Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28156
2025-10-28
Bestuursrecht
SGR 25/1713
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag VOG - inmenging artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd - verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat aan het objectieve criterium is voldaan en dat de belangenafweging in eisers nadeel uitvalt - beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2016:1535 Raad van State 01-06-2016
- ECLI:NL:RVS:2013:1368 Raad van State 02-10-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.983 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1713
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Spekreijse).
Inleiding
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser wil als taxichauffeur werken en wil daarvoor een chauffeurskaart aanvragen bij Kiwa Register N.V. (hierna: Kiwa). Voor deze aanvraag moet hij beschikken over een VOG. Op 29 september 2024 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen.
2.1.
Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) de volgende relevante justitiële gegevens zijn geregistreerd:
Eiser is op 13 december 2024 veroordeeld vanwege dwang (artikel 284 Wetboek van Strafrecht), het niet opvolgen van een volgteken (artikel 83 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), het overtreden van de Opiumwet (artikel 11, tweede lid in samenhang met artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet) en wederspannigheid (artikel 180 Wetboek van Strafrecht) tot 60 uur taakstraf en een geldboete van € 250. Daarnaast is de proeftijd verlengd met 1 jaar.
Eiser is op 14 augustus 2024 veroordeeld vanwege het tweemaal aanwezig hebben van drugs (artikel 11, tweede lid in samenhang gelezen met artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet) tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden.
Eiser is op 21 maart 2024 veroordeeld vanwege het vervaardigen van drugs (artikel 11, tweede lid in samenhang gelezen met artikel 3 aanhef, onderdelen B, C en D van de Opiumwet) tot een taakstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis waarvan 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Eiser is op 22 september 2023 veroordeeld vanwege het veroorzaken van een verkeersongeval (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994) tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Eiser is op 9 mei 2022 veroordeeld vanwege het beschadigen van goederen (artikel 350, eerste lid, Wetboek van Strafrecht) tot een voorwaardelijke geldboete van € 225 subsidiair 4 dagen hechtenis met een proeftijd van 1jaar.
2.2.
Deze strafbare feiten vormen volgens verweerder, indien herhaald, een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. Verder vindt verweerder dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de VOG.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De weigering van de VOG is in strijd met artikel 8 van het EVRM. Inmenging in de door artikel 8 van het EVRM beschermde rechten is toegestaan zover die inmenging bij wet is voorzien en de toepassing ervan voorzienbaar is. Voor eiser was echter niet voorzienbaar welk gedrag afwijzing van een VOG tot gevolg heeft. Daarnaast wordt niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in het kader van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft ten aanzien van het objectieve criterium onvoldoende gemotiveerd waarom de aard van de werkzaamheden en de locatie waar deze worden verricht maken dat er een risico bestaat voor passagiers en andere weggebruikers en wat maakt dat dit risico nu nog bestaat. Bij deze motivering moet verweerder eisers persoonlijke omstandigheden en de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd betrekken. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt nu hieruit niet volgt hoe bepaalde omstandigheden zijn afgewogen. Verweerder heeft verder ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan, dat eiser de strafbare feiten als jongvolwassene heeft gepleegd en dat hij eenzijdig is opgeleid en niet over andere kwalificaties beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Verder geven de opgelegde straffen er juist geen blijk van dat de strafbare feiten eiser zwaar aangerekend worden. Uit de opgelegde straf kan bovendien niet worden afgeleid hoe zwaar het strafbare feit eiser wordt aangerekend nu rechters bij het opleggen van straffen aansluiting zoeken bij stafmaattabellen. In de relevante wet- en regelgeving is niet expliciet opgenomen dat handelingen die eiser als gevolg van zijn ziekte heeft gepleegd aan hem bij de aanvraag van een VOG tegengeworpen kunnen worden. Bepaalde strafbare feiten zijn namelijk het gevolg van eisers verslavingsproblematiek.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Juridisch kader
5. Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wsjg) definieert een VOG als een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.
6. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.
7. Verweerder heeft voornoemde bepalingen nader uitgewerkt in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (hierna: de Beleidsregels). Indien strafbare feiten worden aangetroffen in de justitiële documentatie beoordeelt verweerder eerst of herhaling van de aangetroffen strafbare feiten, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor een VOG is aangevraagd. Ook wel het objectieve criterium genoemd. Voor de vaststelling of er een risico is, zijn er verschillende risicogroepen met bijbehorende screeningsprofielen gedefinieerd die zijn gepubliceerd op de website van Justis. Voor VOG-aanvragen ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart bij het Kiwa bestaat een apart screeningsprofiel dat ook is gepubliceerd op de website van Justis. Hieruit volgen ook de risico’s en de bij de beoordeling relevant geachte strafbare feiten of gedragingen.
8. Indien aan het objectieve criterium wordt voldaan, beoordeelt verweerder of er sprake is van omstandigheden die ertoe leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Dit is het geval als het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het risico dat door middel van het objectieve criterium vastgesteld. Het zogeheten subjectieve criterium. Als hiervan sprake is wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt in ieder geval rekening gehouden met de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Bij de afdoening van de strafzaak is in het algemeen al rekening gehouden met de ernst van het strafbare feit, de maatschappelijke onrust die het strafbare feit teweeg heeft gebracht en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.
Artikel 8 van het EVRM
9. Tussen partijen is niet in geschil dat de weigering om eiser een VOG te verstrekken inbreuk maakt op het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
10. De vraag die in deze zaak voorligt is of de inmenging gerechtvaardigd is. Het geschetste juridische kader vormt hiervoor naar het oordeel van de rechtbank een voldoende (wettelijke) basis. Het recht op privéleven, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM vindt namelijk op grond van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM zijn begrenzing in de bescherming van de openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Het doel van artikelen 28 en 35 van het Wjsg in samenhang gelezen met de Beleidsregels en het screeningsprofiel van taxichauffeur beogen nu juist de bescherming van de openbare orde.
11. De beperking op het recht op privéleven is ook voorzienbaar is omdat uit het hiervoor vermelde juridische kader voldoende kan worden afgeleid welk gedrag zal leiden tot een weigering tot afgifte van een VOG. De enkele omstandigheid dat de screeningsprofielen, zoals eiser aanvoert, niet voorzien zijn bij wet maakt het voorgaande niet anders. Uit rechtspraak van het EHRM volgt namelijk dat de eis van voorzienbaarheid zich niet verzet tegen ruim geformuleerde open normen die het bestuursorgaan en de rechter een zekere discretionaire bevoegdheid laten. Het EHRM erkent namelijk dat de nationale wetgever niet in ieder concreet geval kan voorzien. Hieruit volgt dat verweerder met de screeningsprofielen voldoende duidelijkheid heeft geboden. Het standpunt van eiser dat de beperking niet voorzienbaar is omdat uit de screeningsprofielen niet specifiek genoeg blijkt welke (combinatie van) gedragingen leiden tot een weigering tot afgifte wordt dan ook niet gevolgd door de rechtbank. Verweerder heeft er bovendien terecht op gewezen dat een limitatieve opsomming van gedragingen het onmogelijk zou maken om maatwerk te leveren. Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank dan ook niet dat verweerder zijn bevoegdheden willekeurig uitoefent. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de inmenging op het recht van privéleven van eiser als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM ongerechtvaardigd is.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Eiser heeft aangevoerd dat de beperking niet proportioneel is omdat strafbare feiten worden tegengeworpen waar eiser nog niet onherroepelijk voor is veroordeeld. De rechtbank overweegt dat verweerder in redelijkheid het belang van bescherming van de samenleving, gelet op het op grond van het objectieve criterium vastgestelde risico, zwaarder heeft kunnen laten wegen. Daarbij is van belang dat uit rechtspraak volgt dat zelfs verdenkingen mogen worden tegengeworpen in het kader van een afgifte van een VOG. Ook benadrukt de rechtbank dat de weigering om een VOG af te geven een preventieve maatregel betreft ter bescherming van de maatschappij en geen bestraffende maatregel.
13. Eiser heeft verder aangevoerd dat de beperking niet proportioneel is vanwege zijn jonge leeftijd, vanwege de willekeurigheid van de terugkijktermijn van vijf jaar en omdat uit de regeling niet blijkt wanneer eiser wel weer in aanmerking kan komen voor een VOG. De jonge leeftijd van eiser is een omstandigheid die verweerder kan meenemen in de beoordeling om een VOG te verstrekken, maar alleen het hebben van een jonge leeftijd is, gelet op het belang van de openbare orde, onvoldoende om af te zien van de weigering van een VOG. De enkele omstandigheid dat verweerder bij de invulling van zijn discretionaire bevoegdheid de keuze heeft gemaakt om bij de terugkijktermijn aansluiting te zoeken bij de duur van de vergunning, maakt bovendien niet dat er sprake is van een willekeurige uitoefening van bevoegdheden. Daarnaast volgt uit de terugkijktermijn juist dat eiser in ieder geval na vijf jaar weer in aanmerking kan komen voor een VOG indien hij binnen deze periode geen nieuwe strafbare feiten pleegt. Omdat verweerder gelet op artikel 35 van de Wjsg gehouden is om maatwerk te leveren, kan eiser aan de geldende wet- en regelgeving, die zoals hiervoor overwogen voorzienbaar is, geen zekerheid voor de toekomst ontlenen. Tot slot, heeft eiser in dit kader erop gewezen dat verweerder zou kunnen werken met een puntensysteem, zoals wordt gedaan bij rijbewijzen, waarbij de betrokkene niet bij elke overtreding of een combinatie van overtredingen zijn of haar rijbewijs kwijtraakt. De rechtbank overweegt dat uit het hiervoor geschetste kader ook niet volgt dat bij iedere overtreding of bij elke combinatie van overtredingen de VOG wordt geweigerd. Ook hierin ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het objectieve criterium
14. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij stelt dat verweerder ten onrechte in het kader van het objectieve criterium eisers persoonlijke omstandigheden en omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd niet heeft betrokken. Uit het hiervoor geschetste kader volgt dat verweerder deze omstandigheden wel betrekt bij de beoordeling maar in het kader van het subjectieve criterium. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de strekking van het objectieve criterium juist is dat uit bepaalde gedragingen een objectief risico voortvloeit voor de maatschappij dat losstaat van de persoon. Eiser heeft niet gemotiveerd waarom het onredelijk zou zijn dat voornoemde omstandigheden enkel bij het subjectieve criterium worden betrokken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder ten onrechte deze omstandigheden niet heeft betrokken in het kader van het objectieve criterium.
Het subjectieve criterium
15. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder, anders dan eiser stelt, voldoende heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in eisers nadeel uitvalt. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder bij zijn beoordeling heeft betrokken dat eiser jongvolwassen is. Verweerder heeft verder met betrekking tot de eenzijdig opleiding van eiser zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser ook andere mogelijkheden heeft om te werken. Verweerder heeft daarbij gewezen op de jonge leeftijd van eiser, de gunstige arbeidsmarkt en het feit dat er ook functies zijn waarvoor geen VOG is vereist. Ook heeft verweerder rekening gehouden met de afdoening van de strafzaken waar, zoals overwogen onder 8, in het algemeen dus ook rekening is gehouden met de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd. De enkele omstandigheid dat strafrechters aansluiting zoeken bij strafmaattabellen maakt niet dat bij oplegging van de straf geen rekening wordt gehouden met voornoemde omstandigheden. Eisers stelling in beroep dat de opgelegde straffen er juist geen blijk van geven dat de strafbare feiten eiser zwaar aangerekend worden, heeft hij niet nader gemotiveerd. Verweerder heeft hier dan ook geen rekening mee hoeven houden. Verder heeft verweerder in het verweerschrift toegelicht dat verslavingsproblematiek meegewogen kan worden in het kader van de omstandigheden waaronder een strafbaar feit wordt gepleegd maar dat eiser tijdens de hoorzitting van 24 januari 2025 heeft verklaard dat de begeleiding in verband met zijn verslavingsproblematiek nog niet is gestart. Verweerder heeft kunnen stellen dat geen aanleiding wordt gezien om alsnog over te gaan tot afgifte van de VOG omdat het van belang is dat eiser eerst zijn behandeling succesvol afrondt en laat zien dat hij langere periode niet meer met justitie in aanraking komt om de veiligheid van de maatschappij te kunnen waarborgen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder alle aangevoerde omstandigheden, waaronder eisers verslavingsproblematiek, kenbaar meegewogen in de belangenafweging.
15. Dat in de relevante wet- en regelgeving niet expliciet is opgenomen dat strafbare feiten die als gevolg van ziekte zijn gepleegd mogen worden tegengeworpen, maakt het voorgaande niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het hiervoor geschetste juridische kader namelijk voldoende dat strafbare feiten die voortkomen uit verslavingsproblematiek mogen worden tegengeworpen.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder afgifte van de VOG aan eiser heeft mogen weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie paragraaf 3.1.3. van de Beleidsregels.
VOG voor werkgevers en organisaties aanvragen | Justis.
Zie paragraaf 3.1.4.1. van de Beleidsregels.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1535.
Zie bijvoorbeeld de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 23 september 1998 inzake McLeod t. Verenigd Koninkrijk, nr. 24755/94, punt 41 en 25 maart 1983 inzake Silver e.a. t. Verenigd Koninkrijk, nr. 947/72, punt 88.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1368.
Zie paragraaf 3.1.1. onder b van de Beleidsregels.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1713
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Spekreijse).
Inleiding
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser wil als taxichauffeur werken en wil daarvoor een chauffeurskaart aanvragen bij Kiwa Register N.V. (hierna: Kiwa). Voor deze aanvraag moet hij beschikken over een VOG. Op 29 september 2024 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen.
2.1.
Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) de volgende relevante justitiële gegevens zijn geregistreerd:
Eiser is op 13 december 2024 veroordeeld vanwege dwang (artikel 284 Wetboek van Strafrecht), het niet opvolgen van een volgteken (artikel 83 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), het overtreden van de Opiumwet (artikel 11, tweede lid in samenhang met artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet) en wederspannigheid (artikel 180 Wetboek van Strafrecht) tot 60 uur taakstraf en een geldboete van € 250. Daarnaast is de proeftijd verlengd met 1 jaar.
Eiser is op 14 augustus 2024 veroordeeld vanwege het tweemaal aanwezig hebben van drugs (artikel 11, tweede lid in samenhang gelezen met artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet) tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden.
Eiser is op 21 maart 2024 veroordeeld vanwege het vervaardigen van drugs (artikel 11, tweede lid in samenhang gelezen met artikel 3 aanhef, onderdelen B, C en D van de Opiumwet) tot een taakstraf van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis waarvan 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Eiser is op 22 september 2023 veroordeeld vanwege het veroorzaken van een verkeersongeval (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994) tot een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Eiser is op 9 mei 2022 veroordeeld vanwege het beschadigen van goederen (artikel 350, eerste lid, Wetboek van Strafrecht) tot een voorwaardelijke geldboete van € 225 subsidiair 4 dagen hechtenis met een proeftijd van 1jaar.
2.2.
Deze strafbare feiten vormen volgens verweerder, indien herhaald, een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. Verder vindt verweerder dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de VOG.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De weigering van de VOG is in strijd met artikel 8 van het EVRM. Inmenging in de door artikel 8 van het EVRM beschermde rechten is toegestaan zover die inmenging bij wet is voorzien en de toepassing ervan voorzienbaar is. Voor eiser was echter niet voorzienbaar welk gedrag afwijzing van een VOG tot gevolg heeft. Daarnaast wordt niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in het kader van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft ten aanzien van het objectieve criterium onvoldoende gemotiveerd waarom de aard van de werkzaamheden en de locatie waar deze worden verricht maken dat er een risico bestaat voor passagiers en andere weggebruikers en wat maakt dat dit risico nu nog bestaat. Bij deze motivering moet verweerder eisers persoonlijke omstandigheden en de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd betrekken. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt nu hieruit niet volgt hoe bepaalde omstandigheden zijn afgewogen. Verweerder heeft verder ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan, dat eiser de strafbare feiten als jongvolwassene heeft gepleegd en dat hij eenzijdig is opgeleid en niet over andere kwalificaties beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Verder geven de opgelegde straffen er juist geen blijk van dat de strafbare feiten eiser zwaar aangerekend worden. Uit de opgelegde straf kan bovendien niet worden afgeleid hoe zwaar het strafbare feit eiser wordt aangerekend nu rechters bij het opleggen van straffen aansluiting zoeken bij stafmaattabellen. In de relevante wet- en regelgeving is niet expliciet opgenomen dat handelingen die eiser als gevolg van zijn ziekte heeft gepleegd aan hem bij de aanvraag van een VOG tegengeworpen kunnen worden. Bepaalde strafbare feiten zijn namelijk het gevolg van eisers verslavingsproblematiek.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Juridisch kader
5. Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wsjg) definieert een VOG als een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.
6. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.
7. Verweerder heeft voornoemde bepalingen nader uitgewerkt in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (hierna: de Beleidsregels). Indien strafbare feiten worden aangetroffen in de justitiële documentatie beoordeelt verweerder eerst of herhaling van de aangetroffen strafbare feiten, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor een VOG is aangevraagd. Ook wel het objectieve criterium genoemd. Voor de vaststelling of er een risico is, zijn er verschillende risicogroepen met bijbehorende screeningsprofielen gedefinieerd die zijn gepubliceerd op de website van Justis. Voor VOG-aanvragen ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart bij het Kiwa bestaat een apart screeningsprofiel dat ook is gepubliceerd op de website van Justis. Hieruit volgen ook de risico’s en de bij de beoordeling relevant geachte strafbare feiten of gedragingen.
8. Indien aan het objectieve criterium wordt voldaan, beoordeelt verweerder of er sprake is van omstandigheden die ertoe leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Dit is het geval als het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het risico dat door middel van het objectieve criterium vastgesteld. Het zogeheten subjectieve criterium. Als hiervan sprake is wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt in ieder geval rekening gehouden met de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Bij de afdoening van de strafzaak is in het algemeen al rekening gehouden met de ernst van het strafbare feit, de maatschappelijke onrust die het strafbare feit teweeg heeft gebracht en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.
Artikel 8 van het EVRM
9. Tussen partijen is niet in geschil dat de weigering om eiser een VOG te verstrekken inbreuk maakt op het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
10. De vraag die in deze zaak voorligt is of de inmenging gerechtvaardigd is. Het geschetste juridische kader vormt hiervoor naar het oordeel van de rechtbank een voldoende (wettelijke) basis. Het recht op privéleven, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM vindt namelijk op grond van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM zijn begrenzing in de bescherming van de openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Het doel van artikelen 28 en 35 van het Wjsg in samenhang gelezen met de Beleidsregels en het screeningsprofiel van taxichauffeur beogen nu juist de bescherming van de openbare orde.
11. De beperking op het recht op privéleven is ook voorzienbaar is omdat uit het hiervoor vermelde juridische kader voldoende kan worden afgeleid welk gedrag zal leiden tot een weigering tot afgifte van een VOG. De enkele omstandigheid dat de screeningsprofielen, zoals eiser aanvoert, niet voorzien zijn bij wet maakt het voorgaande niet anders. Uit rechtspraak van het EHRM volgt namelijk dat de eis van voorzienbaarheid zich niet verzet tegen ruim geformuleerde open normen die het bestuursorgaan en de rechter een zekere discretionaire bevoegdheid laten. Het EHRM erkent namelijk dat de nationale wetgever niet in ieder concreet geval kan voorzien. Hieruit volgt dat verweerder met de screeningsprofielen voldoende duidelijkheid heeft geboden. Het standpunt van eiser dat de beperking niet voorzienbaar is omdat uit de screeningsprofielen niet specifiek genoeg blijkt welke (combinatie van) gedragingen leiden tot een weigering tot afgifte wordt dan ook niet gevolgd door de rechtbank. Verweerder heeft er bovendien terecht op gewezen dat een limitatieve opsomming van gedragingen het onmogelijk zou maken om maatwerk te leveren. Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank dan ook niet dat verweerder zijn bevoegdheden willekeurig uitoefent. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de inmenging op het recht van privéleven van eiser als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM ongerechtvaardigd is.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Eiser heeft aangevoerd dat de beperking niet proportioneel is omdat strafbare feiten worden tegengeworpen waar eiser nog niet onherroepelijk voor is veroordeeld. De rechtbank overweegt dat verweerder in redelijkheid het belang van bescherming van de samenleving, gelet op het op grond van het objectieve criterium vastgestelde risico, zwaarder heeft kunnen laten wegen. Daarbij is van belang dat uit rechtspraak volgt dat zelfs verdenkingen mogen worden tegengeworpen in het kader van een afgifte van een VOG. Ook benadrukt de rechtbank dat de weigering om een VOG af te geven een preventieve maatregel betreft ter bescherming van de maatschappij en geen bestraffende maatregel.
13. Eiser heeft verder aangevoerd dat de beperking niet proportioneel is vanwege zijn jonge leeftijd, vanwege de willekeurigheid van de terugkijktermijn van vijf jaar en omdat uit de regeling niet blijkt wanneer eiser wel weer in aanmerking kan komen voor een VOG. De jonge leeftijd van eiser is een omstandigheid die verweerder kan meenemen in de beoordeling om een VOG te verstrekken, maar alleen het hebben van een jonge leeftijd is, gelet op het belang van de openbare orde, onvoldoende om af te zien van de weigering van een VOG. De enkele omstandigheid dat verweerder bij de invulling van zijn discretionaire bevoegdheid de keuze heeft gemaakt om bij de terugkijktermijn aansluiting te zoeken bij de duur van de vergunning, maakt bovendien niet dat er sprake is van een willekeurige uitoefening van bevoegdheden. Daarnaast volgt uit de terugkijktermijn juist dat eiser in ieder geval na vijf jaar weer in aanmerking kan komen voor een VOG indien hij binnen deze periode geen nieuwe strafbare feiten pleegt. Omdat verweerder gelet op artikel 35 van de Wjsg gehouden is om maatwerk te leveren, kan eiser aan de geldende wet- en regelgeving, die zoals hiervoor overwogen voorzienbaar is, geen zekerheid voor de toekomst ontlenen. Tot slot, heeft eiser in dit kader erop gewezen dat verweerder zou kunnen werken met een puntensysteem, zoals wordt gedaan bij rijbewijzen, waarbij de betrokkene niet bij elke overtreding of een combinatie van overtredingen zijn of haar rijbewijs kwijtraakt. De rechtbank overweegt dat uit het hiervoor geschetste kader ook niet volgt dat bij iedere overtreding of bij elke combinatie van overtredingen de VOG wordt geweigerd. Ook hierin ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het objectieve criterium
14. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij stelt dat verweerder ten onrechte in het kader van het objectieve criterium eisers persoonlijke omstandigheden en omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd niet heeft betrokken. Uit het hiervoor geschetste kader volgt dat verweerder deze omstandigheden wel betrekt bij de beoordeling maar in het kader van het subjectieve criterium. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de strekking van het objectieve criterium juist is dat uit bepaalde gedragingen een objectief risico voortvloeit voor de maatschappij dat losstaat van de persoon. Eiser heeft niet gemotiveerd waarom het onredelijk zou zijn dat voornoemde omstandigheden enkel bij het subjectieve criterium worden betrokken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder ten onrechte deze omstandigheden niet heeft betrokken in het kader van het objectieve criterium.
Het subjectieve criterium
15. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder, anders dan eiser stelt, voldoende heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in eisers nadeel uitvalt. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder bij zijn beoordeling heeft betrokken dat eiser jongvolwassen is. Verweerder heeft verder met betrekking tot de eenzijdig opleiding van eiser zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser ook andere mogelijkheden heeft om te werken. Verweerder heeft daarbij gewezen op de jonge leeftijd van eiser, de gunstige arbeidsmarkt en het feit dat er ook functies zijn waarvoor geen VOG is vereist. Ook heeft verweerder rekening gehouden met de afdoening van de strafzaken waar, zoals overwogen onder 8, in het algemeen dus ook rekening is gehouden met de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd. De enkele omstandigheid dat strafrechters aansluiting zoeken bij strafmaattabellen maakt niet dat bij oplegging van de straf geen rekening wordt gehouden met voornoemde omstandigheden. Eisers stelling in beroep dat de opgelegde straffen er juist geen blijk van geven dat de strafbare feiten eiser zwaar aangerekend worden, heeft hij niet nader gemotiveerd. Verweerder heeft hier dan ook geen rekening mee hoeven houden. Verder heeft verweerder in het verweerschrift toegelicht dat verslavingsproblematiek meegewogen kan worden in het kader van de omstandigheden waaronder een strafbaar feit wordt gepleegd maar dat eiser tijdens de hoorzitting van 24 januari 2025 heeft verklaard dat de begeleiding in verband met zijn verslavingsproblematiek nog niet is gestart. Verweerder heeft kunnen stellen dat geen aanleiding wordt gezien om alsnog over te gaan tot afgifte van de VOG omdat het van belang is dat eiser eerst zijn behandeling succesvol afrondt en laat zien dat hij langere periode niet meer met justitie in aanraking komt om de veiligheid van de maatschappij te kunnen waarborgen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder alle aangevoerde omstandigheden, waaronder eisers verslavingsproblematiek, kenbaar meegewogen in de belangenafweging.
15. Dat in de relevante wet- en regelgeving niet expliciet is opgenomen dat strafbare feiten die als gevolg van ziekte zijn gepleegd mogen worden tegengeworpen, maakt het voorgaande niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het hiervoor geschetste juridische kader namelijk voldoende dat strafbare feiten die voortkomen uit verslavingsproblematiek mogen worden tegengeworpen.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder afgifte van de VOG aan eiser heeft mogen weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie paragraaf 3.1.3. van de Beleidsregels.
VOG voor werkgevers en organisaties aanvragen | Justis.
Zie paragraaf 3.1.4.1. van de Beleidsregels.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1535.
Zie bijvoorbeeld de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 23 september 1998 inzake McLeod t. Verenigd Koninkrijk, nr. 24755/94, punt 41 en 25 maart 1983 inzake Silver e.a. t. Verenigd Koninkrijk, nr. 947/72, punt 88.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1368.
Zie paragraaf 3.1.1. onder b van de Beleidsregels.