Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:5700
2025-04-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.14888
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting Algerije, voortvarend handelen, beroep ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2620 Rechtbank Den Haag 21-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:1892 Raad van State 06-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2642 Raad van State 03-07-2024
Geciteerd door (4)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15986 Rechtbank Den Haag 27-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13394 Rechtbank Den Haag 22-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10514 Rechtbank Den Haag 17-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8343 Rechtbank Den Haag 13-05-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (5.219 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14888
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft op 12 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 7 april 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2005 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 21 februari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 19 februari 2025.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser zit namelijk al sinds 12 februari 2025 in bewaring en is nog niet uitgezet naar Algerije. Op de aanvraag voor een laissez-passer (lp) voor eiser is nog niet gereageerd door de Algerijnse autoriteiten. Sinds 2021 zijn er meerdere lp-trajecten opgestart voor eiser maar dat heeft niet geleid tot zijn uitzetting. Verweerder heeft verder slechts twee keer gerappelleerd sinds de lp-aanvraag voor eiser is ingediend en één keer een vertrekgesprek gehouden. Van verweerder mag verwacht worden dat hij meer inspanningen verricht om eisers vertrek te realiseren.
5. In het algemeen ontbreekt het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn niet. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 en 15 juli 2024. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn in zijn geval wel ontbreekt. Het enkele gegeven dat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben geregeerd op de rappels van verweerder is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de Algerijnse autoriteiten zullen weigeren aan eiser een lp te verstrekken. Dat in het verleden geen lp is verstrek aan eiser maakt evenmin dat aan eiser in dit traject geen lp zal worden verstrekt. De rechtbank betrekt verder dat eiser zelf tot op heden geen aantoonbare inspanningen verricht om zijn vertrek naar Algerije te bespoedigen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Verder werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Op 19 februari 2025 is de lp-aanvraag voor eiser ingediend bij de Algerijnse autoriteiten. Verweerder heeft vervolgens op 27 februari en 20 maart 2025 gerappelleerd. Daarnaast zijn op 17 februari en 24 maart 2025 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is op 7 april 2025 gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2025:2620.
ECLI:NL:RVS:2024:1892.
ECLI:NL:RVS:2024:2642.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14888
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft op 12 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 7 april 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2005 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 21 februari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 19 februari 2025.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser zit namelijk al sinds 12 februari 2025 in bewaring en is nog niet uitgezet naar Algerije. Op de aanvraag voor een laissez-passer (lp) voor eiser is nog niet gereageerd door de Algerijnse autoriteiten. Sinds 2021 zijn er meerdere lp-trajecten opgestart voor eiser maar dat heeft niet geleid tot zijn uitzetting. Verweerder heeft verder slechts twee keer gerappelleerd sinds de lp-aanvraag voor eiser is ingediend en één keer een vertrekgesprek gehouden. Van verweerder mag verwacht worden dat hij meer inspanningen verricht om eisers vertrek te realiseren.
5. In het algemeen ontbreekt het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn niet. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 en 15 juli 2024. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn in zijn geval wel ontbreekt. Het enkele gegeven dat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben geregeerd op de rappels van verweerder is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de Algerijnse autoriteiten zullen weigeren aan eiser een lp te verstrekken. Dat in het verleden geen lp is verstrek aan eiser maakt evenmin dat aan eiser in dit traject geen lp zal worden verstrekt. De rechtbank betrekt verder dat eiser zelf tot op heden geen aantoonbare inspanningen verricht om zijn vertrek naar Algerije te bespoedigen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Verder werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Op 19 februari 2025 is de lp-aanvraag voor eiser ingediend bij de Algerijnse autoriteiten. Verweerder heeft vervolgens op 27 februari en 20 maart 2025 gerappelleerd. Daarnaast zijn op 17 februari en 24 maart 2025 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is op 7 april 2025 gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBDHA:2025:2620.
ECLI:NL:RVS:2024:1892.
ECLI:NL:RVS:2024:2642.