Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:7596
2025-05-02
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.18381
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaringsmaatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder, van de Vreemdelingenwet 2000, omzetting van de maatregel binnen twee dagen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:1869 Raad van State 06-05-2024
- ECLI:EU:C:2022:858
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.949 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18381
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 25 april 2025 opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M.I. Kleijn-Paszko. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Omzetting van de maatregel
2. Eiseres voert aan dat de maatregel te laat is omgezet. Eiseres zou tijdens het vertrekgesprek van 23 april 2025, om 11:00, haar asielwens al hebben geuit, terwijl de maatregel pas op 25 april 2025 om 14:44 is opgeheven. Dit is niet binnen 48 uur. Op zitting heeft eiseres aangegeven dat zij ten tijde van haar (strafrechtelijke) aanhouding en de overname en ophouding aansluitend op de strafrechtelijke heenzending al heeft aangegeven asiel te willen aanvragen.
3. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbalen van de strafrechtelijke aanhouding, de ophouding en onderzoek aansluitend op strafrechtelijke heenzending, en het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring, niet blijkt dat eiseres een asielwens heeft geuit. Zo heeft eiseres in het gehoor voorafgaand aan de bewaringsmaatregel verklaard dat zij op de bus stond te wachten om terug te keren naar Polen, dat zij klaar was voor vertrek, en dat zij heel graag het land wil verlaten. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet dat zij ten tijde van haar (strafrechtelijke) aanhouding, of tijdens de overname en ophouding na strafrechtelijke heenzending een asielwens heeft geuit.
4. De rechtbank overweegt verder dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1869) volgt dat verweerder twee dagen heeft om de grondslag van de bewaring om te zetten, niet 48 uur. Los van de vraag of de asielwens op 23 april 2025, of op 24 april 2025 is geuit, is de maatregel naar het oordeel van de rechtbank dan ook tijdig omgezet. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring, waaronder de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring voorafgaande aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18381
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 25 april 2025 opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M.I. Kleijn-Paszko. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Omzetting van de maatregel
2. Eiseres voert aan dat de maatregel te laat is omgezet. Eiseres zou tijdens het vertrekgesprek van 23 april 2025, om 11:00, haar asielwens al hebben geuit, terwijl de maatregel pas op 25 april 2025 om 14:44 is opgeheven. Dit is niet binnen 48 uur. Op zitting heeft eiseres aangegeven dat zij ten tijde van haar (strafrechtelijke) aanhouding en de overname en ophouding aansluitend op de strafrechtelijke heenzending al heeft aangegeven asiel te willen aanvragen.
3. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbalen van de strafrechtelijke aanhouding, de ophouding en onderzoek aansluitend op strafrechtelijke heenzending, en het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring, niet blijkt dat eiseres een asielwens heeft geuit. Zo heeft eiseres in het gehoor voorafgaand aan de bewaringsmaatregel verklaard dat zij op de bus stond te wachten om terug te keren naar Polen, dat zij klaar was voor vertrek, en dat zij heel graag het land wil verlaten. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet dat zij ten tijde van haar (strafrechtelijke) aanhouding, of tijdens de overname en ophouding na strafrechtelijke heenzending een asielwens heeft geuit.
4. De rechtbank overweegt verder dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1869) volgt dat verweerder twee dagen heeft om de grondslag van de bewaring om te zetten, niet 48 uur. Los van de vraag of de asielwens op 23 april 2025, of op 24 april 2025 is geuit, is de maatregel naar het oordeel van de rechtbank dan ook tijdig omgezet. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring, waaronder de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring voorafgaande aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.