Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:28148

2025-05-14 Bestuursrecht SGR 24/9750
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2025-05-14
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/9750
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing urgentieverklaring - beroep ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.494 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 24/9750


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2025 in de zaak tussen



[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. F.S. van Steenbergen),


en




het dagelijks bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Stokkel).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring.



1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 6 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?




2. Eiseres woont samen met haar vriend en haar baby bij haar moeder en stiefvader. Eiseres heeft een urgentieverklaring aangevraagd toen zij zwanger is geraakt, omdat haar huidige thuissituatie niet veilig is voor haar en haar gezin. Huilende baby’s zorgen voor stress bij de moeder van eiseres die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis en manische depressie. De woonsituatie zorgt voor veel stress bij eiseres en dat is niet goed voor haar en haar baby.



2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat het woonprobleem door de zwangerschap van eiseres is ontstaan en daarom door eiseres zelf is veroorzaakt. Niet is gebleken dat de moeder van eiseres een gevaar vormt voor haar en haar baby. De situatie van eiseres valt daarom niet onder een van de categorieën waarvoor een urgentieverklaring kan worden verleend op grond van de Huisvestingsverordening. Verweerder ziet geen aanleiding om in afwijking van zijn beleid alsnog een urgentieverklaring te verlenen.



Wat vindt eiseres in beroep?



3. Verweerder gaat uit van onjuiste feiten, want het is niet eiseres die psychische problemen heeft. Verder heeft eiseres haar woonprobleem niet zelf veroorzaakt. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk duidelijk dat de noodsituatie al jaren duurt en losstaat van (de zwangerschap van) eiseres. De moeder van eiseres is manisch depressief en heeft haar meermaals mishandeld, voorafgaand en tijdens haar zwangerschap. Eiseres vreest daarom al jaren voor haar eigen veiligheid. Uit de verklaring van de huisarts en de thuisbegeleider volgt dat de thuissituatie onwenselijk is. Dit is onvoldoende betrokken in de besluitvorming. Een gemotiveerde afweging tussen de belangen van het (ongeboren) kind en die van verweerder ontbreekt, in strijd met artikel 27 van het IRVK, artikel 8 van het EVRM en artikel 31 van het ESH. Daarbij wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2024.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank overweegt dat verweerder bij het verlenen van urgentieverklaringen gehouden is aan het opgestelde beoordelingssysteem. Indien zich één van de algemene weigeringsgronden voordoet, wordt een urgentieverklaring door verweerder in beginsel geweigerd. Een inhoudelijke toets om te kijken of de woonsituatie van eiseres door sociale of medische omstandigheden als levensbedreigend of ontwrichtend moet worden aangemerkt blijft in dat geval achterwege. Dit restrictieve beleid van verweerder is door de Afdeling niet onredelijk geacht, vanwege het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het kleine aantal toewijsbare huurwoningen dat beschikbaar komt.



4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen omdat er sprake is van een weigeringsgrond. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de reden voor de urgentieaanvraag gelegen is in de omstandigheid dat eiseres zwanger is geraakt en dat zij daarom het woonprobleem zelf heeft veroorzaakt. Bij de aanvraag en tijdens de bezwaarprocedure heeft eiseres immers expliciet aangegeven dat zij een urgentieverklaring heeft aangevraagd omdat zij zwanger is en zij niet met haar gezin bij haar moeder kan blijven wonen vanwege de psychische problematiek van haar moeder.



4.2.
Verweerder heeft het bestreden besluit ook gebaseerd op een juiste feitenvaststelling. Immers, uit het bestreden besluit volgt dat verweerder uitgaat van de situatie dat de moeder van eiseres psychische problemen heeft en niet eiseres zelf.



4.3.
De hardheidsclausule wordt alleen toegepast in gevallen waarin het niet toekennen van urgentie leidt tot een schrijnende situatie. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat er in het geval van eiseres geen sprake is van een dermate schrijnende situatie omdat niet is gebleken dat er door de psychische problematiek van de moeder van eiseres een levensbedreigende of vergelijkbare situatie is ontstaan. Daarbij heeft verweerder van belang kunnen vinden dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat eiseres door haar moeder is mishandeld of dat de moeder van eiseres anderszins een gevaar vormt voor haar en haar baby. Verweerder heeft kunnen stellen dat stress en spanning onvoldoende zijn om van een dergelijke situatie te spreken. Er bestaat daarmee ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de belangen van de baby van eiseres onvoldoende heeft meegewogen. De uitspraak waarnaar eiseres heeft verwezen leidt ook niet tot een ander oordeel, omdat die zaak niet vergelijkbaar is. Het ging namelijk om een aanvraagster die dakloos dreigde te worden en daarvan is bij eiseres geen sprake.


4.4.
Op de zitting heeft verweerder heeft erop gewezen dat eiseres een nieuwe aanvraag kan indienen als zij met stukken nader onderbouwt dat de woonsituatie onveilig is. Verweerder zal de situatie van eiseres dan opnieuw beoordelen.




Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2025.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 26, onder d, van de Huisvestingsverordening Holland Rijnland 2024 (Huisvestingsverordening).


Zie artikel 25 van de Huisvestingsverordening.


Eiseres wijst op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2024, ECLI: NL:RBAMS:2024:1103.


Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Europees Sociaal Handvest.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:412.