Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:6223

2025-04-15 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.16105
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2025-04-15
Publicatiedatum
2025-04-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.16105
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolgberoep bewaring – voortvarend handelen verweerder – beroep ongegrond

Citeert (1)

Geciteerd door (3)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.578 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.16105


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Procesverloop


Verweerder heeft op 21 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.



De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 14 april 2025.





Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 5 maart 2025, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 5 maart 2025.

4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Tijdens de bewaring heeft eiser asiel aangevraagd. Deze asielaanvraag is afgewezen. Tegen die afwijzing heeft eiser op 21 februari 2025 beroep ingesteld en ook heeft hij verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Het ligt op de weg van verweerder om bij de rechtbank te verzoeken om de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening naar voren te halen. Ten onrechte heeft verweerder dit nagelaten.

5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder sinds 5 maart 2025 twee keer schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Gambiaanse autoriteiten en een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Verder blijkt uit het voortgangsrapport dat op 24 april 2025 een presentatie van eiser bij de Gambiaanse autoriteiten is gepland. Hiermee handelt verweerder voldoende voortvarend. De stelling dat verweerder niet aan de rechtbank heeft gevraagd om de behandeling van het beroep en verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van eisers asielprocedure naar voren te halen, leidt niet tot een andere conclusie. Eiser heeft zelf beroep ingesteld tegen het afwijzende asielbesluit en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Het is de rechtbank daarbij ambtshalve bekend dat de behandeling van het beroep en verzoek om voorlopige voorziening van eiser reeds heeft plaatsgevonden op 25 maart 2025 bij zittingsplaats Den Haag.

6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel
van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan op 15 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De uitspraak is bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Vreemdelingenwet 2000.


ECLI:NL:RBDHA:2025:3425.