Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:4640
2025-03-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.10977
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; Marokkaanse; artikel 15, eerste lid, Terugkeerrichtlijn; arrest Mahdi van het Hof van Justitie; ongegrond.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15188 Rechtbank Den Haag 14-08-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (5.421 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10977
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: N. Schoonbrood).
Procesverloop
De minister heeft op 22 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2003.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 14 februari 2025 (in de zaak NL25.3126) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de
rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert het volgende aan. De minister stelt rappels aan de ambassade te hebben verzonden. Eiser meent dat afschriften van deze rappels overgelegd dienen te worden. Hierbij verwijst eiser naar het arrest Mahdi van het Hof van Justitie. Daarnaast verwijst eiser naar artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. In dit artikel is bepaald dat de bewaring zo kort mogelijk is en niet langer duurt dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van uitzetting.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke juistheid van de inhoud van de voortgangsrapportage betreffende de rappels of om daarvoor een nadere onderbouwing te verlangen. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan moet worden betwijfeld dat de minister daadwerkelijk heeft gerappelleerd bij de autoriteiten van Marokko. De rechtbank ziet ook niet welk belang voor de minister daarbij gediend zou zijn. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de informatie in de voortgangsrapportage. Daarnaast heeft de minister op 24 januari 2025 en 21 februari 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. In wat eiser nu heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister eisers uitzetting onvoldoende voortvarend ter hand neemt. Evenmin is de omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. In het algemeen wordt het zicht op uitzetting naar Marokko aangenomen. Bij de huidige stand van zaken is er ook geen reden om aan te nemen dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser geen laissez-passer zullen verstrekken. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewaring niet onevenredig lang duurt. Op eiser rust bovendien de verplichting om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen om zijn beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Uit de met eiser gevoerde vertrekgesprekken blijkt niet dat hij invulling geeft aan die verplichting. De beroepsgronden slagen daarom niet.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 maart 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10977
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: N. Schoonbrood).
Procesverloop
De minister heeft op 22 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2003.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 14 februari 2025 (in de zaak NL25.3126) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de
rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert het volgende aan. De minister stelt rappels aan de ambassade te hebben verzonden. Eiser meent dat afschriften van deze rappels overgelegd dienen te worden. Hierbij verwijst eiser naar het arrest Mahdi van het Hof van Justitie. Daarnaast verwijst eiser naar artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. In dit artikel is bepaald dat de bewaring zo kort mogelijk is en niet langer duurt dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van uitzetting.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke juistheid van de inhoud van de voortgangsrapportage betreffende de rappels of om daarvoor een nadere onderbouwing te verlangen. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan moet worden betwijfeld dat de minister daadwerkelijk heeft gerappelleerd bij de autoriteiten van Marokko. De rechtbank ziet ook niet welk belang voor de minister daarbij gediend zou zijn. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de informatie in de voortgangsrapportage. Daarnaast heeft de minister op 24 januari 2025 en 21 februari 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. In wat eiser nu heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister eisers uitzetting onvoldoende voortvarend ter hand neemt. Evenmin is de omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. In het algemeen wordt het zicht op uitzetting naar Marokko aangenomen. Bij de huidige stand van zaken is er ook geen reden om aan te nemen dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser geen laissez-passer zullen verstrekken. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewaring niet onevenredig lang duurt. Op eiser rust bovendien de verplichting om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen om zijn beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Uit de met eiser gevoerde vertrekgesprekken blijkt niet dat hij invulling geeft aan die verplichting. De beroepsgronden slagen daarom niet.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 maart 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.