Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:28152
2025-05-14
Bestuursrecht
SGR 24/9731
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Onderzoek naar rijgeschiktheid - geen reden om te twijfelen aan juistheid mutatierapport - beroep ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:3832 Raad van State 25-09-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.632 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9731
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid.
1.1.
Met het besluit van 21 augustus 2024 heeft verweerder eiser verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Met het bestreden besluit van 13 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft een melding ontvangen van de politie dat eiser op 4 juli 2024 door rood reed, daarbij bijna op van links komend verkeer botste en na een stopteken van de politie midden op de weg stopte. Verweerder vermoedt op basis hiervan dat eiser als houder van een geldig rijbewijs niet voldoet aan de eisen van geschiktheid vanwege niet adequaat kijkgedrag. Verweerder heeft eiser daarom verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Het onderzoek naar de rijvaardigheid is niet terecht opgelegd. Op 4 juli 2024 reed eiser weg bij het revalidatiecentrum [revalidatiecentrum] waar zijn vrouw was opgenomen na een hersenbloeding. Eiser reed weliswaar door rood, maar dat deed hij niet met opzet. Hij reed achter een bus waardoor hij de weg niet goed kon zien. Eiser zag één auto van links komen die hij heeft laten voorgaan.
Het mutatierapport en de mededeling van de politie bevatten fouten. Zo klopt het niet dat eiser voor de bus reed en dat de bus rechts afsloeg. De stoplichten voor de afslag naar rechts staan namelijk op rood op het moment dat het stoplicht voor de linkse afslag op groen staat. Dus het kan niet dat de bus rechts afsloeg.
Verder kan het niet kloppen dat de politie meerdere stoptekens heeft gegeven. De politie moest namelijk op het stoplicht wachten en heeft eiser nooit zo snel kunnen inhalen dat zij meerdere stoptekens kon geven.
Ook heeft eiser zijn auto aan de kant van de weg gezet in plaats van midden op de weg. Eiser verwijst hiervoor naar drie foto’s. Het zou ook vreemd zijn midden op de weg te stoppen, aangezien de politie eiser op deze plek heeft aangehouden en een boete heeft uitgeschreven. De politie had een stopteken moeten geven op een plek waar geparkeerd kan worden. Dat eiser niet midden op de weg is gestopt is van belang omdat dit de hoofdreden is van het rijvaardigheidsonderzoek. De aanvullende reactie van de politie wijkt bovendien af van de mededeling en het mutatierapport: de politie zou een volgteken hebben gegeven. Dat betekent dat de politie voor eiser reed op het moment dat hij midden op de weg stopte en niet achter hem. Ook heeft de verbalisant eiser onheus bejegend.
Eiser heeft inmiddels € 1.751,- betaald aan kosten voor de boete en voor het rijvaardigheidsonderzoek. Verweerder had moeten meewegen dat eiser al zestig jaar een rijbewijs heeft, nog nooit door rood is gereden en dat hij vrijwilliger is bij patiëntenvervoer.
Tot slot mocht verweerder het rijvaardigheidsonderzoek pas opleggen na afronding van deze beroepsprocedure.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank oordeelt dat verweerder aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid mocht opleggen. De rechtbank legt hierna uit hoe ze tot dit oordeel komt.
4.1.
Het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is een bestuursrechtelijke maatregel. De wetgever vindt het ter bevordering van de verkeersveiligheid noodzakelijk om deelname aan zo een onderzoek in bepaalde gevallen te kunnen afdwingen, los van een eventuele strafrechtelijke procedure. In deze bestuursrechtelijke procedure gelden niet de strafrechtelijke bewijsregels. Dat betekent dat eisers niet adequate kijkgedrag (door rood rijden, bijna een aanrijding veroorzaken en stoppen midden op de rijbaan) niet wettig en overtuigend hoeft te worden bewezen. Voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid hoeft alleen een vermoeden van ongeschiktheid te worden vastgesteld. Dit vermoeden kan worden gebaseerd op een mutatierapport.
4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het mutatierapport en overweegt dan ook dat op basis daarvan met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat eiser op 4 juli 2024 door rood reed, bijna een ongeval veroorzaakte en zijn voertuig midden op de rijbaan heeft stilgezet.
4.3.
Uit het mutatierapport volgt dat eiser door rood reed en daarbij bijna een aanrijding veroorzaakte. Eiser heeft ook erkend dat hij door rood is gereden en dat er verkeer van links kwam toen hij door rood reed. Daarbij is niet van belang of eiser voor of achter de bus reed, omdat ook als eisers zicht werd belemmerd door een bus, er sprake is van niet adequaat kijkgedrag. Van rijbewijshouders mag namelijk worden verwacht dat zij anticiperen op dit soort omstandigheden.
4.4.
Verder volgt uit de mededeling en uit het mutatierapport dat eiser pas na meerdere stoptekens is gestopt. De verklaring van eiser dat hij niet midden op de weg tot stilstand is gekomen en dat hij geen stoptekens heeft genegeerd is onvoldoende om niet meer van de juistheid van de mededeling en het mutatierapport uit te kunnen gaan. Het betoog van eiser, dat de politieagenten niet meerdere stoptekens hebben kunnen geven omdat zij voor het stoplicht moesten wachten, slaagt niet. De politie heeft immers onder bepaalde omstandigheden de bevoegdheid om een rood stoplicht te negeren en uit de nadere reactie van de verbalisant van 24 maart 2025 volgt dat de verbalisanten direct achter eiser zijn aangereden nadat hij door rood reed. Ook de door eiser overgelegde foto’s leiden niet tot een ander oordeel. Op de foto’s is namelijk alleen de verkeerssituatie te zien, zonder het voertuig van eiser en het is onduidelijk wanneer de foto’s zijn genomen.
4.5.
Verweerder was verplicht om aan eiser een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen omdat er een vermoeden is van onvoldoende rijvaardigheid of geschiktheid. Dat betekent dat verweerder geen rekening kon houden met de omstandigheden dat eisers vrouw was opgenomen in een revalidatiecentrum na een hersenbloeding, dat eiser al 60 jaar zonder problemen autorijdt, dat hij vrijwilligerswerk doet voor patiëntenvervoer, dat er veel kosten zijn gemoeid met de maatregel en dat eiser zich onheus bejegend heeft gevoeld.
4.6.
Tot slot hoefde verweerder de uitkomst van deze beroepsprocedure niet af te wachten voordat hij het rijvaardigheidsonderzoek oplegde. Het instellen van beroep schorst namelijk niet de werking van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht een rijvaardigheidsonderzoek aan eiser heeft opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 131, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) en artikel 23, derde lid, sub a van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3832.
Op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994, 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw 1994, in samenhang met artikel 23, derde lid, onder a, van de Regeling en onder II, eerste lid, sub b en f, van de Bijlage bij de Regeling.
Artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9731
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid.
1.1.
Met het besluit van 21 augustus 2024 heeft verweerder eiser verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Met het bestreden besluit van 13 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft een melding ontvangen van de politie dat eiser op 4 juli 2024 door rood reed, daarbij bijna op van links komend verkeer botste en na een stopteken van de politie midden op de weg stopte. Verweerder vermoedt op basis hiervan dat eiser als houder van een geldig rijbewijs niet voldoet aan de eisen van geschiktheid vanwege niet adequaat kijkgedrag. Verweerder heeft eiser daarom verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Het onderzoek naar de rijvaardigheid is niet terecht opgelegd. Op 4 juli 2024 reed eiser weg bij het revalidatiecentrum [revalidatiecentrum] waar zijn vrouw was opgenomen na een hersenbloeding. Eiser reed weliswaar door rood, maar dat deed hij niet met opzet. Hij reed achter een bus waardoor hij de weg niet goed kon zien. Eiser zag één auto van links komen die hij heeft laten voorgaan.
Het mutatierapport en de mededeling van de politie bevatten fouten. Zo klopt het niet dat eiser voor de bus reed en dat de bus rechts afsloeg. De stoplichten voor de afslag naar rechts staan namelijk op rood op het moment dat het stoplicht voor de linkse afslag op groen staat. Dus het kan niet dat de bus rechts afsloeg.
Verder kan het niet kloppen dat de politie meerdere stoptekens heeft gegeven. De politie moest namelijk op het stoplicht wachten en heeft eiser nooit zo snel kunnen inhalen dat zij meerdere stoptekens kon geven.
Ook heeft eiser zijn auto aan de kant van de weg gezet in plaats van midden op de weg. Eiser verwijst hiervoor naar drie foto’s. Het zou ook vreemd zijn midden op de weg te stoppen, aangezien de politie eiser op deze plek heeft aangehouden en een boete heeft uitgeschreven. De politie had een stopteken moeten geven op een plek waar geparkeerd kan worden. Dat eiser niet midden op de weg is gestopt is van belang omdat dit de hoofdreden is van het rijvaardigheidsonderzoek. De aanvullende reactie van de politie wijkt bovendien af van de mededeling en het mutatierapport: de politie zou een volgteken hebben gegeven. Dat betekent dat de politie voor eiser reed op het moment dat hij midden op de weg stopte en niet achter hem. Ook heeft de verbalisant eiser onheus bejegend.
Eiser heeft inmiddels € 1.751,- betaald aan kosten voor de boete en voor het rijvaardigheidsonderzoek. Verweerder had moeten meewegen dat eiser al zestig jaar een rijbewijs heeft, nog nooit door rood is gereden en dat hij vrijwilliger is bij patiëntenvervoer.
Tot slot mocht verweerder het rijvaardigheidsonderzoek pas opleggen na afronding van deze beroepsprocedure.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank oordeelt dat verweerder aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid mocht opleggen. De rechtbank legt hierna uit hoe ze tot dit oordeel komt.
4.1.
Het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is een bestuursrechtelijke maatregel. De wetgever vindt het ter bevordering van de verkeersveiligheid noodzakelijk om deelname aan zo een onderzoek in bepaalde gevallen te kunnen afdwingen, los van een eventuele strafrechtelijke procedure. In deze bestuursrechtelijke procedure gelden niet de strafrechtelijke bewijsregels. Dat betekent dat eisers niet adequate kijkgedrag (door rood rijden, bijna een aanrijding veroorzaken en stoppen midden op de rijbaan) niet wettig en overtuigend hoeft te worden bewezen. Voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid hoeft alleen een vermoeden van ongeschiktheid te worden vastgesteld. Dit vermoeden kan worden gebaseerd op een mutatierapport.
4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het mutatierapport en overweegt dan ook dat op basis daarvan met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat eiser op 4 juli 2024 door rood reed, bijna een ongeval veroorzaakte en zijn voertuig midden op de rijbaan heeft stilgezet.
4.3.
Uit het mutatierapport volgt dat eiser door rood reed en daarbij bijna een aanrijding veroorzaakte. Eiser heeft ook erkend dat hij door rood is gereden en dat er verkeer van links kwam toen hij door rood reed. Daarbij is niet van belang of eiser voor of achter de bus reed, omdat ook als eisers zicht werd belemmerd door een bus, er sprake is van niet adequaat kijkgedrag. Van rijbewijshouders mag namelijk worden verwacht dat zij anticiperen op dit soort omstandigheden.
4.4.
Verder volgt uit de mededeling en uit het mutatierapport dat eiser pas na meerdere stoptekens is gestopt. De verklaring van eiser dat hij niet midden op de weg tot stilstand is gekomen en dat hij geen stoptekens heeft genegeerd is onvoldoende om niet meer van de juistheid van de mededeling en het mutatierapport uit te kunnen gaan. Het betoog van eiser, dat de politieagenten niet meerdere stoptekens hebben kunnen geven omdat zij voor het stoplicht moesten wachten, slaagt niet. De politie heeft immers onder bepaalde omstandigheden de bevoegdheid om een rood stoplicht te negeren en uit de nadere reactie van de verbalisant van 24 maart 2025 volgt dat de verbalisanten direct achter eiser zijn aangereden nadat hij door rood reed. Ook de door eiser overgelegde foto’s leiden niet tot een ander oordeel. Op de foto’s is namelijk alleen de verkeerssituatie te zien, zonder het voertuig van eiser en het is onduidelijk wanneer de foto’s zijn genomen.
4.5.
Verweerder was verplicht om aan eiser een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen omdat er een vermoeden is van onvoldoende rijvaardigheid of geschiktheid. Dat betekent dat verweerder geen rekening kon houden met de omstandigheden dat eisers vrouw was opgenomen in een revalidatiecentrum na een hersenbloeding, dat eiser al 60 jaar zonder problemen autorijdt, dat hij vrijwilligerswerk doet voor patiëntenvervoer, dat er veel kosten zijn gemoeid met de maatregel en dat eiser zich onheus bejegend heeft gevoeld.
4.6.
Tot slot hoefde verweerder de uitkomst van deze beroepsprocedure niet af te wachten voordat hij het rijvaardigheidsonderzoek oplegde. Het instellen van beroep schorst namelijk niet de werking van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht een rijvaardigheidsonderzoek aan eiser heeft opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 131, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) en artikel 23, derde lid, sub a van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling).
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3832.
Op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994, 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvw 1994, in samenhang met artikel 23, derde lid, onder a, van de Regeling en onder II, eerste lid, sub b en f, van de Bijlage bij de Regeling.
Artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht.