Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:6967
2025-04-28
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
SGR 24/9190
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het Uwv heeft niet tijdig beslist op een herbeoordelingsverzoek in het kader van de WIA. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder aan haar verzoek is tegemoetgekomen. De rechtbank heeft het verzoek om een proceskostenveroordeling toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.205 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9190
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: C. Schravesande).
Procesverloop
In de brief van 27 december 2023 heeft verzoekster om een herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van haar (ex-)werknemer verzocht.
In de brief van 15 augustus 2024 heeft verzoekster verweerder in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om een herbeoordeling.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd op de zitting van de meervoudige kamer van 19 maart 2025. Deze zitting is niet doorgegaan omdat verweerder in het besluit van 24 maart 2025 verweerder een beslissing heeft genomen op het verzoek om een herbeoordeling van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft aangegeven dat hij de proceskosten zal vergoeden.
De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a Awb.
3. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder aan haar verzoek is tegemoet gekomen. De rechtbank zal daarom het verzoek om een proceskostenveroordeling toewijzen.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5).
5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek toe;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van S.I. Teunissen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9190
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: C. Schravesande).
Procesverloop
In de brief van 27 december 2023 heeft verzoekster om een herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van haar (ex-)werknemer verzocht.
In de brief van 15 augustus 2024 heeft verzoekster verweerder in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om een herbeoordeling.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd op de zitting van de meervoudige kamer van 19 maart 2025. Deze zitting is niet doorgegaan omdat verweerder in het besluit van 24 maart 2025 verweerder een beslissing heeft genomen op het verzoek om een herbeoordeling van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft aangegeven dat hij de proceskosten zal vergoeden.
De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a Awb.
3. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder aan haar verzoek is tegemoet gekomen. De rechtbank zal daarom het verzoek om een proceskostenveroordeling toewijzen.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5).
5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek toe;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van S.I. Teunissen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.