Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:2823
2025-01-31
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
AWB 24/16033
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
PKV; geen procesbelang; afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2023:1319 Raad van State 05-04-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.273 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/16033
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Fouad Fattal),
en
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar dochter [naam] (referente). Verzoekster heeft het beroep ingetrokken, omdat de minister alsnog een besluit heeft genomen op haar aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft op 28 november 2024 laten weten bereid te zijn de proceskosten van verzoekster te vergoeden tot een hoogte van € 453,50.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Heeft verzoekster nog belang bij een proceskostenveroordeling?
4. Procesbelang is het belang dat de belanghebbende heeft bij de uitkomst van de procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen heeft, met het rechtsmiddel bereikt kan worden en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is.
4.1.
De minister heeft met de brief van 28 november 2024 toegezegd de proceskosten tot een hoogte van € 453,50 te vergoeden. Omdat de minister heeft toegezegd de proceskosten te vergoeden, kan verzoekster met haar verzoek niet meer bereiken dan zij al heeft bereikt. Het aanbod van de minister is onvoorwaardelijk. Verzoekster kan de minister aan een dergelijk aanbod houden. Daarvoor is, anders dan verzoekster betoogt, een uitspraak niet nodig. Dit betekent dat het belang bij het verzoek om proceskostenvergoeding is vervallen.
Conclusie en gevolgen
5. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af, omdat het procesbelang ontbreekt.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Vergelijk ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1319.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/16033
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Fouad Fattal),
en
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar dochter [naam] (referente). Verzoekster heeft het beroep ingetrokken, omdat de minister alsnog een besluit heeft genomen op haar aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft op 28 november 2024 laten weten bereid te zijn de proceskosten van verzoekster te vergoeden tot een hoogte van € 453,50.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Heeft verzoekster nog belang bij een proceskostenveroordeling?
4. Procesbelang is het belang dat de belanghebbende heeft bij de uitkomst van de procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen heeft, met het rechtsmiddel bereikt kan worden en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is.
4.1.
De minister heeft met de brief van 28 november 2024 toegezegd de proceskosten tot een hoogte van € 453,50 te vergoeden. Omdat de minister heeft toegezegd de proceskosten te vergoeden, kan verzoekster met haar verzoek niet meer bereiken dan zij al heeft bereikt. Het aanbod van de minister is onvoorwaardelijk. Verzoekster kan de minister aan een dergelijk aanbod houden. Daarvoor is, anders dan verzoekster betoogt, een uitspraak niet nodig. Dit betekent dat het belang bij het verzoek om proceskostenvergoeding is vervallen.
Conclusie en gevolgen
5. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af, omdat het procesbelang ontbreekt.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Vergelijk ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1319.