Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28166
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om vernietiging van politiegegevens - eiser heeft geen recht op vernietiging van de politiegegevens - de verwerkte gegevens zijn niet onjuist - niet is gebleken dat verwerking van de politiegegevens op andere wijze in strijd is met een wettelijk voorschrift - verweerder heeft terecht geen belangenafweging gemaakt nu hij geen beslissingsruimte heeft - er is wel sprake van een motiveringsgebrek omdat uit het besluit niet volgt dat de gegevens verwijderd waren en werden bewaard op grond van artikel 14 van de WPG - motiveringsgebrek hersteld met verweerschrift en toelichting ter zitting - gebrek gepasseerd met artikel 6:22 van de Awb - verweerder heeft eisers verzoek kunnen opvatten als enkel een verzoek om vernietiging van gegevens en niet mede als verzoek tot rectificatie - beroep ongegrond - eiser krijgt griffierecht terug.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:2509 Raad van State 19-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.826 tekens)
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2299
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats], eiser
en
de korpschef van politie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Bruinsma).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 24 februari 2025 (het bestreden besluit). Verweerder heeft het verzoek van eiser tot vernietiging van hem betreffende politiegegevens daarmee afgewezen.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank de stukken overgelegd waar het verzoek van eiser op ziet. De rechtbank heeft deze stukken op 21 oktober 2025 ontvangen. Verweerder heeft met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat alleen de rechtbank van deze stukken kennis mag nemen. De rechtbank heeft overeenkomstig artikel 2.8 van het Procesreglement bestuursrecht gehandeld alsof is besloten dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank op de zitting toestemming gegeven om kennis te nemen van de vertrouwelijke documenten.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld van [naam], en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser heeft op 29 januari 2025 verzocht om vernietiging van politiegegevens. Het gaat om een registratie die verband houdt met de verdenking in een strafzaak uit 2022. Eiser was in die strafzaak verdachte van het voorhanden hebben van een vuurwapen. De zaak is op 28 november 2022 geseponeerd in verband met gewijzigde omstandigheden. Volgens eiser is er geen grond meer om de politiegegevens te bewaren. Het bewaren van de gegevens strookt volgens eiser niet met de principes van noodzakelijkheid en proportionaliteit.
3. Verweerder heeft het verzoek afgewezen. De gegevens worden verwerkt in het bedrijfsprocessensysteem Basisvoorziening Handhaving (BVH). Volgens verweerder maakt het sepot in de strafzaak niet dat de verwerking van de gegevens in strijd is met een wettelijk voorschrift. De gegevens zijn ook niet onjuist. Het is noodzakelijk de gegevens te verwerken voor de goede uitvoering van de dagelijkse politietaak. De gegevens zijn volgens verweerder verder rechtmatig verkregen, ter zake dienend en niet bovenmatig.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek tot vernietiging. De registratie in BVH gaat over vermeend vuurwapenbezit. De kwalificatie ‘vuurwapen’ is echter onjuist. Het ging om een plastic speelgoedpistool. De registratie wekt de suggestie dat eiser een strafbaar feit heeft gepleegd en is dus misleidend. Omdat de omschrijving feitelijk onjuist is en de strafzaak is geseponeerd, moet verweerder de registratie vernietigen. De gegevens zijn niet langer noodzakelijk voor de politietaak. Er is geen reden de gegevens vijf jaar te bewaren. Eiser wijst erop dat hij ten tijde van het incident in 2022 minderjarig was. Voor minderjarigen geldt als uitgangspunt dat hun privacy extra wordt beschermd en dat zij een eerlijke kans op een schone lei moeten krijgen. Verweerder had dan ook extra terughoudendheid moeten betrachten bij het bewaren van de gegevens. Het behoud van de registratie vormt een disproportionele inbreuk op de privacy en reputatie van eiser. Hij heeft last van de registratie, omdat hij meteen behandeld wordt als een crimineel als hij door de politie wordt gecontroleerd. De politie ziet dan in de systemen dat hij verdacht werd van vuurwapenbezit. Eiser is ook bang dat hij nadeel zal ondervinden van de registratie als hij een verklaring omtrent gedrag nodig zou hebben voor zijn studie of een baan.
Wat vindt verweerder in beroep?
5. In beroep brengt verweerder aanvullend naar voren dat het verwerken van de politiegegevens in de registratie niet meer nodig is voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak, maar dat deze politiegegevens wel moeten worden bewaard in het kader van de verantwoording van verrichtingen en het afhandelen van klachten. De politiegegevens zijn verwijderd en niet langer voor operationele doeleinden beschikbaar. Voor de gegevens geldt nog wel een bewaartermijn van vijf jaar. De registratie in BVH is op 28 november 2022 aangevuld met het sepot. De gegevens van eiser zullen daarom eerst op 28 november 2027 vernietigd worden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen recht heeft op vernietiging van de hem betreffende politiegegevens. Het beroep van eiser is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wet politiegegevens (Wpg) is er recht op vernietiging van politiegegevens als die gegevens worden verwerkt in strijd met een wettelijk voorschrift of om te voldoen aan een wettelijke verplichting. Geen van deze situaties doet zich in het geval van eiser voor. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
7.1.
De politiegegevens over eiser werden in eerste instantie verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak. De verwerking vond zijn rechtsgrond in artikel 8 van de Wpg. Blijkens de inlichtingen van verweerder zijn de politiegegevens na het sepot verwijderd en worden deze sindsdien bewaard op grond van artikel 14, eerste lid, van de Wpg ten behoeve van verwerking met het oog op de afhandeling van klachten en de verantwoording van verrichtingen.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de politiegegevens die over eiser worden verwerkt, anders dan eiser naar voren brengt, niet onjuist. Het is immers feitelijk zo dat eiser in 2022 verdachte is geweest van een overtreding van de Wet wapens en munitie. In dat kader was sprake van verschillende ambtshandelingen door de politie, waaronder een doorzoeking in de woning en een verhoor van eiser als verdachte van het voorhanden hebben van een (vuur)wapen. Dat het een balletjespistool betrof, komt naar voren in het proces-verbaal. Het gegeven dat de strafzaak is geëindigd in een sepot, kan eveneens niet tot de conclusie leiden dat sprake is van feitelijk onjuiste gegevens. Ook dat doet namelijk niet af aan het feit dat de verdenking heeft bestaan en ook niet aan de inhoud van de processen-verbaal waarin de ambtshandelingen zijn weergegeven. Bovendien houdt het sepot in dit geval in dat het openbaar ministerie heeft afgezien van vervolging in verband met gewijzigde omstandigheden. Dat zegt dus niets over de inhoud van de verdenking. Daarbij komt dat de registratie blijkens de inlichtingen van verweerder is aangevuld met het sepot, zodat ook die informatie in de registratie kenbaar is.
7.3.
Voor zover eiser betoogt dat er geen noodzaak meer is voor de verwerking van de politiegegevens in verband met het sepot, overweegt de rechtbank het volgende. Uit een sepot vloeit op zichzelf niet voort dat de over dat feit geregistreerde gegevens niet langer mogen worden bewaard. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, is er alleen recht op vernietiging als de verwerking in strijd is met de wet of als dat nodig is om te voldoen aan een wettelijke verplichting. Verweerder heeft terecht naar voren gebracht dat artikel 14 van de Wpg een wettelijke basis geeft om de verwijderde politiegegevens gedurende een periode van vijf jaar te bewaren met het oog op de afhandeling van klachten en de verantwoording van verrichtingen. De inhoud is hierbij niet langer beschikbaar voor operationele doeleinden en bevindt zich als het ware ‘achter een schot’. Alleen in bijzondere gevallen en voor zover dat noodzakelijk is voor een doel als bedoeld in artikel 9 of 10 van de Wpg kunnen de gegevens ter beschikking worden gesteld voor hernieuwde verwerking, volgens een voorgeschreven wettelijke procedure. Het bewaren van de gegevens gaat daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet verder dan noodzakelijk is voor de in artikel 14 van de Wpg omschreven doelen.
7.4.
Het is de rechtbank ook niet gebleken dat het bewaren van de politiegegevens op een andere wijze in strijd is met een wettelijk voorschrift. Eiser heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij ervaart dat de politie in de dagelijkse praktijk wel toegang heeft tot de registratie. De rechtbank kan uit deze stelling, die ook niet onderbouwd is, niet afleiden dat er rondom de verwerking van de politiegegevens sprake is van een onrechtmatigheid. Voor zover dit anders is, is het aan eiser om daarover met verweerder in overleg te treden en – desnoods door het indienen van een klacht – te bezien of feitelijk op de juiste wijze uitvoering wordt gegeven aan het beheer van en de toegang tot de registratie.
7.5.
Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat verweerder een belangafweging had moeten maken. Daarbij had verweerder moeten betrekken dat eiser destijds minderjarig was en dat hij van de registratie nadelige gevolgen ondervindt. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. Zoals ook blijkt uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter, kunnen politiegegevens niet op grond van een belangenafweging vernietigd worden. Er geldt slechts een verplichting tot vernietiging als aan een van de voorwaarden van artikel 28, tweede lid, van de Wpg wordt voldaan. Voor minderjarigen gelden geen specifieke regels. Verweerder heeft dus geen beslissingsruimte. Nu de politiegegevens niet worden verwerkt in strijd met een wettelijk voorschrift en er ook geen wettelijk voorschrift is dat voorschrijft dat vernietiging moet plaatsvinden, kon verweerder niet anders dan het verzoek van eiser afwijzen.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit wel gebrekkig gemotiveerd. Uit het bestreden besluit blijkt immers niet dat de politiegegevens al verwijderd waren en werden bewaard op grond van artikel 14 van de Wpg. Met de toelichting in het verweerschrift en op de zitting heeft verweerder dit gebrek evenwel hersteld. De rechtbank zal het motiveringsgebrek daarom passeren op grond van artikel 6:22 van de Awb. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Er bestaat wel aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt.
9. Voor zover eiser in het beroepschrift en op de zitting aan de orde heeft gesteld dat verweerder de politiegegevens moet rectificeren als deze niet worden vernietigd, overweegt de rechtbank ten slotte het volgende. Verweerder heeft het verzoek van eiser mogen opvatten als een verzoek om vernietiging van politiegegevens. Het lag niet op de weg van verweerder om hier ook een subsidiair verzoek tot rectificatie van politiegegevens in te lezen. Verweerder heeft zich dus niet over rectificatie hoeven uitlaten in het bestreden besluit, nog daargelaten dat hiervoor is geoordeeld dat geen sprake is van onjuiste informatie zodat deze ook niet zonder meer kan worden gerectificeerd. Ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat eiser zich, zoals de gemachtigde van verweerder op de zitting naar voren heeft gebracht, eventueel tot de privacydesk van de politie-eenheid Den Haag kan wenden met het verzoek om aan de registratie nog een extra mededeling toe te laten voegen over de aard van het wapen om misverstanden in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. De afwijzing van het verzoek om vernietiging van politiegegevens blijft in stand.
11. Eiser krijgt het griffierecht wel terug. Verweerder moet dat aan eiser vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2509.