Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:6443
2025-01-23
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.20637
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). De vaststelling dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is tevens een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn. Het belang van eiser om in Nederland te mogen verblijven is afgewogen tegen het belang van de Nederlandse staat, waarbij de belangenafweging in het nadeel van eiser is uitgevallen. Het beroep van eiser op artikel 34 van de Verblijfsrichtlijn en de verwijzing naar het arrest F.S. slaagt niet.
Citeert (4)
- ECLI:EU:C:2021:586
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6360 Rechtbank Den Haag 04-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1741 Raad van State 25-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10580 Rechtbank Den Haag 20-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.261 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20637
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon), en
de Minister van Asiel en Migratie
,
(gemachtigde: M. Dalhuizen).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 16 april 2024.
Bij besluit van 4 september 2023 heeft de minister vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en dat eiser Nederland uiterlijk over een maand moet verlaten. Bij besluit van 16 april 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep2, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
De totstandkoming van het besteden besluit
3.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Poolse nationaliteit. Hij is naar eigen zeggen sinds maart of april 2022 in Nederland.
3.2.
De minister heeft in het primaire besluit, gehandhaafd in het besluit van 16 april 2024, vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Eiser verblijft langer dan drie maanden in Nederland, heeft van 18 april 2022 tot en met 12 juni 2022 arbeid in loondienst verricht en daarna geen arbeid in loondienst of als zelfstandige verricht. Ook heeft eiser niet aangetoond dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft, zodat ook geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 8.16, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb. De vaststelling dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is tevens een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn. Het belang van eiser om in Nederland te mogen verblijven is afgewogen tegen het belang van de Nederlandse staat, waarbij de belangenafweging in het nadeel van eiser is uitgevallen. Volgens de minister is de vaststelling dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft dan ook niet in strijd met artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan de vereisten van artikel 8.12 van het Vb, waarin de voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Nederland zijn neergelegd.
5.1.
Eiser heeft aangevoerd dat de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel is uitgevallen. De band die eiser met Nederland heeft is sterker dan zijn band met Polen. Hij heeft hier periodes gewerkt en wilde juist weg uit Polen.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft in beroep in essentie hetzelfde aangevoerd als dat hij in bezwaar naar voren heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden voldoende kenbaar heeft betrokken bij de belangenafweging en dat de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft mogen laten uitvallen. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat eiser geen sterke band heeft met Nederland. Eiser verricht geen economische activiteiten in Nederland en is ook niet aantoonbaar op zoek naar werk. Daarbij heeft de minister mee mogen wegen dat eiser geen familieleven en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland. Daarnaast veroorzaakt eiser overlast en is hij meermaals met de politie in aanraking geweest. De minister heeft, alles bij elkaar in samenhang bezien, het belang van de Nederlandse samenleving bij verwijdering van eiser zwaarder mogen laten wegen dan het individuele belang van eiser om in Nederland te blijven.
6.1.
Eiser heeft verder aangevoerd dat op de minister een actieve informatieplicht rust over hoe eiser moet voldoen aan de verwijderingsmaatregel en ook onder welke voorwaarden eiser terug kan keren naar Nederland. Eiser verwijst naar artikel 34 van de Verblijfsrichtlijn. De Verblijfsrichtlijn beoogt onnodige hindernissen voor het gebruikmaken van het recht op vrij verkeer te voorkomen. Eiser verwijst in dit verband ook naar het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In het verweerschrift heeft de minister verwezen naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van respectievelijk 4 maart 20245 (bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) en 20 maart 20247. De rechtbank overweegt in de lijn van die uitspraken dat uit artikel 30, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn volgt dat een verwijderingsmaatregel aan de betrokkene op zodanige wijze schriftelijk ter kennis moet worden gebracht, dat de betrokkene in staat is om de inhoud en de gevolgen hiervan te begrijpen. De rechtbank oordeelt dat de minister aan de informatieplicht heeft voldaan. In het bestreden besluit is vermeld dat eiser geen verblijfsrecht meer heeft en is uitgelegd waarom hij niet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf voldoet. Vervolgens is vermeld dat eiser niet meer in Nederland mag zijn, dat hij Nederland uiterlijk binnen een maand moet verlaten en dat hij hier zelf verantwoordelijk voor is. Ook kan eiser worden uitgezet als hij Nederland niet verlaat.
De minister heeft daarnaast in een openbare werkinstructie uiteengezet welke elementen van belang zijn bij het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf. Deze elementen komen overeen met de elementen aan de hand waarvan volgens het F.S.-arrest moet worden beoordeeld of het verblijf in het gastland daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Hoewel niet alle genoemde elementen zijn toegespitst op personen zonder vaste woon- of verblijfplaats, zoals eiser, neemt dat niet weg dat aan de hand van de andere elementen nog steeds kan worden beoordeeld of het verblijf van zo’n persoon in het gastland daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast hoeft de minister bij zijn besluitvorming niet meer informatie te geven over de wijze waarop eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief kan beëindigen om weer een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. Een eventueel nieuw verblijf van eiser in Nederland is een onzekere toekomstige gebeurtenis en pas dan valt te beoordelen of het eerdere verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister op goede gronden heeft kunnen vastgesteld dat dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en dat aan eiser een verwijderingsmaatregel kan worden opgelegd.
8. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C.W. Ris-van Huussen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 januari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. 2 Zaak 24.20639
Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:586. 5 Rechtbank Den Haag, 4 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6360.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1741. 7 Rechtbank Den Haag, 20 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10580.
WI 2023/3
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20637
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon), en
de Minister van Asiel en Migratie
,
(gemachtigde: M. Dalhuizen).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 16 april 2024.
Bij besluit van 4 september 2023 heeft de minister vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en dat eiser Nederland uiterlijk over een maand moet verlaten. Bij besluit van 16 april 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep2, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
De totstandkoming van het besteden besluit
3.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Poolse nationaliteit. Hij is naar eigen zeggen sinds maart of april 2022 in Nederland.
3.2.
De minister heeft in het primaire besluit, gehandhaafd in het besluit van 16 april 2024, vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Eiser verblijft langer dan drie maanden in Nederland, heeft van 18 april 2022 tot en met 12 juni 2022 arbeid in loondienst verricht en daarna geen arbeid in loondienst of als zelfstandige verricht. Ook heeft eiser niet aangetoond dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft, zodat ook geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 8.16, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb. De vaststelling dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is tevens een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn. Het belang van eiser om in Nederland te mogen verblijven is afgewogen tegen het belang van de Nederlandse staat, waarbij de belangenafweging in het nadeel van eiser is uitgevallen. Volgens de minister is de vaststelling dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft dan ook niet in strijd met artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan de vereisten van artikel 8.12 van het Vb, waarin de voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Nederland zijn neergelegd.
5.1.
Eiser heeft aangevoerd dat de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel is uitgevallen. De band die eiser met Nederland heeft is sterker dan zijn band met Polen. Hij heeft hier periodes gewerkt en wilde juist weg uit Polen.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft in beroep in essentie hetzelfde aangevoerd als dat hij in bezwaar naar voren heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden voldoende kenbaar heeft betrokken bij de belangenafweging en dat de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft mogen laten uitvallen. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat eiser geen sterke band heeft met Nederland. Eiser verricht geen economische activiteiten in Nederland en is ook niet aantoonbaar op zoek naar werk. Daarbij heeft de minister mee mogen wegen dat eiser geen familieleven en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland. Daarnaast veroorzaakt eiser overlast en is hij meermaals met de politie in aanraking geweest. De minister heeft, alles bij elkaar in samenhang bezien, het belang van de Nederlandse samenleving bij verwijdering van eiser zwaarder mogen laten wegen dan het individuele belang van eiser om in Nederland te blijven.
6.1.
Eiser heeft verder aangevoerd dat op de minister een actieve informatieplicht rust over hoe eiser moet voldoen aan de verwijderingsmaatregel en ook onder welke voorwaarden eiser terug kan keren naar Nederland. Eiser verwijst naar artikel 34 van de Verblijfsrichtlijn. De Verblijfsrichtlijn beoogt onnodige hindernissen voor het gebruikmaken van het recht op vrij verkeer te voorkomen. Eiser verwijst in dit verband ook naar het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In het verweerschrift heeft de minister verwezen naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van respectievelijk 4 maart 20245 (bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) en 20 maart 20247. De rechtbank overweegt in de lijn van die uitspraken dat uit artikel 30, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn volgt dat een verwijderingsmaatregel aan de betrokkene op zodanige wijze schriftelijk ter kennis moet worden gebracht, dat de betrokkene in staat is om de inhoud en de gevolgen hiervan te begrijpen. De rechtbank oordeelt dat de minister aan de informatieplicht heeft voldaan. In het bestreden besluit is vermeld dat eiser geen verblijfsrecht meer heeft en is uitgelegd waarom hij niet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf voldoet. Vervolgens is vermeld dat eiser niet meer in Nederland mag zijn, dat hij Nederland uiterlijk binnen een maand moet verlaten en dat hij hier zelf verantwoordelijk voor is. Ook kan eiser worden uitgezet als hij Nederland niet verlaat.
De minister heeft daarnaast in een openbare werkinstructie uiteengezet welke elementen van belang zijn bij het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf. Deze elementen komen overeen met de elementen aan de hand waarvan volgens het F.S.-arrest moet worden beoordeeld of het verblijf in het gastland daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Hoewel niet alle genoemde elementen zijn toegespitst op personen zonder vaste woon- of verblijfplaats, zoals eiser, neemt dat niet weg dat aan de hand van de andere elementen nog steeds kan worden beoordeeld of het verblijf van zo’n persoon in het gastland daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast hoeft de minister bij zijn besluitvorming niet meer informatie te geven over de wijze waarop eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief kan beëindigen om weer een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. Een eventueel nieuw verblijf van eiser in Nederland is een onzekere toekomstige gebeurtenis en pas dan valt te beoordelen of het eerdere verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister op goede gronden heeft kunnen vastgesteld dat dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en dat aan eiser een verwijderingsmaatregel kan worden opgelegd.
8. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C.W. Ris-van Huussen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 januari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. 2 Zaak 24.20639
Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:586. 5 Rechtbank Den Haag, 4 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6360.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1741. 7 Rechtbank Den Haag, 20 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10580.
WI 2023/3