Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:28167

2025-12-08 Bestuursrecht SGR 25/4266
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2025-12-08
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/4266
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen weigering bevestigen optieverklaring - verweerder heeft op goede gronden geweigerd de optieverklaring te bevestigen - verweerder heeft terecht geoordeeld dat verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig was omdat eiser op het moment dat hij het Nederlanderschap verloor geen gebruikmaakte van zijn Unierechten of dat voorzienbaar was dat hij daarvan gebruik zou gaan maken - het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 8 EVRM - beroep ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.898 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/4266


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen



[eiser] , uit [plaats] (Turkije), eiser,


en




de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. I.S. IJserinkhuijsen).





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om de verklaring van eiser dat hij het Nederlanderschap wil verkrijgen (hierna: de optieverklaring) te bevestigen.



1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 14 februari 2025 (het primaire besluit) geweigerd de optieverklaring te bevestigen. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingesteld. Met het bestreden besluit van 11 juni 2025 op eisers bezwaar is verweerder bij zijn eerdere besluit gebleven.


1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 via een videoverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam] (eisers oom) als tolk en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser is op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] geboren. Eiser heeft bij geboorte het Nederlanderschap verkregen via de Nederlandse nationaliteit van zijn vader. Op 31 januari 2013 heeft eisers vader afstand gedaan van het Nederlanderschap. Eiser heeft daarmee ook van rechtswege het Nederlanderschap verloren. Hierna heeft eiser een verblijfsvergunning wedertoelating/remigratie voor Nederland gekregen, geldig tot 22 augustus 2013. Eiser is op 13 juni 2013, op achtjarige leeftijd, samen met zijn ouders, geëmigreerd naar Turkije en woont sindsdien aldaar. Op 16 augustus 2024 heeft eiser een optieverklaring afgelegd om het Nederlanderschap te herkrijgen. De IND heeft op 31 januari 2025 een advies uitgebracht en geconcludeerd dat het verlies van het Unieburgerschap in het geval van eisers niet onevenredig is geweest. In het primaire besluit is dit advies overgenomen en is vervolgens geweigerd de optieverklaring te bevestigen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 11 juni 2025 heeft verweerder de weigering gehandhaafd met een aanvullende motivering en geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor herkrijging van het Nederlanderschap door middel van optie. De optieverklaring is daarom niet bevestigd door verweerder.



Wat vindt eiser in beroep?



3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser betwist dat het verlies van zijn Nederlanderschap geen onevenredige gevolgen voor hem heeft. Eiser verloor het Nederlanderschap toen hij slechts zeven jaar oud was, terwijl hij volledig afhankelijk was van zijn ouders en geen enkele mogelijkheid had om zijn juridische positie te begrijpen of te verdedigen. Met het verlies van eisers Nederlanderschap verloor hij ook zijn Unieburgerschap en daarmee het recht op vrij verkeer, verblijf, studie en arbeid binnen de EU. Eiser is gedwongen teruggekeerd naar Turkije maar zijn emotionele, culturele en sociale band met Nederland is nooit verbroken. Eiser heeft zijn eerste schooljaren doorgebracht in Nederland en hij nam actief deel aan Nederlandse tradities zoals de Sinterklaasviering. Eisers beheersing van de Nederlandse taal is op moedertaalniveau gebleven. Twee van eisers broers zijn daarnaast Nederlandse staatsburgers en wonen permanent in Nederland. Een van eisers broers is afgestudeerd aan de TU Delft. Eiser heeft een speciale band met hem en zou graag meer tijd met hem willen doorbrengen en samen aan projecten willen werken. Eiser is in juni 2024 namelijk cum laude afgestudeerd aan de Özel Dinamik Technische en Beroepsschool in Turkije in de specialisatie: Elektrotechniek – Installatie en distributie van elektrische systemen. Eiser heeft een vergunning voor het openen van een elektrotechnisch bedrijf. Hij werkt aan een groot Mars-project en wil dit onderzoek voortzetten met Nederlandse ruimtevaartinstituten. Met eisers terugkeer zou hij niet alleen zijn gezinsleven herstellen maar ook een inhoudelijke bijdrage leveren aan de Nederlandse kenniseconomie. In het geval van eiser is het verlies van zijn Nederlanderschap veroorzaakt door de beslissing van zijn vader zonder enige toetsing aan zijn persoonlijke situatie, belangen of toekomst. Dat is in strijd met het proportionaliteitsbeginsel en met artikel 8 van het EVRM.



Wat zijn de regels?



4. Verweerder beoordeelt aan de hand van de overgelegde stukken de gronden waarop de optieverklaring berust. Als aan de vereisten is voldaan, bevestigt hij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap. Een vreemdeling die het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren kan het Nederlanderschap verkrijgen, als met het verlies van het Nederlanderschap het Unieburgerschap verloren ging en op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit tot onevenredige gevolgen vanuit het oogpunt van het Unierecht zou leiden.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



5. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geweigerd de optieverklaring te bevestigen. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank licht dit hierna verder toe.

6. Het Europees Hof van Justitie heeft in het Tjebbes-arrest bepaald dat het Unierecht in beginsel niet aan het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege, waarmee ook het Unieburgerschap verloren gaat, in de weg staat. De bevoegde nationale autoriteiten en de nationale rechterlijke instanties moeten wel nagaan of het verlies van de nationaliteit en daarmee het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene uit het oogpunt van het Unierecht. Het Hof overwoog onder meer dat met name relevant kan zijn het feit dat de betrokkene door het verlies van rechtswege zou worden geconfronteerd met beperkingen in de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, wat in voorkomend geval leidt tot bijzondere moeilijkheden om zich naar Nederland of een andere lidstaat te begeven om daar beroepsactiviteiten te verrichten. Een ander aspect dat het Hof van belang achtte zijn de door het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde rechten, waaronder het in artikel 7 van het Handvest erkende recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven en het in artikel 24 van het Handvest erkende belang van het kind.
7. De wetgever heeft uitvoering gegeven aan het Tjebbes-arrest met de mogelijkheid van een optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN. Op deze manier kan, als door het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap het Unieburgerschap verloren ging en op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit tot onevenredige gevolgen uit het oogpunt van het Unierecht zou leiden, het Nederlanderschap met terugwerkende kracht worden herkregen. Volgens de hoogste bestuursrechter is dit een doeltreffende voorziening om het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.

8. De hoogste bestuursrechter heeft beslist dat het peilmoment waarop dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel het moment van het verlies van het Nederlanderschap is. Daarbij dienen ook de gevolgen te worden betrokken die op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar waren. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen. Voor eiser geldt dat hij op het moment van het verlies van het Nederlanderschap zeven jaar oud was.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het advies van de IND mocht volgen en op basis van dit advies terecht heeft geoordeeld dat eiser rond de peildatum, toen hij dus zeven jaar oud was, geen gebruikmaakte van zijn Unierechten of voorzienbaar was dat hij daarvan gebruik zou gaan maken. Het advies van de IND is zorgvuldig tot stand gekomen en de IND is op alle door eiser aangevoerde aspecten uitvoerig ingegaan.

10. Eiser stelt dat met het verlies van de Nederlandse nationaliteit er inbreuk is gemaakt op de omstandigheid dat hij geen gebruik meer kan maken van onder andere het recht op vrij verkeer, verblijf op het grondgebied van lidstaten van de EU, de mogelijkheid daar beroepsactiviteiten te verrichten, de eerbiediging van het familie- en gezinsleven en het belang van het kind. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak aan artikel 8 van het EVRM geen recht op een bepaalde nationaliteit kan worden ontleend. Dat eiser bij zijn broers in Nederland wenst te verblijven, maakt daarom niet dat verweerder de optieverklaring had moeten bevestigen. Dit neemt niet weg dat het verlies en onthouden van nationaliteit onder omstandigheden wel een aantasting kan zijn van het privéleven zoals bedoeld in artikel 7 Handvest. Eiser heeft echter niet geconcretiseerd in hoeverre zijn privéleven is geschaad of voorzienbaar zou worden geschaad ten tijde van het verlies van het Unieburgerschap omdat hij belemmerd werd om naar de EU te reizen en zich er te vestigen en te werken.

11. Wat betreft eisers toekomstplannen in Nederland heeft verweerder erop kunnen wijzen dat dit niet op eisers situatie ziet ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap, toen hij zeven jaar oud was. De rechtbank overweegt dat deze gevolgen ook niet redelijkerwijs voorzienbaar waren op dat moment. Verweerder heeft deze omstandigheden dan ook niet hoeven betrekken bij de beoordeling.

12. Verder heeft verweerder heeft er terecht op gewezen dat de omstandigheden dat eiser is geboren in Nederland, op jonge leeftijd een aantal jaren in Nederland heeft gewoond en naar school is geweest waardoor hij een band heeft met Nederland, niet relevant zijn voor de beoordeling of het verlies van het Unieburgerschap onevenredig is geweest. Dit houdt namelijk geen verband met rechten die verbonden zijn aan het Unierecht en voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel is vereist dat de betrokkene gevolgen ondervindt die in de sfeer van het Unierecht liggen.

13. Dat eiser als minderjarige het verlies van het Nederlanderschap niet heeft kunnen voorkomen, vloeit voort uit de wet en is gelet op het oordeel van het Hof van Justitie niet in strijd met het Unierecht of onrechtmatig. De rechtbank begrijpt dat eiser moeite heeft met het feit dat hij zelf weinig tot geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de omstandigheden die tot het verlies van zijn Nederlanderschap hebben geleid, maar daarin verschilt hij niet van andere kinderen die door beslissingen van hun ouder(s) een bepaalde nationaliteit verkregen of juist verloren hebben.








Conclusie en gevolgen


14. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.


Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.


Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.


Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN).


Immigratie- en Naturalisatiedienst.


Technische Universiteit Delft.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Op grond van artikel 6, derde lid, van de RWN.


Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN.


Hof van Justitie van de Europese Unie.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:835.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423.


Europese Unie.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Zie de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189.