Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:7352

2025-02-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.2400
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2025-02-03
Publicatiedatum
2025-04-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.2400
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaringsmaatregel op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, gronden niet betwist, lichter middel.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.758 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.2400


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).




Procesverloop


Bij besluit van 10 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



Verweerder heeft op 14 januari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.



De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.



De bewaringsmaatregel



2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.


Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.



2.1.
Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.



Lichter middel




3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Dat de uiterlijke overdrachtsdatum nadert en er daarom sprake is van eenmalige mogelijkheid om eiser over te dragen, maakt volgens eiser niet, zoals verweerder in de maatregel heeft overwogen, dat een lichter middel niet meer geëigend is. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 12 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1079. Eiser meent dat er sprake is van een vergelijkbare zaak. Ook eiser verbleef netjes in het asielzoekerscentrum. Op eiser rust geen vertrekplicht.




3.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden, die verweerder terecht aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, is er een risico op onttrekking aan het toezicht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere maar minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Verweerder heeft eiser niet alleen tegengeworpen dat de uiterlijke overdrachtsdatum nadert, maar ook dat hij zich niet meewerkend opstelt, dat een meldplicht eerder niet tot overdracht heeft geleid, dat hij heeft verklaard niet mee te werken aan overdracht en dat hij niet bij een vertrekgesprek is verschenen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de uitspraak waar eiser naar verwijst door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in hoger beroep is vernietigd (ECLI:NL:RVS:2022:727). De beroepsgrond slaagt niet.



Ambtshalve toetsing



4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.


Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:



 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.