Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:5530
2025-03-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.13226
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolgberoep; ongegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:1892 Raad van State 06-05-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:2829 Raad van State 26-07-2023
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9035 Rechtbank Den Haag 16-05-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (3.970 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13226
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 8 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek op zitting achterwege blijft en daarom het vooronderzoek gesloten op 27 maart 2025.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 januari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 21 januari 2025) rechtmatig is.
Is er zicht op uitzitting binnen een redelijke termijn?
3. Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Volgens eiser is niet bekend dat ook maar één uitzetting naar Algerije in bijvoorbeeld de afgelopen drie maanden heeft plaatsgevonden. Uit de verslagen van de meest recente vertrekgesprekken blijkt dat eiser geen gebrek aan medewerking kan worden verweten.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit in zijn geval anders is. Uit de M120 blijkt dat er op 13 januari 2025 een laissez passer-aanvraag is gedaan en dat deze tot op heden in behandeling is bij de Algerijnse autoriteiten. Aan de Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een laissez passer in orde te maken. Dat eiser geen gebrek aan medewerking toont maakt dit niet anders.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Eiser heeft zijn overige gronden die zien op het voortvarend handelen van de minister en de belangenafweging niet onderbouwd. De rechtbank toetst deze gronden en het voortduren van de maatregel dan ook ambtshalve. De rechtbank ziet geen reden om het beroep gegrond te verklaren vanwege onrechtmatigheid van de bewaring.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Rb Den Haag (zp Arnhem), 13 januari 2025, NL25.52008 (niet gepubliceerd).
ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Vergelijk ABRvS26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13226
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 8 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek op zitting achterwege blijft en daarom het vooronderzoek gesloten op 27 maart 2025.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 januari 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 21 januari 2025) rechtmatig is.
Is er zicht op uitzitting binnen een redelijke termijn?
3. Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Volgens eiser is niet bekend dat ook maar één uitzetting naar Algerije in bijvoorbeeld de afgelopen drie maanden heeft plaatsgevonden. Uit de verslagen van de meest recente vertrekgesprekken blijkt dat eiser geen gebrek aan medewerking kan worden verweten.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit in zijn geval anders is. Uit de M120 blijkt dat er op 13 januari 2025 een laissez passer-aanvraag is gedaan en dat deze tot op heden in behandeling is bij de Algerijnse autoriteiten. Aan de Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een laissez passer in orde te maken. Dat eiser geen gebrek aan medewerking toont maakt dit niet anders.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Eiser heeft zijn overige gronden die zien op het voortvarend handelen van de minister en de belangenafweging niet onderbouwd. De rechtbank toetst deze gronden en het voortduren van de maatregel dan ook ambtshalve. De rechtbank ziet geen reden om het beroep gegrond te verklaren vanwege onrechtmatigheid van de bewaring.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Rb Den Haag (zp Arnhem), 13 januari 2025, NL25.52008 (niet gepubliceerd).
ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Vergelijk ABRvS26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.