Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28157
2025-10-28
Bestuursrecht
SGR 25/2293
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Oplegging bestuurlijke boete vanwege in gebruik geven woonruimte zonder huisvestingsvergunning - verweerder heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat sprake was een duurzaam en gemeenschappelijk huishouden tussen de bewoners - beroep gegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2015:2332 Raad van State 22-07-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.682 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2293
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] , eiser 1 en [eiser 2] , eiser 2, uit [woonplaats] , (hierna tezamen: eisers)
(gemachtigde: mr. I. Kassino),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. T.J. van der Geer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de oplegging van een bestuurlijke boete wegens het in gebruik geven van woonruimte zonder huisvestingsvergunning.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit op 13 augustus 2024 genomen. Met het bestreden besluit van 17 februari 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 2, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder vergezeld door de heer [naam] .
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser 1 is de eigenaar van de woning aan [adres] (hierna: de woning). Eisers verhuren gezamenlijk de woning. Inspecteurs van de Haagse Pandbrigade (hierna: de inspecteurs) hebben de woning op 3 november 2023 bezocht en vastgesteld dat eisers de woning in gebruik hebben gegeven aan drie huurders die op dat moment niet beschikten over een huisvestingsvergunning en dat eisers daarmee de wet hebben overtreden. Verweerder heeft eisers om die reden een bestuurlijke boete van € 10.000,- opgelegd.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Er is geen sprake van een overtreding van artikel 2:2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening omdat de bewoners van de woning geen duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormen. Eisers kunnen zich ook niet verenigen met de hoogte van het boetebedrag, omdat hierin niet gedifferentieerd wordt naar de mate van ernst en/of verwijtbaarheid. Dit is strijdig met artikel 5:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond hiervan moet de huisvestingsverordening onverbindend worden verklaard. Ook maakt verweerder in het beleid ten onrechte geen onderscheid tussen bonafide en malafide verhuurders. Bijlage II behorend bij de Huisvestingsverordening dient daarom onverbindend te worden verklaard. Daarnaast is het boetebedrag niet evenredig omdat bij de vaststelling van het boetebedrag ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat een geringe inbreuk is gemaakt is op het rechtsgoed dat de Huisvestingsverordening beoogt te beschermen, te weten het bevorderen van een evenwichtige en gerechtvaardigde verdeling van de woonruimte in de Gemeente Den Haag. De bewoners van de woning kwamen namelijk in aanmerking voor een huisvestingsvergunning. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van bedrijfsmatige exploitatie. Er is daarom ten onrechte aansluiting gezocht bij het verhoogde boetebedrag zoals opgenomen in Bijlage II behorend bij de Huisvestingsverordening. De hoogte van de boete dient verder te worden gematigd vanwege schending van de dertienwerkentermijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb en schending van de redelijke termijn. Verder zijn de verklaringen van de bewoners en eiser 2 onrechtmatig en onzorgvuldig verkregen. Deze kunnen daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd. Tot slot, kan eiser 2 niet worden aangemerkt als overtreder omdat hij geen eigenaar is van de woning. Ook heeft hij de woning niet in gebruik gegeven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna zal de rechtbank dit oordeel uitleggen.
4.1.
Artikel 2:2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening bepaalt dat het verboden is om een woonruimte zoals bedoeld in artikel 2:1 van de Huisvestingsverordening voor bewoning in gebruik te geven aan een huishouden, dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning. Uit artikel 1:1 van de Huisvestingsverordening volgt dat onder een ‘huishouden’ een alleenstaande óf twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding willen voeren, wordt verstaan. Uit artikel 1:1 van de Huisvestingsverordening volgt eveneens dat onder ‘duurzaam gemeenschappelijk huishouden’ moet worden verstaan een vaste groep van personen tussen wie een band bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling heeft om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen; er dient ook sprake te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat er sprake is van een duurzaam en gemeenschappelijk huishouden. Daarbij is van belang dat uit de verklaringen van de bewoners onvoldoende blijkt dat zij een duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormen. Verweerder heeft bij de beoordeling betrokken dat de bewoners van de woning een gezin vormden van een moeder en twee dochters en dat uit de verklaringen van de moeder en één van de dochters blijkt dat zij altijd hebben samengewoond. De rechtbank overweegt dat dit laatste niet zonder meer volgt uit de hiervoor genoemde verklaringen. Uit de verklaringen die zijn opgenomen in het boeterapport blijkt alleen dat de bewoners sinds 2018 in Nederland verblijven. Niet dat zij in Bulgarije en/of in de periode dat zij in Nederland verbleven voordat zij de woning van eiser 1 betrokken, ook altijd hebben samengewoond. Bovendien heeft één van de inspecteurs die het onderzoek heeft verricht, de heer [naam] , ter zitting verklaard dat de bewoners niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven in de Brp. Ook hieruit heeft verweerder niet kunnen afleiden dat de bewoners altijd met elkaar samen hebben gewoond. De rechtbank acht verder van belang dat uit de verklaringen van de bewoners niet blijkt dat zij de intentie hadden om bij terugkeer naar Bulgarije samen te blijven wonen. Enkel dat zij hier in Nederland waren om te werken en de intentie hadden om samen naar Bulgarije terug te keren in juli 2024. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewoners medio 2024 de woning ook daadwerkelijk hebben verlaten waardoor enkel vaststaat dat de bewoners gedurende een periode van ongeveer 9 maanden hebben samengewoond.
4.3.
Gelet op het voorgaande kunnen de bevindingen van het door verweerder uitgevoerde onderzoek naar het oordeel van de rechtbank, niet de conclusie dragen dat de bewoners de intentie hadden om bestendig en voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. De intentie die bewoners hebben om langdurig samen te blijven wonen is volgens vaste rechtspraak een zwaarwegend criterium bij de beoordeling of sprake is van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. Verweerder was dan ook niet bevoegd om de boete op te leggen.
4.4.
Het beroep is gegrond. De overige gronden van beroepen behoeven daarom geen verdere bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb is genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om nader te motiveren waarom is voldaan aan het vereiste van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1)
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 17 februari 2025;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014, in samenhang gelezen met artikel 1:1, 2:1, 2:2, 7:2 en Bijlage II van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (hierna: de Huisvestingsverordening).
Basisregistratie Personen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2332.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2293
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] , eiser 1 en [eiser 2] , eiser 2, uit [woonplaats] , (hierna tezamen: eisers)
(gemachtigde: mr. I. Kassino),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. T.J. van der Geer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de oplegging van een bestuurlijke boete wegens het in gebruik geven van woonruimte zonder huisvestingsvergunning.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit op 13 augustus 2024 genomen. Met het bestreden besluit van 17 februari 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 2, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder vergezeld door de heer [naam] .
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser 1 is de eigenaar van de woning aan [adres] (hierna: de woning). Eisers verhuren gezamenlijk de woning. Inspecteurs van de Haagse Pandbrigade (hierna: de inspecteurs) hebben de woning op 3 november 2023 bezocht en vastgesteld dat eisers de woning in gebruik hebben gegeven aan drie huurders die op dat moment niet beschikten over een huisvestingsvergunning en dat eisers daarmee de wet hebben overtreden. Verweerder heeft eisers om die reden een bestuurlijke boete van € 10.000,- opgelegd.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Er is geen sprake van een overtreding van artikel 2:2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening omdat de bewoners van de woning geen duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormen. Eisers kunnen zich ook niet verenigen met de hoogte van het boetebedrag, omdat hierin niet gedifferentieerd wordt naar de mate van ernst en/of verwijtbaarheid. Dit is strijdig met artikel 5:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond hiervan moet de huisvestingsverordening onverbindend worden verklaard. Ook maakt verweerder in het beleid ten onrechte geen onderscheid tussen bonafide en malafide verhuurders. Bijlage II behorend bij de Huisvestingsverordening dient daarom onverbindend te worden verklaard. Daarnaast is het boetebedrag niet evenredig omdat bij de vaststelling van het boetebedrag ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat een geringe inbreuk is gemaakt is op het rechtsgoed dat de Huisvestingsverordening beoogt te beschermen, te weten het bevorderen van een evenwichtige en gerechtvaardigde verdeling van de woonruimte in de Gemeente Den Haag. De bewoners van de woning kwamen namelijk in aanmerking voor een huisvestingsvergunning. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van bedrijfsmatige exploitatie. Er is daarom ten onrechte aansluiting gezocht bij het verhoogde boetebedrag zoals opgenomen in Bijlage II behorend bij de Huisvestingsverordening. De hoogte van de boete dient verder te worden gematigd vanwege schending van de dertienwerkentermijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb en schending van de redelijke termijn. Verder zijn de verklaringen van de bewoners en eiser 2 onrechtmatig en onzorgvuldig verkregen. Deze kunnen daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd. Tot slot, kan eiser 2 niet worden aangemerkt als overtreder omdat hij geen eigenaar is van de woning. Ook heeft hij de woning niet in gebruik gegeven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna zal de rechtbank dit oordeel uitleggen.
4.1.
Artikel 2:2, tweede lid, van de Huisvestingsverordening bepaalt dat het verboden is om een woonruimte zoals bedoeld in artikel 2:1 van de Huisvestingsverordening voor bewoning in gebruik te geven aan een huishouden, dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning. Uit artikel 1:1 van de Huisvestingsverordening volgt dat onder een ‘huishouden’ een alleenstaande óf twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding willen voeren, wordt verstaan. Uit artikel 1:1 van de Huisvestingsverordening volgt eveneens dat onder ‘duurzaam gemeenschappelijk huishouden’ moet worden verstaan een vaste groep van personen tussen wie een band bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling heeft om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen; er dient ook sprake te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat er sprake is van een duurzaam en gemeenschappelijk huishouden. Daarbij is van belang dat uit de verklaringen van de bewoners onvoldoende blijkt dat zij een duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormen. Verweerder heeft bij de beoordeling betrokken dat de bewoners van de woning een gezin vormden van een moeder en twee dochters en dat uit de verklaringen van de moeder en één van de dochters blijkt dat zij altijd hebben samengewoond. De rechtbank overweegt dat dit laatste niet zonder meer volgt uit de hiervoor genoemde verklaringen. Uit de verklaringen die zijn opgenomen in het boeterapport blijkt alleen dat de bewoners sinds 2018 in Nederland verblijven. Niet dat zij in Bulgarije en/of in de periode dat zij in Nederland verbleven voordat zij de woning van eiser 1 betrokken, ook altijd hebben samengewoond. Bovendien heeft één van de inspecteurs die het onderzoek heeft verricht, de heer [naam] , ter zitting verklaard dat de bewoners niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven in de Brp. Ook hieruit heeft verweerder niet kunnen afleiden dat de bewoners altijd met elkaar samen hebben gewoond. De rechtbank acht verder van belang dat uit de verklaringen van de bewoners niet blijkt dat zij de intentie hadden om bij terugkeer naar Bulgarije samen te blijven wonen. Enkel dat zij hier in Nederland waren om te werken en de intentie hadden om samen naar Bulgarije terug te keren in juli 2024. Tussen partijen is niet in geschil dat de bewoners medio 2024 de woning ook daadwerkelijk hebben verlaten waardoor enkel vaststaat dat de bewoners gedurende een periode van ongeveer 9 maanden hebben samengewoond.
4.3.
Gelet op het voorgaande kunnen de bevindingen van het door verweerder uitgevoerde onderzoek naar het oordeel van de rechtbank, niet de conclusie dragen dat de bewoners de intentie hadden om bestendig en voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. De intentie die bewoners hebben om langdurig samen te blijven wonen is volgens vaste rechtspraak een zwaarwegend criterium bij de beoordeling of sprake is van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. Verweerder was dan ook niet bevoegd om de boete op te leggen.
4.4.
Het beroep is gegrond. De overige gronden van beroepen behoeven daarom geen verdere bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb is genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan verweerder om nader te motiveren waarom is voldaan aan het vereiste van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1)
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 17 februari 2025;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 8, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014, in samenhang gelezen met artikel 1:1, 2:1, 2:2, 7:2 en Bijlage II van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (hierna: de Huisvestingsverordening).
Basisregistratie Personen.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2332.