reden van opzegging:
(…) dat uw opleiding, die gekoppeld was aan het dienstverband tussentijds is stopgezet. Hierdoor vervalt de basis waarop de samenwerking tot stand is gekomen.
2.20.
Per e-mail van 6 augustus 2025 heeft de gemachtigde namens [partij A] bezwaar gemaakt tegen de opzegging.
2.21.
In het arbeidsdeskundige rapport van 29 december 2025 staat onder meer het volgende:
Onderzoeksvraag
Zijn de re-integratie-inspanningen van de werknemer voldoende?
Subsidiair: Zijn de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende?
Antwoord
De re-integratie-inspanningen van de werknemer zijn onvoldoende nu zij tot 23-4-2025 niet of negatief heeft gereageerd op de uitnodigingen van de werkgever om met haar in gesprek te gaan terwijl de bedrijfsarts expliciet heeft aangegeven dat hij haar daartoe in staat achtte.
De re-integratie-inspanningen van de werkgever zijn onvoldoende daar waar de inzet van een mediator niet is gerealiseerd nadat de werknemer op 23-4-2025 heeft aangegeven zich in staat te achten mee te werken aan mediation.
Toelichting
Het deskundigenoordeel richt zich op de periode 30-12-2024 tot datum aanvraag 6-11-2025.
3Het verzoek en het tegenverzoek
3.1.
[partij A] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen van € 60.000,00 bruto en verzoekt om [partij B] te veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 6.289,92 bruto als vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding ter hoogte van € 2.793,22 bruto. Daarnaast vordert zij - nadat zij haar eis ter zitting heeft vermeerderd - het achterstallige salaris over de maanden februari 2025 tot en met augustus 2025 met een bedrag van € 20.384,00 bruto, het te weinig betaalde loon over de periode september 2024 tot en met februari 2025 een bedrag van € 4.271,16 bruto, een bedrag van
€ 2.986,55 bruto ter zake van de door haar gemaakte overuren uit 2024 en 2025, de eindejaarsuitkering over 2024 van € 1.170,61 bruto en pro rato over 2025 van € 1.281,28 bruto. De wettelijke verhoging van 50% over het loon en de overuren alsook de eindejaarsuitkering. Ook vordert zij dat [partij B] een deugdelijke eindafrekening opmaakt met uitbetaling van het vakantiegeld en het openstaand verlofsaldo en het verstrekken van schriftelijke en deugdelijke verlofadministratie en netto/bruto specificaties waarin de gevorderde bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom, als ook betaling aan [partij A] van de buitengerechtelijke kosten van € 1.739,00, met wettelijke rente als deze niet binnen 14 dagen zijn betaald, alsook de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[partij B] heeft een tegenverzoek gedaan. [partij B] verzoekt een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 31 augustus 2025 en dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en verzoekt veroordeling van [partij A] tot betaling van een bedrag van € 3.885,00 aan studiekosten en een schadevergoeding van € 11.292,33.
3.3.
De relevante stellingen en verweren van partijen zullen bij de beoordeling worden besproken.
4De beoordeling van het verzoek
4.1.
[partij A] berust in de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [partij B] .
Daarmee staat vast dat de arbeidsovereenkomst op 1 september 2025 is geëindigd. Voor de beantwoording van de vraag of [partij B] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en aan [partij A] een billijke vergoeding moet worden toegekend, moet worden beoordeeld of de opzegging rechtsgeldig is. Tussen partijen is in dat kader in geschil of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou eindigen per 1 september 2025 of per 1 september 2026. Voor de beoordeling van de loonvorderingen is in geschil welk loon partijen zijn overeengekomen.
Verder is voor de loonvordering die betrekking heeft op de periode waarin [partij B] een loonstop heeft toegepast van belang of [partij B] redelijke instructies heeft gegeven ter bevordering van de re-integratie van [partij A] en, zo ja, of [partij A] daaraan gevolg heeft gegeven.
4.2.
De kantonrechter zal in deze beschikking eerst de zaken rondom de arbeidsovereenkomst en de opzegging bespreken en vervolgens de consequenties daarvan voor alle verzoeken en de daarmee samenhangende vraagstukken, zoals de re-integratieverplichting, beoordelen.
De inhoud van de arbeidsovereenkomst; einddatum en loon
4.3.
Tussen partijen staat vast dat [partij A] op 6 maart 2023 op basis van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd bij [partij B] in dienst is getreden. [partij A] heeft gesteld dat partijen op enig moment een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 augustus 2026 zijn aangegaan. Ter onderbouwing van haar stelling is een door partijen op 11 juli 2024 ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegd, die eindigt op 31 augustus 2026, op grond waarvan [partij A] is aangesteld als pedagogisch medewerker met een loon van € 2.912,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat de door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst van 11 juli 2024 dient te worden aangemerkt als een onderhandse akte, die, nu [partij B] de authenticiteit van haar handtekening niet betwist, ingevolge artikel 159 Rv dwingend bewijs oplevert in die zin dat de onderhandse akte van [partij B] afkomstig is. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van wat er in deze arbeidsovereenkomst staat. Dit betekent, voor zover in deze zaak voor de verdere beoordeling van belang is, dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan [partij A] is aangesteld als pedagogisch medewerker met een loon van € 2.912,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld, die eindigt op 31 augustus 2026. Voor zover [partij B] nog heeft aangevoerd dat [partij A] eerst recht heeft op betaling van het in de arbeidsovereenkomst genoemde loon van € 2.912,00 zodra [partij A] haar opleiding tot pedagogisch medewerker heeft afgerond, vindt deze stelling geen steun in de arbeidsovereenkomst.
4.5.
[partij B] heeft zich tegen de stelling, dat de arbeidsovereenkomst eerst op 31 augustus 2026 zou eindigen, verweerd met de stelling dat partijen op enig moment een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn aangegaan tot 1 september 2025 en heeft daartoe eveneens een schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegd. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de door [partij B] overgelegde arbeidsovereenkomst geen handtekening van partijen bevat, zodat deze arbeidsovereenkomst, anders dan de door [partij A] overgelegde arbeidsovereenkomst, geen dwingende bewijskracht tussen partijen heeft. [partij B] moet daarom haar stelling, dat partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst tot 1 september 2025 zijn aangegaan nader onderbouwen en bewijzen.
[partij B] heeft echter verder niets ter onderbouwing van haar stelling aangevoerd, zodat de kantonrechter ook aan deze stelling als onvoldoende onderbouwd voorbij gaat.
De opzegging is niet rechtsgeldig; [partij B] moet een vergoeding voor onregelmatige opzegging betalen
4.6.
De conclusie uit het voorgaande is dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [partij B] tegen 31 augustus 2025 niet rechtsgeldig is gedaan. Omdat de arbeidsovereenkomst is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt, is [partij B] aan [partij A] een schadevergoeding verschuldigd gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Op grond van artikel 3.7 van de toepasselijke cao bedraagt de opzegtermijn twee maanden. De kantonrechter gaat bij de berekening uit van het in de arbeidsovereenkomst (zie r.o. 4.4.) overeengekomen salaris van € 2.912,00 bruto per maand. Een bedrag van € 6.289,92 (inclusief 8% vakantietoeslag) is dus als schadevergoeding ex art. 7:672 lid 11 BW toewijsbaar.
4.7.
Over deze vergoeding wordt de gevorderde wettelijke rente toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 september 2025.
[partij B] moet een transitievergoeding betalen
4.8.
Het verzoek om [partij B] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. Omdat zoals hiervoor is overwogen de arbeidsovereenkomst (op onregelmatige wijze) is beëindigd door de werkgever heeft [partij A] op grond van artikel 7:673 BW recht op een transitievergoeding.
4.9.
[partij B] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die wordt vastgesteld op € 2.793,22 omdat [partij B] de overgelegde berekening niet heeft weersproken. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 oktober 2025.
[partij A] heeft recht op een billijke vergoeding
4.10.
[partij B] valt een ernstig verwijt te maken, nu zij de arbeidsovereenkomst met [partij A] onregelmatig heeft opgezegd. Het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt daarom toegewezen. Een ongeldige opzegging moet immers als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever worden aangemerkt.
4.11.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten.
Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.12.
De kantonrechter begrijpt dat [partij B] aanvoert dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld gedurende haar dienstverband. De kantonrechter gaat hieraan voorbij, nu [partij B] dit onvoldoende heeft onderbouwd. De stelling van [partij A] dat zij als gevolg van het ernstig verwijtbare handelen van [partij B] haar opleiding voor pedagogisch medewerker niet heeft kunnen afronden waardoor zij een hoger loon misloopt, volgt de kantonrechter niet. Als onweersproken staat vast dat dat de opleiding voor een periode van zes maanden is verlengd omdat de voortgang in de generieke vakken, meer specifiek Nederlands, achterbleef. Bovendien heeft [partij A] tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aangegeven dat zij haar opleiding ook niet bij een andere werkgever wil afronden, terwijl niet is gebleken dat de mogelijkheid daartoe niet bestaat. Het lijkt er daarmee op dat [partij A] om redenen die geheel buiten de invloedsfeer van [partij B] liggen niet langer de wens heeft om in de kinderopvang werkzaam te zijn. Dit vermoeden ziet de kantonrechter ook bevestigd in de omstandigheid dat [partij A] al op 1 april 2024 de eenmanszaak [eenmanszaak] heeft opgericht. Het gestelde inkomensverlies wegens het niet afronden van haar opleiding kan bij deze stand van zaken bezwaarlijk meewegen bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding. In de stelling van [partij A] , dat [partij B] verantwoordelijk kan worden gehouden voor haar arbeidsongeschiktheid, kan [partij A] evenmin worden gevolgd. De verslagen van de bedrijfsarts bieden daarvoor, gelet op de betwisting door [partij B] , onvoldoende steun. Uit de onvoldoende onderbouwde stellingen die [partij A] in haar verzoekschrift heeft aangevoerd, blijkt evenwel dat de arbeidsverhouding met [partij B] ernstig was verstoord. Gelet op dit alles is dan ook aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen, anders dan [partij A] bij de berekening van de billijke vergoeding tot uitgangspunt heeft genomen, op een eerder moment dan 1 september 2026 zou zijn geëindigd. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat [partij A] na de opzegging van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een (ZW/WW-)uitkering en, zo begrijpt de kantonrechter, inmiddels (beperkte) inkomsten geniet uit haar werkzaamheden als zelfstandige (nagelstyliste).
4.13.
Deze omstandigheden in samenhang beschouwd maken dat de kantonrechter een billijke vergoeding van € 15.000 redelijk acht. [partij B] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
[partij B] moet het achterstallige salaris over de periode 1 februari 2025 tot 21 februari 2025 en 23 april 2025 tot 1 september 2025 betalen
4.14.
[partij A] maakt aanspraak op betaling van het achterstallige loon over de maanden februari 2025 tot en met augustus 2025 ten bedrag van € 20.384 (7x € 2.912). Volgens [partij A] heeft [partij B] ten onrechte over deze periode een loonstop opgelegd.
[partij B] heeft op 21 februari 2025 een loonstop opgelegd omdat volgens [partij B] [partij A] , ondanks herhaalde verzoeken, weigerde mee te werken aan het opstellen van een plan van aanpak. De loonstop is blijkens de brief van 4 juni 2025 gecontinueerd omdat [partij A] volgens [partij B] nog altijd weigerde mee te werken aan haar re-integratie.
4.15.
De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat uit de wet volgt dat de werkgever aan de werknemer moet meedelen dat hij van plan is om tot een loonstop of loonopschorting over te gaan en wat de reden van dat voornemen is. De werkgever moet dit direct melden aan de werknemer en mag niet wachten tot de loonbetaling. Als de werkgever dit (tijdig) doet, dan weet de werknemer waar hij aan toe is en kan hij tijdig maatregelen treffen.
De werknemer kan mogelijk de daadwerkelijke toepassing van een loonopschorting of loonstop voorkomen, na een aankondiging of waarschuwing.
4.16.
Uit de deskundigenverklaring van UWV van 29 december 2025 volgt dat de re-integratie-inspanningen van [partij A] tot 23 april 2025 onvoldoende waren omdat zij niet of negatief heeft gereageerd op de uitnodigingen van [partij B] om in gesprek te gaan terwijl de bedrijfsarts haar daar vanaf 3 februari 2025 wel toe in staat achtte. Daarmee staat vast dat sprake is van een redelijk re-integratie voorschrift. Omdat [partij A] na 3 februari 2025 tot twee keer toe voor een gesprek is uitgenodigd maar niet is verschenen, vervolgens schriftelijk is gewaarschuwd voor een loonstop indien zij opnieuw niet op een gesprek verschijnt en toch opnieuw weigert gehoor te geven aan de oproep tot een gesprek, is de loonstop op 21 februari 2025 naar het oordeel van de kantonrechter terecht opgelegd. De inhouding van het loon over de periode 1 februari 2025 tot 21 februari 2025 kan niet worden gegrond op de loonstop van 21 februari 2025. Een loonstop kan immers niet met terugwerkende kracht worden opgelegd.
4.17.
In reactie op het advies van de bedrijfsarts van 10 april 2025 heeft [partij A] op 23 april 2025 aan [partij B] medegedeeld open te staan voor mediation. Onjuist is de stelling van [partij B] dat [partij A] vervolgens niet zou hebben gereageerd op haar verzoek van 16 mei 2025. De gemachtigde van [partij A] heeft dat op 22 en 26 mei 2025 immers namens haar gedaan. De continuering van de loonstop wegens het niet nakomen van haar re-integratieverplichting zoals aangekondigd op 4 juni 2025 is dan ook zonder rechtsgrond. Ook het UWV concludeert in de deskundigenverklaring van 29 december 2025 dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever zijn onvoldoende daar waar de inzet van een mediator niet is gerealiseerd nadat de werknemer op 23 april 2025 heeft aangegeven zich in staat te achten mee te werken aan mediation.
4.18.
Het voorgaande betekent dat de opgelegde loonstop over de periode van 21 februari 2025 tot 23 april 2025 terecht is opgelegd. De vordering van [partij A] tot betaling van het loon over deze periode wordt daarom afgewezen. De kantonrechter zal een bedrag van
€ 14.264,81 (149 dagen) toewijzen over de periode 1 februari 2025 tot 21 februari 2025 en 23 april 2025 tot 1 september 2025.
[partij B] moet het te weinig betaalde salaris over de periode 1 september 2024 tot februari 2025 betalen
4.19.
[partij A] vordert een bedrag aan loon over de periode vanaf 1 september 2024 tot en met maart 2025, omdat zij volgens haar in die periode een te laag salaris heeft ontvangen.
Nu de kantonrechter hiervoor reeds heeft overwogen dat partijen in de arbeidsovereenkomst van 11 juli 2024 een brutoloon van € 2.912,00 zijn overeengekomen, staat vast dat [partij A] vanaf de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst recht heeft op dit bedrag. [partij B] heeft niet weersproken dat zij aan [partij A] maandelijks een bedrag van
€ 2.200,14 bruto heeft betaald. Daarmee staat vast dat [partij B] maandelijks een bedrag van € 711,86 bruto te weinig heeft betaald.
4.20.
Gelet op hetgeen onder 4.18. is overwogen, wordt de vordering over de maand februari 2025 en maart 2025 afgewezen. [partij B] wordt daarom veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.559,30, zijnde het te weinig betaalde loon over de periode 1 september 2024 tot februari 2025 (5x € 711,86).
[partij B] moet de gemaakte overuren uitbetalen
4.21.
[partij A] vordert betaling van een bedrag van € 2.986,35 aan overuren in 2024. [partij A] heeft ter onderbouwing van haar vordering een gedetailleerd overzicht van de gemaakte overuren (161) overgelegd alsmede de hierover met [partij B] gevoerde correspondentie van eind december 2024. [partij B] heeft het gevorderde bedrag bestreden door een groot aantal min-uren op te voeren maar heeft haar standpunt niet deugdelijk onderbouwd. Het ligt daarbij op de weg van [partij B] om een deugdelijke uren- en verlofadministratie bij te houden. Bovendien heeft [partij A] in ieder geval reeds in december 2024 haar overuren voor 2024 aan [partij B] doorgegeven. [partij B] heeft in reactie hierop op 27 december 2024 enkel aangegeven dat zij de uren zal gaan nakijken. Eerst gelijktijdig met de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 september 2025 bij brief van 31 juli 2025 volgt een door [partij B] opgestelde afrekening van de uren over 2024. Dat deze afrekening, die afwijkt van het urenoverzicht van [partij A] , met [partij A] is besproken, blijkt nergens uit.
4.22.
Omdat [partij B] de vordering van [partij A] onvoldoende heeft weersproken wordt de vordering van € 2.986,55 toegewezen.
[partij B] moet de eindejaarsuitkering betalen
4.23.
[partij A] vordert de eindejaarsuitkering over 2024 en die over 2025 pro rata, zijnde een bedragen van € 1.281,28 bruto en € 1.170,61 bruto. Op basis van de cao heeft [partij A] immers recht op een eindejaarsuitkering van 4% in 2024 en 5,5% in 2025. Volgens [partij B] heeft [partij A] over 2024 recht op een eindejaarsuitkering van
€ 1.043,50 en over 2025 van € 242,20.
4.24.
Niet in geschil is dat [partij B] de eindejaarsuitkering niet aan [partij A] heeft betaald. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over het bruto maandloon en de loonstop, kan [partij B] niet in haar berekening worden gevolgd. Omdat de berekening van [partij A] ook niet op alle onderdelen overeenstemt met hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen, zal de kantonrechter de bedragen als volgt berekenen. Over 2024 zal een bedrag van € 1.170,28 (8x € 2.201,14 + 4x € 2.912 *4%) aan eindejaarsuitkering worden toegewezen. Over 2025 wordt een bedrag van € 965,35 toegewezen, uitgegaan van een jaarloon van 17.551,00*5,5% (loon 1-1-25 tot 1-9-25 € 23.296 – loonstop 60 dagen
€ 5.744,21).
4.25.
De wettelijke verhoging van 50% wordt toegewezen over de hiervoor genoemde toegewezen bedragen terzake van achterstallig salaris, te weinig betaald loon, overuren en eindejaarsuitkering. Deze vordering wordt toegewezen op grond van de wet (artikel 7:625 BW), aangezien [partij B] nagelaten heeft deze bedragen tijdig aan [partij A] te betalen. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden geen reden voor matiging, zoals door [partij B] is verzocht.
Overige vorderingen
4.26.
[partij B] dient op grond van de wet een deugdelijke en correcte eindafrekening aan [partij A] te verstrekken. De vordering tot het verstrekken van de verlofadministratie en netto/bruto specificaties waarin de bedragen waartoe [partij B] is veroordeeld zijn verwerkt, bestaat onvoldoende belang en zal daarom worden afgewezen.
4.27.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 1.739,00 worden als niet weersproken en voldoende onderbouwd toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente als deze niet binnen 14 dagen zijn betaald.
4.28.
De proceskosten komen voor rekening van [partij B] , omdat [partij B] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden begroot op € 1.681,00 (€ 732,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.29.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beoordeling van het tegenverzoek
5.1.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is geëindigd op 31 augustus 2025, wordt de door [partij B] gevraagde verklaring voor recht afgewezen. Daarmee vervalt reeds de grondslag voor het door haar gevorderde bedrag aan opleidingskosten en schadevergoeding.
5.2.
De proceskosten komen voor rekening van [partij B] , omdat [partij B] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden begroot op € 814,00 aan salaris gemachtigde.
5.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
6.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 6.289,92 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 september 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een transitievergoeding te betalen van € 2.793,22 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 oktober 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een billijke vergoeding te betalen van € 15.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van volledige betaling,
6.4.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 14.264,81 bruto terzake van de onterecht opgelegde loonstop over de periode 1 februari 2025 tot 21 februari 2025 en de periode 23 april 2025 tot 1 september 2025,
6.5.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 3.559,30 bruto ter zake van het te weinig betaalde salaris over de periode 1 september 2025 tot februari 2025,
6.6.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 2.986,55 bruto aan overuren over 2024,
6.7.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een bedrag van € 2.135,63 bruto te betalen ter zake van eindejaarsuitkering 2024 en 2025,
6.8.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen de wettelijke verhoging van 50% over de toegewezen bedragen genoemd onder 6.4. tot en met 6.7.,
6.9.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een deugdelijke en correcte eindafrekening te verstrekken,
6.10.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 1.739,00, te vermeerderen met wettelijke rente als deze niet binnen veertien dagen zijn betaald,
6.11.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.681,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.12.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.13.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
6.14.
wijst de verzoeken af,
6.15.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.16.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
op het verzoek en het tegenverzoek:
6.17.
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D. Nobel en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
Artikel 7:672 lid 11 BW.
Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
ES/DN/C
Zaaknummer: 11947491 \ RP VERZ 25-50893
Beschikking van
9
februari 2026
in de zaak van
[partij A]
,
te Den Haag,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. C.J.M. Waasdorp,
tegen
[partij B] , HANDELEND ONDER DE NAAM [handelsnaam],
te Den Haag,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. A. Noort en mr. R.T. Groen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 29 oktober 2025,
- het verweerschrift, met een tegenverzoek,
- de door partijen ingediende producties,
- de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[partij A] , geboren [geboortedatum] 1991, is sinds 6 maart 2023 voor bepaalde tijd in dienst bij [partij B] . In eerste instantie in de functie van groepshulp met een bruto maandloon van € 2201,14 op basis van 36 uur per week. De CAO Kinderopvang is van toepassing.
Partijen hebben tevens een praktijkovereenkomst gesloten voor de BBL-opleiding Pedagogisch Medewerker Kinderopvang MBO-3 niveau. Daarnaast hebben partijen een studieovereenkomst gesloten.
2.2.
Op 10 en 23 december 2024 heeft [partij A] aan [partij B] een overzicht van heer overuren in 2024 verstrekt met het verzoek deze te controleren. [partij B] heeft op 24 december 2024 aangegeven dat zij de overuren zal nakijken als december voorbij is.
2.3.
Op 30 december 2024 heeft [partij A] zich ziek gemeld.
2.4.
Op 17 januari 2025 heeft de bedrijfsarts het volgende geadviseerd:
“Gezien het werkgerelateerde onderdeel van verzuim dient alvorens kan worden overgegaan tot een gerichte arbeidsre-integratie ook nog een gesprek plaats te vinden met als doel het maken van afspraken ten einde de duurzame inzetbaarheid te waarborgen.
Hier is het echter, gezien de huidige medische situatie, eveneens nog te vroeg voor.
Ik adviseer daarnaast om een contactmoment in te plannen met de werkgever.”
2.5.
[partij B] heeft [partij A] uitgenodigd om op 20 januari 2025 een kop koffie te komen drinken bij haar op kantoor. [partij A] komt niet opdagen omdat ze aangeeft rust nodig te hebben. Per email van 20 januari 2025 heeft [partij B] [partij A] weer uitgenodigd voor een gesprek op 23 januari 2025, maar [partij A] is daar niet verschenen.
2.6.
Op 3 februari 2025 heeft de bedrijfsarts geadviseerd dat [partij A] arbeidsongeschikt is. Verder schrijft de bedrijfsarts:
“Gezien het werk-gerelateerde onderdeel van verzuim, raad ik werknemer en werkgever wel aan om hierover met elkaar in gesprek te gaan en tot afspraken te komen op basis waarvan weer kan worden overgegaan tot structureel en duurzame werkhervatting.”
2.7.
Op 10 februari 2025 heeft [partij B] uitgenodigd voor een gesprek op 12 februari 2025. [partij A] is niet verschenen.
2.8.
Op 12 februari 2025 heeft [partij B] [partij A] uitgenodigd voor een gesprek op 20 februari 2025 om een plan van aanpak op te stellen, met de aankondiging dat als [partij A] zonder gegronde reden niet verschijnt, haar loon zal worden stopgezet.
[partij A] is niet op het gesprek verschenen.
2.9.
Op 19 februari 2025 schrijft [partij A] aan [partij B] :
“Ik wil je laten weten dat ik nog steeds ziek ben en aan het herstellen ben. Op dit moment is rust nog steeds het belangrijkste voor mijn herstel.
Ik begrijp dat persoonlijk contact nodig zal zijn om de werkrelatie te herstellen, maar ik ben daar nu nog niet aan toe. Als er dringende vragen zijn die niet kunnen wachten, kun je deze per e-mail sturen, dan zal ik kijken of ik ze kan beantwoorden.”
2.10.
Op 21 februari 2025 heeft [partij B] aan [partij A] een loonstop opgelegd. Per email van gelijke datum heeft [partij A] bezwaar gemaakt tegen deze loonstop.
2.11.
Op 28 februari 2025 heeft [partij B] [partij A] uitgenodigd voor een gesprek op 3 maart 2025 en aan haar medegedeeld de loonstop te handhaven. Diezelfde dag nog heeft [partij A] bezwaar gemaakt tegen een gesprek omdat zij zich niet veilig voelt bij contact met [partij B] .
2.12.
Op 10 april 2025 heeft de bedrijfsarts onder meer het volgende geadviseerd:
“Gezien het werk-gerelateerde onderdeel van verzuim, raad ik aan werknemer en werkgever aan om hierover met elkaar in gesprek te gaan en tot afspraken te komen op basis waarvan weer kan worden overgegaan tot structurele en duurzame werkhervatting. Daarnaast kan het ook nuttig zijn om de reintegratiedoel te bespreken. Bij deze gesprekken adviseer ik om een onafhankelijke derde, mediërende partij in te zetten.“
2.13.
Op 23 april 2025 heeft [partij A] aan [partij B] medegedeeld open te staan voor mediation. (De gemachtigde van) [partij A] heeft op 24 april 2024 bevestigd dat [partij A] aan mediation wil meewerken.
2.14.
Op 16 mei 2025 heeft [partij B] aan [partij A] bericht dat zij een mediator heeft gevonden en aan [partij A] gevraagd of zij bereid is het mediationtraject te volgen.
2.15. (
De gemachtigde van) [partij A] heeft op 22 mei 2025 nogmaals aan [partij B] bevestigd dat [partij A] bereid is tot mediation en heeft verzocht om door te geven wat de naam van de mediator is omdat beide partijen hiermee moeten instemmen.
2.16.
Op 25 mei 2025 heeft [partij B] aan [partij A] bericht dat zij niets meer heeft vernomen op haar email van 16 mei 2025 en dat zij daaruit afleidt dat [partij A] niet achter mediation staat. [partij B] heeft [partij A] vervolgens opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 28 mei 2025 om de details van het plan van aanpak te bespreken.
2.17.
In reactie hierop bericht (de gemachtigde van) [partij A] op 26 mei 2025 aan [partij B] dat zij geen antwoord heeft ontvangen op haar e-mail van 22 mei 2025 en het niet juist is dat [partij A] geen belangstelling voor mediation heeft.
2.18.
Bij brief van 4 juni 2025 heeft [partij B] aan [partij A] bericht dat de loonstop van kracht blijft omdat zij niet is verschenen voor het gesprek op 28 mei 2025.
2.19.
Bij e-mail van 31 juli 2025 heeft [partij B] aan [partij A] de afrekening uren 2024 en een omtrent het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst gestuurd. In de bijgevoegde brief van 31 juli 2025 heeft [partij B] de arbeidsovereenkomst met [partij A] opgezegd met ingang van 1 september 2025. In die brief staat onder meer het volgende over de reden van opzegging:
(…) dat uw opleiding, die gekoppeld was aan het dienstverband tussentijds is stopgezet. Hierdoor vervalt de basis waarop de samenwerking tot stand is gekomen.
2.20.
Per e-mail van 6 augustus 2025 heeft de gemachtigde namens [partij A] bezwaar gemaakt tegen de opzegging.
2.21.
In het arbeidsdeskundige rapport van 29 december 2025 staat onder meer het volgende:
Onderzoeksvraag
Zijn de re-integratie-inspanningen van de werknemer voldoende?
Subsidiair: Zijn de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende?
Antwoord
De re-integratie-inspanningen van de werknemer zijn onvoldoende nu zij tot 23-4-2025 niet of negatief heeft gereageerd op de uitnodigingen van de werkgever om met haar in gesprek te gaan terwijl de bedrijfsarts expliciet heeft aangegeven dat hij haar daartoe in staat achtte.
De re-integratie-inspanningen van de werkgever zijn onvoldoende daar waar de inzet van een mediator niet is gerealiseerd nadat de werknemer op 23-4-2025 heeft aangegeven zich in staat te achten mee te werken aan mediation.
Toelichting
Het deskundigenoordeel richt zich op de periode 30-12-2024 tot datum aanvraag 6-11-2025.
3Het verzoek en het tegenverzoek
3.1.
[partij A] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen van € 60.000,00 bruto en verzoekt om [partij B] te veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 6.289,92 bruto als vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding ter hoogte van € 2.793,22 bruto. Daarnaast vordert zij - nadat zij haar eis ter zitting heeft vermeerderd - het achterstallige salaris over de maanden februari 2025 tot en met augustus 2025 met een bedrag van € 20.384,00 bruto, het te weinig betaalde loon over de periode september 2024 tot en met februari 2025 een bedrag van € 4.271,16 bruto, een bedrag van
€ 2.986,55 bruto ter zake van de door haar gemaakte overuren uit 2024 en 2025, de eindejaarsuitkering over 2024 van € 1.170,61 bruto en pro rato over 2025 van € 1.281,28 bruto. De wettelijke verhoging van 50% over het loon en de overuren alsook de eindejaarsuitkering. Ook vordert zij dat [partij B] een deugdelijke eindafrekening opmaakt met uitbetaling van het vakantiegeld en het openstaand verlofsaldo en het verstrekken van schriftelijke en deugdelijke verlofadministratie en netto/bruto specificaties waarin de gevorderde bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom, als ook betaling aan [partij A] van de buitengerechtelijke kosten van € 1.739,00, met wettelijke rente als deze niet binnen 14 dagen zijn betaald, alsook de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[partij B] heeft een tegenverzoek gedaan. [partij B] verzoekt een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 31 augustus 2025 en dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en verzoekt veroordeling van [partij A] tot betaling van een bedrag van € 3.885,00 aan studiekosten en een schadevergoeding van € 11.292,33.
3.3.
De relevante stellingen en verweren van partijen zullen bij de beoordeling worden besproken.
4De beoordeling van het verzoek
4.1.
[partij A] berust in de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [partij B] .
Daarmee staat vast dat de arbeidsovereenkomst op 1 september 2025 is geëindigd. Voor de beantwoording van de vraag of [partij B] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en aan [partij A] een billijke vergoeding moet worden toegekend, moet worden beoordeeld of de opzegging rechtsgeldig is. Tussen partijen is in dat kader in geschil of de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou eindigen per 1 september 2025 of per 1 september 2026. Voor de beoordeling van de loonvorderingen is in geschil welk loon partijen zijn overeengekomen.
Verder is voor de loonvordering die betrekking heeft op de periode waarin [partij B] een loonstop heeft toegepast van belang of [partij B] redelijke instructies heeft gegeven ter bevordering van de re-integratie van [partij A] en, zo ja, of [partij A] daaraan gevolg heeft gegeven.
4.2.
De kantonrechter zal in deze beschikking eerst de zaken rondom de arbeidsovereenkomst en de opzegging bespreken en vervolgens de consequenties daarvan voor alle verzoeken en de daarmee samenhangende vraagstukken, zoals de re-integratieverplichting, beoordelen.
De inhoud van de arbeidsovereenkomst; einddatum en loon
4.3.
Tussen partijen staat vast dat [partij A] op 6 maart 2023 op basis van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd bij [partij B] in dienst is getreden. [partij A] heeft gesteld dat partijen op enig moment een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 augustus 2026 zijn aangegaan. Ter onderbouwing van haar stelling is een door partijen op 11 juli 2024 ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegd, die eindigt op 31 augustus 2026, op grond waarvan [partij A] is aangesteld als pedagogisch medewerker met een loon van € 2.912,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat de door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst van 11 juli 2024 dient te worden aangemerkt als een onderhandse akte, die, nu [partij B] de authenticiteit van haar handtekening niet betwist, ingevolge artikel 159 Rv dwingend bewijs oplevert in die zin dat de onderhandse akte van [partij B] afkomstig is. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van wat er in deze arbeidsovereenkomst staat. Dit betekent, voor zover in deze zaak voor de verdere beoordeling van belang is, dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan [partij A] is aangesteld als pedagogisch medewerker met een loon van € 2.912,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld, die eindigt op 31 augustus 2026. Voor zover [partij B] nog heeft aangevoerd dat [partij A] eerst recht heeft op betaling van het in de arbeidsovereenkomst genoemde loon van € 2.912,00 zodra [partij A] haar opleiding tot pedagogisch medewerker heeft afgerond, vindt deze stelling geen steun in de arbeidsovereenkomst.
4.5.
[partij B] heeft zich tegen de stelling, dat de arbeidsovereenkomst eerst op 31 augustus 2026 zou eindigen, verweerd met de stelling dat partijen op enig moment een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn aangegaan tot 1 september 2025 en heeft daartoe eveneens een schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegd. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de door [partij B] overgelegde arbeidsovereenkomst geen handtekening van partijen bevat, zodat deze arbeidsovereenkomst, anders dan de door [partij A] overgelegde arbeidsovereenkomst, geen dwingende bewijskracht tussen partijen heeft. [partij B] moet daarom haar stelling, dat partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst tot 1 september 2025 zijn aangegaan nader onderbouwen en bewijzen.
[partij B] heeft echter verder niets ter onderbouwing van haar stelling aangevoerd, zodat de kantonrechter ook aan deze stelling als onvoldoende onderbouwd voorbij gaat.
De opzegging is niet rechtsgeldig; [partij B] moet een vergoeding voor onregelmatige opzegging betalen
4.6.
De conclusie uit het voorgaande is dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [partij B] tegen 31 augustus 2025 niet rechtsgeldig is gedaan. Omdat de arbeidsovereenkomst is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt, is [partij B] aan [partij A] een schadevergoeding verschuldigd gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Op grond van artikel 3.7 van de toepasselijke cao bedraagt de opzegtermijn twee maanden. De kantonrechter gaat bij de berekening uit van het in de arbeidsovereenkomst (zie r.o. 4.4.) overeengekomen salaris van € 2.912,00 bruto per maand. Een bedrag van € 6.289,92 (inclusief 8% vakantietoeslag) is dus als schadevergoeding ex art. 7:672 lid 11 BW toewijsbaar.
4.7.
Over deze vergoeding wordt de gevorderde wettelijke rente toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 september 2025.
[partij B] moet een transitievergoeding betalen
4.8.
Het verzoek om [partij B] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. Omdat zoals hiervoor is overwogen de arbeidsovereenkomst (op onregelmatige wijze) is beëindigd door de werkgever heeft [partij A] op grond van artikel 7:673 BW recht op een transitievergoeding.
4.9.
[partij B] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die wordt vastgesteld op € 2.793,22 omdat [partij B] de overgelegde berekening niet heeft weersproken. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 oktober 2025.
[partij A] heeft recht op een billijke vergoeding
4.10.
[partij B] valt een ernstig verwijt te maken, nu zij de arbeidsovereenkomst met [partij A] onregelmatig heeft opgezegd. Het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt daarom toegewezen. Een ongeldige opzegging moet immers als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever worden aangemerkt.
4.11.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten.
Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.12.
De kantonrechter begrijpt dat [partij B] aanvoert dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld gedurende haar dienstverband. De kantonrechter gaat hieraan voorbij, nu [partij B] dit onvoldoende heeft onderbouwd. De stelling van [partij A] dat zij als gevolg van het ernstig verwijtbare handelen van [partij B] haar opleiding voor pedagogisch medewerker niet heeft kunnen afronden waardoor zij een hoger loon misloopt, volgt de kantonrechter niet. Als onweersproken staat vast dat dat de opleiding voor een periode van zes maanden is verlengd omdat de voortgang in de generieke vakken, meer specifiek Nederlands, achterbleef. Bovendien heeft [partij A] tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aangegeven dat zij haar opleiding ook niet bij een andere werkgever wil afronden, terwijl niet is gebleken dat de mogelijkheid daartoe niet bestaat. Het lijkt er daarmee op dat [partij A] om redenen die geheel buiten de invloedsfeer van [partij B] liggen niet langer de wens heeft om in de kinderopvang werkzaam te zijn. Dit vermoeden ziet de kantonrechter ook bevestigd in de omstandigheid dat [partij A] al op 1 april 2024 de eenmanszaak [eenmanszaak] heeft opgericht. Het gestelde inkomensverlies wegens het niet afronden van haar opleiding kan bij deze stand van zaken bezwaarlijk meewegen bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding. In de stelling van [partij A] , dat [partij B] verantwoordelijk kan worden gehouden voor haar arbeidsongeschiktheid, kan [partij A] evenmin worden gevolgd. De verslagen van de bedrijfsarts bieden daarvoor, gelet op de betwisting door [partij B] , onvoldoende steun. Uit de onvoldoende onderbouwde stellingen die [partij A] in haar verzoekschrift heeft aangevoerd, blijkt evenwel dat de arbeidsverhouding met [partij B] ernstig was verstoord. Gelet op dit alles is dan ook aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen, anders dan [partij A] bij de berekening van de billijke vergoeding tot uitgangspunt heeft genomen, op een eerder moment dan 1 september 2026 zou zijn geëindigd. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat [partij A] na de opzegging van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een (ZW/WW-)uitkering en, zo begrijpt de kantonrechter, inmiddels (beperkte) inkomsten geniet uit haar werkzaamheden als zelfstandige (nagelstyliste).
4.13.
Deze omstandigheden in samenhang beschouwd maken dat de kantonrechter een billijke vergoeding van € 15.000 redelijk acht. [partij B] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
[partij B] moet het achterstallige salaris over de periode 1 februari 2025 tot 21 februari 2025 en 23 april 2025 tot 1 september 2025 betalen
4.14.
[partij A] maakt aanspraak op betaling van het achterstallige loon over de maanden februari 2025 tot en met augustus 2025 ten bedrag van € 20.384 (7x € 2.912). Volgens [partij A] heeft [partij B] ten onrechte over deze periode een loonstop opgelegd.
[partij B] heeft op 21 februari 2025 een loonstop opgelegd omdat volgens [partij B] [partij A] , ondanks herhaalde verzoeken, weigerde mee te werken aan het opstellen van een plan van aanpak. De loonstop is blijkens de brief van 4 juni 2025 gecontinueerd omdat [partij A] volgens [partij B] nog altijd weigerde mee te werken aan haar re-integratie.
4.15.
De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat uit de wet volgt dat de werkgever aan de werknemer moet meedelen dat hij van plan is om tot een loonstop of loonopschorting over te gaan en wat de reden van dat voornemen is. De werkgever moet dit direct melden aan de werknemer en mag niet wachten tot de loonbetaling. Als de werkgever dit (tijdig) doet, dan weet de werknemer waar hij aan toe is en kan hij tijdig maatregelen treffen.
De werknemer kan mogelijk de daadwerkelijke toepassing van een loonopschorting of loonstop voorkomen, na een aankondiging of waarschuwing.
4.16.
Uit de deskundigenverklaring van UWV van 29 december 2025 volgt dat de re-integratie-inspanningen van [partij A] tot 23 april 2025 onvoldoende waren omdat zij niet of negatief heeft gereageerd op de uitnodigingen van [partij B] om in gesprek te gaan terwijl de bedrijfsarts haar daar vanaf 3 februari 2025 wel toe in staat achtte. Daarmee staat vast dat sprake is van een redelijk re-integratie voorschrift. Omdat [partij A] na 3 februari 2025 tot twee keer toe voor een gesprek is uitgenodigd maar niet is verschenen, vervolgens schriftelijk is gewaarschuwd voor een loonstop indien zij opnieuw niet op een gesprek verschijnt en toch opnieuw weigert gehoor te geven aan de oproep tot een gesprek, is de loonstop op 21 februari 2025 naar het oordeel van de kantonrechter terecht opgelegd. De inhouding van het loon over de periode 1 februari 2025 tot 21 februari 2025 kan niet worden gegrond op de loonstop van 21 februari 2025. Een loonstop kan immers niet met terugwerkende kracht worden opgelegd.
4.17.
In reactie op het advies van de bedrijfsarts van 10 april 2025 heeft [partij A] op 23 april 2025 aan [partij B] medegedeeld open te staan voor mediation. Onjuist is de stelling van [partij B] dat [partij A] vervolgens niet zou hebben gereageerd op haar verzoek van 16 mei 2025. De gemachtigde van [partij A] heeft dat op 22 en 26 mei 2025 immers namens haar gedaan. De continuering van de loonstop wegens het niet nakomen van haar re-integratieverplichting zoals aangekondigd op 4 juni 2025 is dan ook zonder rechtsgrond. Ook het UWV concludeert in de deskundigenverklaring van 29 december 2025 dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever zijn onvoldoende daar waar de inzet van een mediator niet is gerealiseerd nadat de werknemer op 23 april 2025 heeft aangegeven zich in staat te achten mee te werken aan mediation.
4.18.
Het voorgaande betekent dat de opgelegde loonstop over de periode van 21 februari 2025 tot 23 april 2025 terecht is opgelegd. De vordering van [partij A] tot betaling van het loon over deze periode wordt daarom afgewezen. De kantonrechter zal een bedrag van
€ 14.264,81 (149 dagen) toewijzen over de periode 1 februari 2025 tot 21 februari 2025 en 23 april 2025 tot 1 september 2025.
[partij B] moet het te weinig betaalde salaris over de periode 1 september 2024 tot februari 2025 betalen
4.19.
[partij A] vordert een bedrag aan loon over de periode vanaf 1 september 2024 tot en met maart 2025, omdat zij volgens haar in die periode een te laag salaris heeft ontvangen.
Nu de kantonrechter hiervoor reeds heeft overwogen dat partijen in de arbeidsovereenkomst van 11 juli 2024 een brutoloon van € 2.912,00 zijn overeengekomen, staat vast dat [partij A] vanaf de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst recht heeft op dit bedrag. [partij B] heeft niet weersproken dat zij aan [partij A] maandelijks een bedrag van
€ 2.200,14 bruto heeft betaald. Daarmee staat vast dat [partij B] maandelijks een bedrag van € 711,86 bruto te weinig heeft betaald.
4.20.
Gelet op hetgeen onder 4.18. is overwogen, wordt de vordering over de maand februari 2025 en maart 2025 afgewezen. [partij B] wordt daarom veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.559,30, zijnde het te weinig betaalde loon over de periode 1 september 2024 tot februari 2025 (5x € 711,86).
[partij B] moet de gemaakte overuren uitbetalen
4.21.
[partij A] vordert betaling van een bedrag van € 2.986,35 aan overuren in 2024. [partij A] heeft ter onderbouwing van haar vordering een gedetailleerd overzicht van de gemaakte overuren (161) overgelegd alsmede de hierover met [partij B] gevoerde correspondentie van eind december 2024. [partij B] heeft het gevorderde bedrag bestreden door een groot aantal min-uren op te voeren maar heeft haar standpunt niet deugdelijk onderbouwd. Het ligt daarbij op de weg van [partij B] om een deugdelijke uren- en verlofadministratie bij te houden. Bovendien heeft [partij A] in ieder geval reeds in december 2024 haar overuren voor 2024 aan [partij B] doorgegeven. [partij B] heeft in reactie hierop op 27 december 2024 enkel aangegeven dat zij de uren zal gaan nakijken. Eerst gelijktijdig met de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 september 2025 bij brief van 31 juli 2025 volgt een door [partij B] opgestelde afrekening van de uren over 2024. Dat deze afrekening, die afwijkt van het urenoverzicht van [partij A] , met [partij A] is besproken, blijkt nergens uit.
4.22.
Omdat [partij B] de vordering van [partij A] onvoldoende heeft weersproken wordt de vordering van € 2.986,55 toegewezen.
[partij B] moet de eindejaarsuitkering betalen
4.23.
[partij A] vordert de eindejaarsuitkering over 2024 en die over 2025 pro rata, zijnde een bedragen van € 1.281,28 bruto en € 1.170,61 bruto. Op basis van de cao heeft [partij A] immers recht op een eindejaarsuitkering van 4% in 2024 en 5,5% in 2025. Volgens [partij B] heeft [partij A] over 2024 recht op een eindejaarsuitkering van
€ 1.043,50 en over 2025 van € 242,20.
4.24.
Niet in geschil is dat [partij B] de eindejaarsuitkering niet aan [partij A] heeft betaald. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over het bruto maandloon en de loonstop, kan [partij B] niet in haar berekening worden gevolgd. Omdat de berekening van [partij A] ook niet op alle onderdelen overeenstemt met hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen, zal de kantonrechter de bedragen als volgt berekenen. Over 2024 zal een bedrag van € 1.170,28 (8x € 2.201,14 + 4x € 2.912 *4%) aan eindejaarsuitkering worden toegewezen. Over 2025 wordt een bedrag van € 965,35 toegewezen, uitgegaan van een jaarloon van 17.551,00*5,5% (loon 1-1-25 tot 1-9-25 € 23.296 – loonstop 60 dagen
€ 5.744,21).
4.25.
De wettelijke verhoging van 50% wordt toegewezen over de hiervoor genoemde toegewezen bedragen terzake van achterstallig salaris, te weinig betaald loon, overuren en eindejaarsuitkering. Deze vordering wordt toegewezen op grond van de wet (artikel 7:625 BW), aangezien [partij B] nagelaten heeft deze bedragen tijdig aan [partij A] te betalen. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden geen reden voor matiging, zoals door [partij B] is verzocht.
Overige vorderingen
4.26.
[partij B] dient op grond van de wet een deugdelijke en correcte eindafrekening aan [partij A] te verstrekken. De vordering tot het verstrekken van de verlofadministratie en netto/bruto specificaties waarin de bedragen waartoe [partij B] is veroordeeld zijn verwerkt, bestaat onvoldoende belang en zal daarom worden afgewezen.
4.27.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 1.739,00 worden als niet weersproken en voldoende onderbouwd toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente als deze niet binnen 14 dagen zijn betaald.
4.28.
De proceskosten komen voor rekening van [partij B] , omdat [partij B] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden begroot op € 1.681,00 (€ 732,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.29.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beoordeling van het tegenverzoek
5.1.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is geëindigd op 31 augustus 2025, wordt de door [partij B] gevraagde verklaring voor recht afgewezen. Daarmee vervalt reeds de grondslag voor het door haar gevorderde bedrag aan opleidingskosten en schadevergoeding.
5.2.
De proceskosten komen voor rekening van [partij B] , omdat [partij B] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden begroot op € 814,00 aan salaris gemachtigde.
5.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
6.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 6.289,92 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 september 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een transitievergoeding te betalen van € 2.793,22 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 oktober 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een billijke vergoeding te betalen van € 15.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van volledige betaling,
6.4.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 14.264,81 bruto terzake van de onterecht opgelegde loonstop over de periode 1 februari 2025 tot 21 februari 2025 en de periode 23 april 2025 tot 1 september 2025,
6.5.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 3.559,30 bruto ter zake van het te weinig betaalde salaris over de periode 1 september 2025 tot februari 2025,
6.6.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 2.986,55 bruto aan overuren over 2024,
6.7.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een bedrag van € 2.135,63 bruto te betalen ter zake van eindejaarsuitkering 2024 en 2025,
6.8.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen de wettelijke verhoging van 50% over de toegewezen bedragen genoemd onder 6.4. tot en met 6.7.,
6.9.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een deugdelijke en correcte eindafrekening te verstrekken,
6.10.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 1.739,00, te vermeerderen met wettelijke rente als deze niet binnen veertien dagen zijn betaald,
6.11.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.681,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.12.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.13.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
6.14.
wijst de verzoeken af,
6.15.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.16.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
op het verzoek en het tegenverzoek:
6.17.
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D. Nobel en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
Artikel 7:672 lid 11 BW.
Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.